Ik kijk met een zekere regelmaat op hun website en zag wel al, dat deze lange tijd stilstond. Uit geruchten vernam ik ook al dat ze wellicht hun klooster De Bron zouden verlaten; de zusters Clarissen aan de Waterstraat in Nijmegen. En nu staat het er dan officieel:de jongere zusters gaan naar de Witsenburgselaan ook in Nijmegen, de oudere zusters wonen al elders. Er zijn meerdere huizen aldaar te koop. Het zou een vrijstaand huis kunnen zijn, maar ook een tussenwoning in een rijtjeshuis…
In ieder geval is het een einde aan het kloosterleven, het contemplatieve leven en een dagritme zullen overblijven.
Ik word er wel even weemoedig van. Vaker dacht ik als ik in Nijmegen was, zal ik éven mee gaan doen aan een getijdengebed in de kapel? Maar dat schoof ik dan ook weer terzijde: ik kan er niet anoniem heen, ik word meteen opgemerkt.
Die kapel is mij dierbaar, ik heb er zelf jarenlang meditaties begeleid en er gedanst. Ik zag wel al dat de koorbanken weg waren en vervangen door gemakkelijke stoelen.
Ik heb de gemeenschap, denk ik, in een heel goede tijd meegemaakt. Vol belofte en verwachting. De jongste zuster, zo fris en onschuldig nog, zei toen, in een leesgroep die ik ook begeleidde: ‘Waarschijnlijk ben ik degene die hier het licht uit gaat doen.’
Zo is het niet gegaan. Ze werd abdis, ik kreeg met haar een meningsverschil, ik kon er niet meer vrijuit ademen, ik merkte al dan niet subtiel, dat iedere zuster er wel een partij had gekozen. Of tegen me zei: ik wil geen partij kiezen.
Nog veel later ontstond er een conflict met de hele gemeenschap, ze kon geen abdis meer zijn, zij kreeg een nieuwe ‘roeping’ en woont nu met een andere vrouw in een rijtjeshuis in Brabant en is geestelijk verzorger geworden. Twee andere vitale zusters gingen ook al ergens anders wonen, in het oude Kapucijnenklooster in ‘s-Hertogenbosch, een gemeenschap met Franciscaanse broeders, Clarissen en leken.
Eentje ervan heb ik als leek binnen zien komen. Die zei tegen mij bij de eerste keer Kerst die ze er vierde, dat ze blij was dat ik er ook was, nu was ze niet de enige niet-zuster. De andere had een visioen over de wijze waarop leken een deel konden worden van de bestaande communiteit aan de Waterstraat, maar ik kreeg een waarschuwing van een ander zuster: ‘Weet Mirjam, dat haar ideeën bijna door niemand gedragen worden, ik wil je niet weer een nieuwe teleurstelling geven, na wat je met de Kapucijnen in Velp hebt meegemaakt.’
En nu is alles op de Waterstraat, in De Bron voorbij. Als ik een foto zie van jonge Franciscaanse zusters in Suriname, dan schiet er door mij heen, dat ik wellicht op een andere plek in de wereld gaandeweg wel voor dit leven gekozen had kunnen hebben. Iets ervan past als een jasje. Getuige natuurlijk, dat ik mij ook zó lang verbonden heb gevoeld, mijn ‘kloosterperiode’, ben ik het gaan noemen.
En nu? Ik leef in mijn boshuisje en weet dat ik daar kan komen tot die ‘zoete stilte’. Als ik die ervaar ben ik dankbaar en gelukkig. En voor de rest leef ik met huid en haar in de (gewone) wereld.