woensdag 25 juni 2014

Oogcontact

Ik zat in de bus en dacht: dat moet een héél intelligent mensje zijn. Een peutertje, een negerjongetje zat vanuit zijn buggy rond te kijken. Hij keek daar ernstig bij en zijn ogen schoten alle kanten op, ze scanden de omgeving. 'Nee, zo kan een dier niet kijken', dacht ik. Dit is levende intelligentie. Hier wordt gewerkt, verzameld, verwerkt. Eventjes, in een flits, iets fixeren, de diepte in laten gaan en weer verder en weer terug met die onderzoekende blik.

Of zou ik me vergissen? Ik besloot de proef op de som te nemen. Wanneer zijn oogjes even op mij rusten, ging ik  zwaaien. Al bij de tweede rondgang met zijn ogen, zag ik, dat hij het had opgemerkt. Nu dwaalden zijn ogen af, naar het raam, om daarna heel even kort weer naar mij te schieten. Dan zwaaide ik weer. Met mijn ene hand op-en-neer, zó kort maar, want weg gingen zijn oogjes, weer naar het raam.

Dit herhaalde zich wel zo'n twaalf keer. Naar mij toe, van mij af, naar mij toe. Met een ernstige, donkere blik. Zijn moeder, met een hoofddoekje op,  begon het op te vallen. Ze draaide zich om, en glimlachend en met een knikje deed ik mijn zwaaibeweging, naar haar zoontje. Ze lachte terug. Ze zei iets heel korts tegen hem, in een vreemde taal.

De bus stopte, we gingen er alle drie uit. En toen ik opstond en nog één keer flink naar hem zwaaide, toen lachte hij in ene keer zijn tanden bloot; een brede grijns van oor tot oor. Zo'n kleine ervaring trekt mij door de dag heen en maakt mijn hele dag goed.