
In de rij staan in de DDR, dat ging zo: iemand wist te melden dat ergens op een uitdeelpunt er op die dag iets verkocht zou worden. Wat, dat wist je niet. Hoeveel ervan, dat wist je ook niet. Dus daarom ging iedereen maar alvast in de rij staan. Vanaf het werk ging je om beurten een uur in de rij staan, ook voor de anderen en zo wisselde je elkaar af. Soms wist je pas op het einde van de dag wat er precies verstrekt zou worden. Als het iets was wat je helemaal niet wilde, dan kocht je er toch wat van, want dan kon je het wie weet met iemand anders ruilen voor iets wat je wel wilde hebben.
Elk huishouden had een aantal bonnen: bijvoorbeeld, 1 banaan, per persoon en dat was dan het maximum dat je kon halen, al zou je er wel meer van willen. Op de verstrekpunten kende men je ondertussen wel en vaak ook degenen voor wie je ook in de rij stond. Door de gebrekkige planeconomie was het altijd een grillige en soms absurde bedoening. De ene keer was er nergens meer toiletpapier en een half jaar later was er weer veel te veel.
In de rij staan... wachten zonder nog precies te weten waarop en waarvoor, eigenlijk is dat een grondtrek van het leven zelf. Je stuurt bijvoorbeeld maar een kaartje naar iemand die hondsberoerd in quarantaine ligt in het ziekenhuis, je mag niet op bezoek en je weet niet wanneer het weer wat beter wordt: zó is het leven, als het niet vanzelf loopt. Ziekte, gebrek, eenzaamheid, verval, je hebt er geen vat op, je blijft er omheen dralen en je doet maar wat, omdat dat het enige is wat je op dat moment invalt om te doen: je staat als het ware in de rij.
Misschien is het wel troostend om in een staat te leven waar rijen van overal wachtenden, een deel van het straatbeeld vormen. Dan is het contrast en de schrilheid niet zo groot met de glimmende, schelle, semi-efficiëntie van het busy leven van alledag. Dan kun je wellicht denken en beter accepteren: ach, zij staan daar in de rij, en ik hier en die anderen weer ergens anders: zo is leven.