zaterdag 13 juli 2019

Onsterfelijkheid

Naar aanleiding van het boek Mijn naam is morgen van Damian Dibben vroegen we aan elkaar in de boekenclub of je onsterfelijk zou willen zijn. De verteller in het boek is een hond, die zijn baasje zoekt, o.a. in het  Venetië van de 17e eeuw. Hij en zijn baasje zijn onsterfelijk, ze zien het woelige Europa vol oorlogen en gaande en komende hoven en koningshuizen en slachtvelden.

Ik antwoordde meteen: Ja! Ik hoef daar niet over te twijfelen, ik ben nieuwsgierig naar de ontwikkelingen van de mensheid. Misschien dat over 50 jaar, elk mens met de voortschrijdende techniek sowieso, wie weet, zeg maar al 200 jaar ofzo zal leven. Maar ik zal dat niet meer meemaken, jammer, toch? Ik was de enige die dat zo positief zag zitten. De anderen dachten aan al die ellende, zoals oorlogen, die je keer op keer moet meemaken. En dan, als je de enige bent die onsterfelijk is en niemand weet daarvan,  dan moet  je steeds maar afscheid nemen en je bent dan ook hartstikke eenzaam. 

Mij zou dat allemaal niet uitmaken. Je leeft nu toch ook met steeds maar afscheid nemen, in een wereld die vol van die contrasten zit, tussen alles wat mooi en lelijk is? Elke dag is in feite een opgave om het in die dynamiek uit te houden en niet bitter of cynisch te worden van alle imperfectie, het ‘kwaad’, alles wat mensen elkaar aandoen... ’Nou ja, misschien zou ik dan wel 300 jaar willen leven’ , zei H. En ik reageerde daar zonder nadenken op: 'O, ik niet, dan zit er nog een tijdspanne op, dat lijkt me aardig onverdraaglijk.'

‘En als je dan kon kiezen tussen 30 jaar of 300 jaar, wat dan?’ vroeg B. Nee, dat zou ik ook niet willen... Het is onsterfelijk zijn of niks voor mij, reageerde ik meteen. Nu ik erover nadenk, gaat het me erom dat ik voor altijd zou  willen leven en dat de tijd dus eigenlijk verdwenen is, dan, ik wil dat er geen tijd is. Het is als in het liedje van Bob Dylan: Forever Young. Je gaat iemand niet wensen dat deze 300 jaar jong mag blijven en dan alsnog het verouderingsproces zou toeslaan. Dat is bijna een vloek, een wrede wens, vind ik. 

Ik denk wel dat je daarvoor een soort van leven als een hond moet leiden:... niet écht een invloed kunnen en willen uitoefenen op het wereldtoneel, dus eigenlijk ook je handen niet vuil hoeven maken, want dan tors je op een gegeven moment een hele hoop vuil met je mee. Gewoon dicht bij de grond blijven, overal tussendoor, alles beschouwen. Eigenlijk ben je daardoor dan ook geen mens meer, misschien. Zoals deze hond in het boek ook zegt dat mensen wél muziek kunnen maken en hij als dier dat nooit zal kunnen. ‘Je wilt eigenlijk een God zijn!’ zei B lachend. Nou, dat weet ik niet.

Ik wil er gewoon graag ‘voor altijd’ zijn.... en daarin dan steeds beter de kunst van het loslaten beoefenen, waarvan ik verwacht dat je dat dan ook steeds beter kan. Zoals ik nu op oudere leeftijd al ervaren heb, dat je kunt vervellen: een oude huid van je af kunt schudden en er weer een nieuw persona ontstaat, die tegelijk toch dezelfde is en die als het goed is, wel alle mooie ervaringen met zich mee blijft dragen...

Maar vandaag luisterde ik naar Shiver me Timbers, gezongen door Bette Midler. Over iemand die vertrekt, terwijl jij achterblijft... dat ging me wel door merg en been. Omdat het verlangen om te willen vertrekken en niet te kunnen blijven zo overheersend is, dat je voelt dat je die ander niet kunt tegenhouden. En dan is die andere wég. En jij blijft in de leegte achter. Om onsterfelijk te kunnen zijn, moet je je dus ook niet al te zeer hechten...