dinsdag 23 april 2013

Bewoning

De regels van een lied van Huub Oosterhuis vielen me vanochtend te binnen:

Zomaar een dak boven wat hoofden, deur die naar stilte openstaat.
Muren van huid, ramen als ogen, speurend naar hoop en dageraad.
huis dat een levend lichaam wordt, als wij er binnen gaan...

Het zijn woorden die een ruimte oproepen waar je zomaar kan wonen, waar je thuis bent, waar je niet op je hoede hoeft te zijn, waar het altijd goed toeven is. En iets in de woorden zegt dat mensen dat voor elkaar kunnen zijn: in jouw levend lichaam zijn muren van beschutting die een ander willen beschermen, ogen die zich openen naar die ander, huid die met elke aanraking met andere huid zegt: hier ben ik voor jou.

Mensen wonen in huizen, maar wat maakt een huis bewoond? Ik vond een gedicht van Ida Gerhardt waarvan ik bijna tranen in de ogen kreeg. Bewoning, een thuis, heeft te maken met de werwoorden in dit gedicht: spelen-groeten-ontsluiten-delen-voelen-wachten-opengaan.

Lente

Voorzichtig beginnen te spelen
binnen de groenende koelte
de bloemen met name te groeten
en van het hart te onsluiten
aarzelende kamers.
Het brood met elkander te delen,
de koele beekval te voelen
En in de avond te wachten
de bevende witte vlinders:
de kamperfoelie gaat open.

En dan, ja dan is het lente: een eeuwigdurend seizoen waarin je kan wonen. Steeds vol verwachting en de groeikracht blijven voelen in het levend organisme dat je bent tot je laatste ademsnik.