vrijdag 23 april 2010

Wachten

De natuur in mijn achtertuintje is een altijd durende bron van vermaak. Behalve de mussenkolonie, die uit eenlingen en kleine groepjes lijkt te bestaan, is er nu een jonge mannetjesmerel die zichzelf geleerd heeft om zich te baden in mijn kleine vijvertje. Tussen de bloeiende gele dotterbloemen spettert en spat hij elke ochtend, parmantig op en neer wippend.

Dan hebben we de dikke hommels die dromend zweven tussen en in de roze ribes. En in de nacht hoor ik iewie-iewie, en vermoed dat er dus ook een nachtuil ergens in het plantsoen zijn domicilie heeft gevonden. Alleen de vijf goudvisjes, die ik zelf pas geleden te water heb gelaten, die heb ik sindsdien niet meer gezien. Zouden de buurtpoezen dan toch?... Of zijn het de padden in het vijvertje, verdraagt dat elkaar misschien niet?

Ik weet verder maar weinig van het reilen en zeilen van de natuur. Alleen dat het er wel heel erg des mensens uit kan zien, zo viel me gisteren op. Er streken twee houtduiven in de boom van de buurman neer. Mannetje trots, met een mooi verendek, blies zijn borstje op. Vrouwtje wat gehavend lelijk, als ze geen vogel was zou je zeggen: een grijze muis. Vrouwtje deed er alles aan om mannetje te behagen. Ze pikte teder in 's mans borstkast, vleide zich tegen hem aan, gaf hem overal kusjes met haar snaveltje.

Ze begonnen heftig met de snavels elkaar te kussen: hun lijfjes schudden mee, precies in het ritme waarin ook mensen hun copulatie verrichten. Toen had mannetje er ineens genoeg van en fladderde in de dennenboom bij mij de tuin in, vrouwtje verward en smachtend achterlatend. Ze keek naar de dennenboom, keek en keek en mannetje vloog naar haar terug. Waarna er weer een heftig potje werd gevreeën.

Opnieuw had mannetje er na een tijdje genoeg van en vloog weg, het plantsoen in. Vrouwtje had het niet meer. Ze keek zijn richting op waar hij heen was gevlogen, ze keek in de rondte, ze ijsbeerde op en neer op haar tak, ging even zitten en herhaalde alle bewegingen nog eens. Toen besloot ze te gaan zitten en te wachten. Hoe lang weet ik niet. Toen ik van huis vertrok, was er een half uur verstreken.

Hoeveel tijd mensen verspillen met wachten op elkaar, ik weet het niet. Gelukkig is het in de huidige Westerse beschaving zo, dat het aan beide geslachten geschiedt; de tijd is voorbij waar vrouwtje geheel afhankelijk is van de grillen en grollen van het mannetje.