Ik was voor het eerst in Schiedam. Deze heeft een kleine historische kern, met meteen daaromheen grote wegen en hoge flatgebouwen. Het water De Schie gaat dwars door het centrumpje met pittoreske bruggetjes, die omhoog kunnen, om de boten doorgang te geven.
Aanvankelijk liep ik met de beelden van een prentenboek in mijn hoofd, dat speelt zich dus deels in Schiedam af, zag ik nu, de woorden ‘De Schie’ en ‘Koekade’ heb ik heel vroeger al in mijn mond gehad, toen ik dit boekje regelmatig voorlas aan mijn oppaskinderen. Het gaat over Ella, die nieuwe schoentjes mag uitzoeken en dan een paar wil dat maar nét past. Ze is zó trots en blij. Maar dan gaat ze haar oma bezoeken en tijdens de wandeltocht lang de Schie en de Koekade gaan haar schoentjes steeds meer pijn doen. Voor oma’s huis barst ze in huilen uit: ze kán niet meer.
In het historische panorama waar je doorheen kon wandelen, leerde ik dat Schiedam dé jeneverstad van Nederland was; de molens waarvan er ooit twintig waren, die maalden de granen voor de jenevers. Veel mensen leefden van deze jeneverindustrie; menskracht was nodig om het graan naar de stokerijen te brengen door de zakkendragers, de vaten te maken en te rollen naar de kade, enzovoort. De omstandigheden waren erbarmelijk, het stadje werd zwart van de steenkooldampen uit de stokerijen en werd Zwart Nazareth genoemd. Die giftige steenkool was in Rotterdam al eerder bekend en daarom werd de industrie naar Schiedam verplaatst. Dus in de moderne tijd werden alle kleine huisjes afgebroken en maakte plaats voor flatgebouwen.
Ik kon nog net het Jenevermuseum bezoeken, dat aan de kade lag. Dat opende een luikje met allemaal herinneringen. Hoe ik jarenlang borreltjes inschonk in het wijkcentrum. Dat ik vaker hoorde dat dit gezond was en nu begreep waar dit vandaan kwam. In de jenever worden allerlei kruiden verwerkt, volgens geheim familiereceptuur. Die reclame’s op de TV met dat deuntje: Ha fijn, een borrel van Klarijn!
En: Schat, staat de Bokma koud? Dat er inderdaad ook jenever werd geschonken in Indonesië en West Afrika en het de gewoonte was om op het Chinese vooroudergraf naast eten, óók een borreltje neer te zetten; voor geluk. Dat het ‘ineens’ voorbij was; al die drankreclame op de TV, maar ook in het wijkcentrum verdween het schenken van borreltjes. Eerst verdwenen de citroenjenever en de bessenjenever uit het assortiment. De fles ‘jonge’ bleef, maar de hele rij borrelglaasjes bij de bar kon weg, nog enigen ergens in de buurt of in het vriesvak, dat was genoeg.
Leuk, zoveel wetenswaardigheden en die oude herinneringen die tot leven kwamen. Deze dag was welbesteed.






