Ik liep hier mijn wijk uit, Bandra, langs de markt.
Langs de snelweg, het water over en toen de eerste sporen van de architectuur van ‘de sloppenwijk’.
Vroeger woonden hier de eerste vissers.
Het geklater van water in harde stromen vanuit gaten in de wanden van ‘de sloppenwijk’ Ik neem aan dat dit de afvoer is.
Er is een verhoogde voetgangers overgang door de breedste straat van ‘de sloppenwijk’, die leidt naar een treinstation. Van bovenaf een eerste inkijk: Er zijn verschillende breedtes van winkelstraatjes waar je in kan lopen en van daaruit vertakt het zich naar nog smallere steegjes waar de mensen wonen.
Eerst maar even thee (Chai) drinken na de wandeling van meer dan vijf kilometer.
Wat mij het eerste opvalt: Al die steile ladders die elk leidt naar een heel klein woninkje.
Midden in de wijk, centraal gelegen, een park met een speeltuin en voetbal en honkbalvelden, tafeltjes en stoeltjes. Daar even, tegenover vrouwen in burka met kindjes, gezeten op de grond.
Verder dwalen door de wijk: in sommige steegjes zijn de muren kleurig geschilderd.
De hele wijk is opgedeeld in buurtjes, met kronkelsteegjes,
waar ook eigen pleintjes zijn. De levensmiddelen aan de voorkant aangeboden, wanneer je dieper gaat, dan zitten daar bedrijfjes. Het geheel is een rondgang, die uiteindelijk weer op de grote straat uitkomt.
Overal waar het maar kan, zijn woninkjes gebouwd. Bij oude bomen vaak ook iets van een tempeltje.
In de ene ooghoek is er een stukje met stenen geplaveid, in de andere ooghoek, aan de andere kant van het huisje, grote rotzooi. Ik had bij een winkeltje een gefrituurde groentenbal en een samoza gekocht, (je betaald naar het gewicht, dit was 24 rupee). Het werd in kranten gewikkeld, dus meteen opeten maar, dacht ik, gezien de hygiëne. Het was bij een tempeltje.
Alleng werd ik moe en liep naar de hoofdweg, de grote verkeerstraat, en ging zitten op de bank van de bushalte. Naast mij wachtte vrouwen met burka’s. Ik zag dat een leerwinkel ergens aan de overkant zou moeten liggen midden in een andere straat, die parallel leek te liggen aan de hoofdstraat. Dus ik dook opnieuw de ‘sloppenwijk’ in: misschien kon je daardoorheen wandelen naar die andere straat. Niet dus, het waren doodlopende steegjes.
De gordijntjes, dat zijn de voordeuren.Drie voordeuren waar ik links de hoek om ging en een vrouw uit een ander gordijntje kwam en die zei: this is the end, je kunt niet verder lopen, héél vriendelijk. Eerder gebeurde het dat een scooter met twee jongens heel licht mij schampte. Ze stopten en vroegen mij of alles oké was.
Ik kwam weer bij de buitenranden en er was een verkeersbrug over de snelweg. Daar ‘woonden’ mandenvlechters in hangmatten. Weer terug in Bandra, bij het begin van Hillstreet een winkeltje met gevlochten lampen vlak onder de groten fundamenten van de snelweg die aldaar nooit is gekomen.














