vrijdag 1 januari 2010

Kraanvogeldans

Dat is toch alweer lang geleden: zo'n rustige, bijna kloosterlijke jaarwisseling en Nieuwjaarsdag. Vandaag heb ik in Niels Holgerssons wonderbare reis gelezen van Selma Lagerlof (1848-1940). Een mooie oude uitgave gevonden met tekeningen van Anton Pieck. Zo vaak al gehoord en bedacht dat ik dit moest lezen, zo'n kinderklassieker, het was een leemte in mijn culturele bagage en het boek was bovendien 'echt iets voor mij', zo was de boodschap.

Dus dan ben je bij mij aan het verkeerde adres, want dan denk ik: ach wat, als het zo wezen moet dan komt het van zelve wel. Nu ik deze uitgave in mijn handen heb en alleen al geniet van de materiele vorm van het boek: het is nog zo mooi gedrukt, alsof je met gevoelige vingers het zelfs als braille zou kunnen lezen en het blijft gewoon open liggen op de bladzijde waar je bent omdat het nog gebonden is en niet geplakt; nu voelt het alsof ik de hele tijd op deze uitgave heb gewacht om het eindelijk te lezen.

Het boek blijkt bij de 15e druk ook weer opnieuw in het moderne Nederlands hertaald te zijn, maar ik heb gelukkig de zesde druk en de taal klinkt precies zo, zoals je vroeger voorgelezen werd, heerlijk.

Heerlijk is ook die sfeer van het Zweedse landschap, ik voel me weer lopen door die eindeloze bossen en emmertjes vol bosbessen plukken en zie het meertje liggen met de sterren daarin weerspiegelt en de melkwitte maan, water zo klaar en stil als een spiegel, en nachtlicht dat blauwachtig schijnt. Een veel immensere en wijdsere stilte als in Nederland, plus de aanwezigheid van Elanden, meer als vermoeden dan dat je ze in het echt ziet en je snapt dat Dunderklumpen hier ook vandaan komt, een tv-serie die ik wel graag terug zou willen zien.

Vanavond kwam de volle maan als een heel grote oranje bol op en mijn nieuwjaarsgevoel draait om de grote kraanvogeldans op de Kullaberg, waar Niels getuige van is: Er was woestheid in, maar 't gevoel dat het wekte was toch een zoet verlangen. Niemand dacht nu meer aan strijd. Integendeel, allen, de gevleugelden en zij, die geen vleugels hadden, wilden zich oneindig hoog verheffen, boven de wolken zweven, zoeken wat daarachter ligt, het zware lichaam afschudden, dat hen naar de aarde trok en wegzweven naar het bovenaardse.

Zulk een verlangen naar het onbereikbare, naar dat wat achter het leven verborgen is, voelden de dieren maar eens per jaar, en dat was op de dag, dat zij de grote kraanvogeldans zagen.