Ja! Vandaag fiets ik, waarschijnlijk in de mist, terug naar mijn boshuisje. Na dagen op een rij caleidoscopische kleur beleefd te hebben. Het boek van de stad Amsterdam ging twee dagen open, de musea, de mensen, de winkels, het water in de grachten. Er was een Sinterklaasdobbel, een High Tea, een Japanse pannenkoek, Peking eend. Gelach en goede gesprekken. Het was weer top.
Dit was het laatste zicht vanuit binnen in mijn boshuisje, vlak voordat ik vertrok. De bomen zullen wel helemaal kaal zijn, nu. Ik heb er weer zin in. Terug naar de afzondering, waar ik soms op een dag geen enkel mens zie. De stilte.
De afgelopen nachten was het op een rij, pikkedonker. Het is mijn laatste gebaar voor het slapen gaan. Even buiten staan, in het bos. Maar het regende en miezerde ook, dus ik bleef in de drempel van mijn deur staan. Alles inktzwart, er waren ook geen contouren van bomen. Maar gisterennacht! Ik deed mijn voordeurtje open en een fonkelende sterrenhemel tussen de donkere silhouetten van de bomen. Door het wegvallend bladerdek van de twee grote eiken was er weer veel meer te zien dan in de zomer. Nachtlicht heeft iets magisch. Bij volle maan is er een heel grote lichtbron in een donker bos.
Of in de woestijn van Moab. Bij YouTube, Moab Moonwalk is te zien hoe dit tot stand kwam. Het bevestigen van het koord tussen de rotsen. De koorddanser die dit gaat doen zonder vangnet. Het team eromheen dat rent en struikelt langs de struiken op een afstand. Om op tijd te komen voor het juiste moment, op de juiste plaats. Het is maar kórt dat de rijzende maan zó te zien is. Een paar maanden op een rij mislukt het, één keer omdat op het moment suprème er een wolk voorbij schoof. En dan eindelijk…Het is tijdens Coronatijd gemaakt, zie ik, een perfecte tijd om dit te doen. Iets moois willen maken, terwijl de wereld in lockdown was.
De kunstenaar Banksy heeft nu iets dergelijks gedaan in Oekraïne: mogelijkheden zien, in de ellende. Voor het eerst heb ik écht bewondering voor hem. Ik heb zijn muurschilderingen wel gezien in Londen en Berlijn. Maar dan dacht ik ook: goede gimmick, midden in de nacht anoniem iets schilderen, overal, en zo bekend worden. Dat hij ervoor zorgde dat een werk van hem, na aankoop op een veiling in lange repen werd gesneden, was daar weer het toppunt van. Het werk werd meteen meer geld waard. Maar hier zie je hem in actie. Tussen het puin en de absolute vernieling, het een beetje kunnen oplichten, door er menselijke aanwezigheid te schilderen. En dat snel en virtuoos aanbrengen. Dát is hoop en veerkracht. Niet wegrennen en je ogen sluiten, maar iets aangaan. Weg van verwoesting; blijven geloven in schoonheid en menselijkheid. Misschien is de maan daarom zo mooi en magisch: omdat deze schijnt in de nacht.
Dit zijn mijn overgrootouders van vaders kant. Hij lijkt mij een volbloed Chinees, zij een Indonesische. Ze lijken mij aardig welgesteld, gezien het pak dat hij draagt, niet dat van een werkmens. Het gegeven dat mijn opa de kweekschool kon doorlopen, getuigt daar ook van. Ze hadden het geld hem naar school te kunnen te sturen in de toenmalige koloniale samenleving.
Deze observatie maak ik door het boek Chinezen in Indonesië van Patricia Tjiook-Liem. Ik probeer achter hun ogen te kijken. Zouden zij ook, via hun genen, mij die twee kanten hebben gegeven? Van de ene kant expansie, nieuwsgierig naar de wereld: De familie van zijn kant heeft ooit China verlaten om ergens anders opnieuw te beginnen. Terwijl zij zich wellicht fijn op haar plek voelde in Indonesië? … Maar die kant van genieten van een tuin, koken, dieren, komt ook van de moeder van mijn vader. Haar leven stond daar in het teken van. Het komt, denk ik, het meest vanuit mijn vaderskant: heel goed alleen kunnen zijn, opgaan in de directe wereld om je heen; kluizenaarschap.
Natuurlijk heb ik het ook zelf bewerkstelligd. Toch blijf ik het ook wonderlijk vinden dat ik nu in een boshuisje woon en mijn uitzicht zo ongeveer is als dat huisje op de foto’s. Ik was vijf jaar oud toen we daar verbleven. Maar ik herinner het moment nog haarscherp dat moeder vroeg even op te kijken vanuit het huis in de kuil met de takken op de Hoge Veluwe dat ik en mijn broertjes bouwden. Ook die zandverstuivingen en in de winter sleetje rijden op de familieplek, waar in de zomer dat zandhuis was.
En toen ontdekte ik in de graphic novel-wereld, Corto Maltese, gemaakt door Hugo Pratt. Hij is Venetiaan, een stad waar ik mij ook zo thuis voel en waar ik al 15 jaar ofzo jaarlijks naar terugkeer. Hij is een kapitein die de zeeën bevaart, op zoek naar nieuwe werelden. Maar ook trouw aan zijn eigen stad. Venetië heeft altijd ook bewoners gehad die handelden over de hele wereld, met zoveel oog tegelijk, voor esthetiek. Dat doet mij weer denken aan de vader van mijn moeder, waarschijnlijk ook een volbloed Chinees, die in de hoofdstraat van de havenstad Surabaya een bloeiende meubelzaak had, die Toko Liberty, heette. Hij leverde handgesneden houten meubilair aan de katholieke kerkelijke clerus. Via dat kanaal kon mijn moeder met gemak in Nederland gaan studeren.
Dit zijn ze dus, de ouders van mijn vader en moeder. Zonder deze mensen had ik niet bestaan. De moeder van mijn vader was de mooiste in haar dorp en mijn opa heeft haar veroverd. Een gelukkig huwelijk, zo gaat het verhaal. Zou er ergens, stiekem, wellicht per ongeluk, aan haar kant ook Nederlands bloed door de aderen stromen? Ze had een aardig blanke huid en was daar trots op. Misprijzend was ze, als ik bruin verbrand van een buitenlandse vakantie terugkeerde… Heb ik van hem mijn ‘intellectuele nieuwsgierigheid’ gekregen? Hij was een voorvechter van Esperanto, de wereldtaal die de mensen kon verenigen.
In de ogen van de moeder van mijn moeder zie ik kwetsbaarheid, in de zijne standvastigheid en ‘agressie’. Dat komt ook door de verhalen die mij zijn verteld. Het was geen gelukkig huwelijk, hij had vele maîtresses…
Ondertussen is de sfeer van deze terugblik dit prachtig gezongen O, solitude, my sweetest choice, door de countertenor Philippe Jarrousky. Dat was de beginvraag: waar komt mijn kluizenaarsgen vandaan? Ach, wat weten we nu exact van de werking van genen? … In een ander discours kom ik ergens vandaan gereïncarneerd. Was ik ooit zelf een handelsman: dat gevoel had ik heel sterk in Cordoba. Of heb ik ooit gevangen gezeten in de Tunesische woestijn. Die gedachte kwam uit het niets in mij op, toen ik 13 jaar was, aldaar: ‘Ik ben ooit een man geweest, en keek uit op zo’n binnenplaatsje.’ Wat wél zeker is: ik ben vlees geworden in deze familie.
Gisteren zat er voor het eerst dit jaar een laag ijs op de waterbak, zodat ik geen water voor de afwas eruit kon scheppen. Niet erg: Het was tenslotte Zondag, rustdag. Nu is het groene gazonnetje geheel bedekt met bruin eikenblad, er hipt een roodborstje doorheen. Van herfst, richting de winter. De graphic novel van David Peterson past bij deze sfeer. Vierkant; een leuk formaat. Dit deel gaat over vijf muisjes die een tocht vol ontberingen hopen te volbrengen. Op de achterkant van het boekje zie je een van hun grote gevaren: een uil die loert. En ze worden zéér herinnert aan hun sterfelijkheid: het muisje met de rode cape, Saxon, valt onderweg in een put.
Ik bleek de enige van mijn oud studenten-theologenclubje, die nu niet meer Zondag een kerk opzoekt. Allen gaan ook ‘voor de verhalen’, zeggen ze. Dát herken ik wél. De Zondag blijft voor mij toch ook een dag, waar ik extra gevoelig ben voor ‘verhalen’, al dan niet live, en gebaren; rituelen, die daarbij horen. Zo kijk ik dan met speciale aandacht naar het eind-ritueel van de metgezel van Saxon, die de aanval van de grote uil niet overleeft. Zo’n vuur dat met hem naar de sterren gaat en allen eromheen…
Saxon gaat daarna naar zijn leider, Gwendolyn. Hij vraagt haar naar de zin van dit alles: het geweld met de dood die erop volgt…En als antwoord geeft zij hem alleen een kus. Dan ben ik genoeg gesticht, voor de Zondag. Dit kan ik begrijpen, hier kan ik achter staan…In dit eenvoudige gebaar zegt ze: ik weet het ook niet, maar we kunnen er wél zijn voor elkaar.
Later op de dag vond ik dit nog: Eternal Source of Light Divine. Hoe deze groep en de trompet en de zang in volkomen harmonie samenspelen, betrokken op elkaar, iets vertolkend dat boven het rationele nuchtere verstand uitstijgt. Het was weer voltrokken: mijn Zondagse Gevoel.
Deze foto in de ochtendkrant van NRC raakt mij. Een vrouw die in het bevrijde Cherson lachend en huilend tegelijk een struik heeft geplant, gekregen van haar onderbuurman. Ze heeft de struik ‘De Overwinning’ gedoopt. Zo zal het vast straks zijn, voor heel Oekraïne. Blij dat de Russische tirannie voorbij is. Vanuit de garages vlakbij heeft ze kermende en schreeuwende mensen gehoord. Garages die werden gebruikt als martelkamers: het alledaagse werd horror.Verdriet om zoveel mensen die dood, vermist, verdwenen zijn. Ze gaat maar door met tuinieren. Die roze bloemetjes achter haar, die zich niks van oorlog hebben aangetrokken. Ze zeggen met haar, iets van: ‘Eens, ooit…’
Ik dacht aan de boeketten van Rachel Ruysch (1664-1750) die ik onlangs heb ontdekt. Geboren in Den Haag, was zij in haar tijd een succesvolle schilder. Zij verkocht haar werk voor twee keer zoveel geld als Rembrandt indertijd kreeg voor een schilderij. Zulke boeketten verwezen zowel naar het paradijs als naar vergankelijkheid. Het eerste omdat ze letterlijk tijdloos waren: er kwamen bloemen uit meerdere seizoenen in voor en van over de hele wereld: Ik zie een passiebloem, gecombineerd met tropisch blad. Het tweede doordat er ook insecten en kevers, of een slak rondkruipen, tussen de bloemen. En vlinders: een symbool van metamorfose. Zomaar een wit koolwitje, dat zich hecht aan een blad.
Of dit schilderij: waar ze in het midden van de donkere vaas, een lichtend venster schildert. Gecombineerd met een rups, die nog een cocon moet spinnen, om ooit te gaan ontpoppen.
Het genieten van natuur is eigenlijk altijd dubbelzinnig. Je viert wat er is, wat nog zal komen én indachtig, dat wat je ook ziet, het spoedig zal verdwijnen.
Zo kijk ik nu uit mijn raam en zie deze gouden tooi van de eikenbomen. Tegelijk dwarrelt het vallend blad door de lucht. De zon geeft het deze lichtende glans. Bij grijs weer is het al dor, bruin blad. Over een week ofzo zijn alle bomen kaal. Het is de zon die kortstondig alles levend en feestelijke maakt. Hopelijk is dat ook zo, met een innerlijk licht in elk mens…Al lijkt die tijdelijk te verdwijnen, je verwacht toch, na elke nacht, een nieuwe dag.
Het is mij afgelopen jaren vaker gevraagd: Of ik ook naar Oogappels keek. Nee dus, was steeds mijn antwoord. De serie gaat over vier gezinnen en kinderen in de puberteit, niet direct in mijn omgeving. Maar nu was ik toch nieuwsgierig geworden omdat iemand zei zich helemaal in één van de hoofdpersonages te herkennen. En nu zeg ik: gaat dit zien! Zonder zelf een gezin of kinderen te hebben, is het tóch herkenbaar. Door de verschillende persoonlijkheden en dat de perspectieven van alle generaties, kind-ouders-grootouders, aan bod komen. En omdat zo ongeveer alles wat zich in het moderne leven speelt, je het gevoel geven dat je ook naar je zelf kijkt.
Ik dacht aan de fotoserie van Rineke Dijkstra van een jongen uit Israël. De eerste vlak voordat hij verplicht het leger in gaat en dan elk jaar opnieuw. Ik kijk best regelmatig naar deze portretten. De eerste keer in het museum, toen ik oog in oog met hem stond, kreeg ik een brok in de keel. Hoe je langzaam maar zeker onschuld verloren ziet gaan. In Oogappels zie je datzelfde thema: Hoe wordt je met schade en schande oud? Je hoopt dat je met vallen en opstaan ‘wijs’ wordt…Maar soms vliegen mensen uit de bocht en niet iedereen is in staat om dit te herstellen. Je hoopt dat een ieder iets behoudt van de oorspronkelijke onschuld, iets van zachtheid en kwetsbaarheid.
Dit liedje van David Bowie zit in de begintune. Ik werd er vanochtend mee wakker. Misschien heb ik in mijn droomleven ook kinderen ofzo. Soms vind ik het jammer dat zoveel levendigheid waar ik uitkom na mijn slaap, nét niet in mijn wakend bewustzijn te zien is. Het blijft bij een flard, een gevoel: landschappen, groepen mensen, rondtrekken. Er gebeurd van alles, maar ik kan er nét niet bij. Dan ga ik soms verwachtingsvol nog een keer op één zijde liggen, om weer mijn eigen bioscoop te betreden. Zo ook nu. Misschien vind ik er meerdere oogappels.
Het regent; het weerbericht krijgt vandaag een drie, van Weeronline. Helemaal niet erg, ik zit lekker binnen en kijk naar de steeds geler wordende bomen om mij heen. Ook wel, omdat ik gisteren aan Carpe Diem deed. Het was zó zonnig dat ik naar de dierentuin fietste. Zo leuk, om een uur later in de ‘oceaan’ te zijn. Zo’n grote vis met een menselijk profiel. Koraal dat op jouw hersenpan lijkt. Oranje vissen met grote ogen die roerloos in het water blijven hangen. Een baracouda als een torpedoboot, duikers die in het element ‘water’, visachtig de ruiten poetsen.
Ik vroeg mij af, hoe het nu in de dierentuin van Kiev zou zijn, nu het electriciteitsnet hevig onder druk staat. Zou er genoeg stroom zijn, om alles gaande te houden? In het begin van de oorlog zag je dat mensen die gingen vluchten, hun huisdieren daar afleverden. De comic ‘Pride over Bagdad vertelt over de dierentuin in Bagdad, na de bombardementen in April 2003. Het is op waargebeurde gegevens gebaseerd. Overal chaos, dieren werden geraakt en anderen braken los. Er is een roedel van vier leeuwen de stad ingetrokken, die er joegen op antilopen en ineens de grote zwarte beer als vijand tegenover zich had.
Na twee uurtjes ‘oceaan’, fietste ik weer terug. Wat een geluk, een land in vrede, over rustige wegen…
Ik dacht aan die twee, die zo lief hand-in-hand, als het ware op de bodem van de oceaan stonden. Het ontroerde mij een beetje. Nog zo jong, een toekomst voor je. Opgaan in elkaar en de verwondering van zo’n grote vis. Elkaar niet loslaten als je verder loopt, tegenliggers trotserend. Het liedje Angie kwam in mij op. Daar schuifelde ik op klassenfeestjes in de kelder in mijn ouderlijk huis, eindeloos op. Die kelder had ik samen met mijn klas daarvoor opgeruimd, gesausd en versierd met visnetten enzo. Arjen zorgde voor de muziek en daar schuifelde ik mee. Hij had van het werken in de broodfabriek, een bandrecorder gekocht. Waneer bijna iedereen al weg was, had hij dit speciale bandje: Angie, almaar in herhaling… Eigenlijk zit er in het liedje ook al de pijn van breuk en afscheid. Maar dat hoorde ik indertijd niet, het droeg toen alleen maar verlangen.