Een roodborstje kijkt op de tuinstoel rond. Het bos is weer in alle tinten groen aanwezig.
Ik fietste langs de hoge halmen mals gras, schermbloemen en boterbloemen. De plek waar ik twee dagen ervoor gelegen had, was nog steeds geplet; ‘een lege plek om te blijven’, dacht ik, een zinnetje van Rutger Kopland.
Ik moést even een foto van ze maken: P. met haar nu ideale man, die strijkt en elke dag kookt. Ik zie ons eerste gesprekje nog. In de pauze na één van de colleges, vers van de middelbare school. Alles heb je dan meegemaakt; toen ze vertelde dat er wel een leuke jongen bij haar op boetseerles zat…En nu wonen ze dan in een huis dat hen eindelijk beide past: Hij is héél lang, aanvankelijk begreep ik niet waarom ze gingen verhuizen. Onbegrip uit eigen onwil: in hun toenmalige huis heb ik hun kindjes in bad gedaan, vanaf de bank de box ingekeken naar dromerige M., spelletjes gedaan met een kruipende E. die zonder nog te kunnen praten, zich verstopte achter een tafelpoot en mij dan schaterlachend aankeek. Dat oude huis had ook herinneringen mijnerzijds.
Je gunt het iedereen: Dat je uiteindelijk en wellicht ook met geluk, de behuizing vindt, die bij je past. Zo’n piepklein gevalletje is het, mijn eigen boshuisje, zó snel verplaatsbaar, via de lucht. Maar mij past het, als een tweede huid; mijn boshuisje.
Alles verandert, alles verplaatst zich…Ik heb Minion uiteindelijk ook weer meegenomen uit mijn stadshuis, die ik weer gevonden heb in het bos van de speeltuin, waar ik in de ochtend veel bladeren heb geharkt. Mijn liefde voor het bos kwam daar tot bewust zijn; ik was altijd vals aan het neuriën.




