maandag 9 november 2020

Cormorance; Swimming Song

Mijn dagen worden gekleurd door het thema ‘sterfelijkheid’. Dat doet de herfst, elke dag zie ik de loofbomen kaler en bruiner worden en alle paddenstoelen zijn in enkele dagen tijd helemaal verdwenen. En dat doet een situatie in mijn naaste omgeving. Je hebt het leven niet in de hand, je kunt alleen maar omarmen wat er wel is... En toen was het gisteren dus ook heel mild, bijna lente-achtig weer, maar de vogels in het bos die lustig floten, zo kunnen ze dat ook doen in mijn achtertuin, kondigen geen lente aan...

Ik ‘las’, genoot,  van een mooie graphic novel, die ik puur op het uiterlijk in mijn omgeving wilde hebben, het verhaal deed er niet toe, maar er vlogen wel vogels in; Cormorance van de Brit Nick Hayes. Er komen helemaal geen woorden voor, alleen wat kreten van vogels of stadse geluiden, het is geheel in blauw-tinten en de tekenstijl doet aan de vijftiger jaren denken, al realiseer ik mij niet te weten wat dit dan precies is.

Dan blijkt het een verhaal te zijn van een jongetje dat bijna acht jaar wordt, gaat verhuizen naar de grote stad, moet wennen op school en zijn houvast is elke dag het briefje met een hartje erop getekend dat zijn moeder in zijn broodtrommeltje doet. Zijn moeder verongelukt en is op slag dood, zijn vader raakt in het lege huis aan de drank. Uit woede en wanhoop scheurt hij zijn moeder af van de familiefoto’s die elk jaar op zijn verjaardag gemaakt waren en in een rijtje aan de muur hingen. Hij rolt ze op en maakt ze vast aan een ballon. Die waait weg, maar hij ziet dat deze heel in de verte blijft hangen in de takken van een boom. Hij krijgt spijt, wil de foto’s met zijn moeder terug, hij gaat op onderzoek uit en ontdekt dat er een omsloten natuurgebied is met een grote waterplas en daar aan de overkant is de boom. Hij gaat op zwemles om erbij te komen, hij doet pogingen, het lukt niet en dan leert hij een Indiaas meisje kennen die zwemkampioen is en wier moeder ernstig ziek in het ziekenhuis ligt... Dan zwemmen ze samen en ze worden opgenomen in de prachtige natuur om hen heen.

En dit alles wordt dus zonder woorden verteld. Het verhaal bevat die mengeling die er in het leven is: verdriet, onmacht en pijn vlakbij levenslust. Het boek begint met de woorden uit Swimming Song, dat ik heel goed ken van Anne & Kate McCarrigle: This summer I went swimming, this summer I might have drowned, But I held my breath  and I kicked my feet and I moved my arms around, I moved my arms around. Bitterzoet: je kunt alleen maar blijven bewegen en zo voort gaan. Omgaan met je situatie, het bijeen sprokkelen van mogelijkheden, zonder te weten of het gaat lukken. En dan toch: Troost vinden bij anderen en deel worden van de natuur. Heel mooi. 

zondag 8 november 2020

Jeugdherinneringen

De band die je hebt met broers en zussen is uniek en niet te vergelijken met alle andere banden. Je komt uit het zelfde nest, je draagt hetzelfde genetische materiaal dat jou tot een mens heeft gemaakt, voort gekomen uit die twee mensen. Daarbij deel je zoveel herinneringen uit je prille, prille jeugd tot je volwassen wording. En dan... sommigen lukt het om intens goede broer-en-zusterschappen te smeden, maar vaak lukt het ook niet. Juist doordat je elk een plaats had in dat gezin, je ongewild pijn oploopt aan elkaar, opgescheept zit met oude beelden die niet kloppen met wie je geworden bent, los gezongen uit dat nest. En juist broers en zussen kunnen je dan niet zien zoals je werkelijk bent.

Ik liep door de bossen en ging terug naar de herinneringen die ik met Broer deel. Of eerder misschien, de dierbare ervaringen die ik heb, die hij zich helemaal niet zo hoeft te herinneren... Dat begint al dat ik nog weet dat hij in de buik van Moeder zat en ik hem ‘Datang’ noemde, toen hij geboren werd. Moeder snapte nooit waarom, maar ik wel: zij wees naar haar buik en zei ‘Datang’, het Indonesisch voor: er komt er eentje aan, hij die komt... En zou hij zich herinneren hoezeer ik mijn best deed om hem te amuseren als peuter met het liedje ‘Hansje Pansje Kevertje’? Ik herinner me zijn felle ogen, hoe die vol vuur konden schieten en gingen flonkeren.

Ik zie hem spelen met Meccano, felgekleurde latjes met gaten erin waarmee je dingen kon bouwen,daar mocht ik niet aankomen, dat was ‘jongensspeelgoed’. Hij heeft mij leren kamperen. Nog altijd, elke keer wanneer ik mijn tent opzet, gaat zijn stem door mij heen: ‘Controleer de ondergrond, dat daar niks scherps ligt en is het er wel vlak? Lucifers in plastic zakjes doen en op meerdere plekken bewaren, voor de zekerheid want het kan ergens nat worden, vergeet nooit je zaklantaarn. Geen pannetjes met vuur in de tent!’ Zelfs mijn boshuisje nu heeft invloed van hem ondergaan: het bos heeft alleen maar een positieve beleving , ook door hem: hij zat op de verkennerij en hij wilde bosbouwer worden. Ik gaf hem ooit een mok met Sinterklaas met bomen erop en die bleek hij altijd bewaard te hebben. 

Ik bezocht hem in Niger, we reden naar het dorp van Amadou die daar de dorpsoudste was, hij ging proberen uit te leggen  waarom de jute zakken gevuld moesten worden met zand, om zo een dijk te kunnen maken zodat de oogst niet zou wegspoelen gedurende die weinige regen die in de Sahel viel en ik weet nog dat zijn passie daarvoor de voor  mij bekende passie was van mijn broertje van vroeger, ik zag zijn ogen fonkelen. 

Dat broertje, die ook aardig kon klieren: er zijn foto’s waar ik hem als grote zus van negen in bedwang probeer te houden door hem stiekem te knijpen omdat hij gekke gezichten trok op de doopfoto’s van jongste zusje. Ik was een ernstig kind...Ik bracht hem en broertje 2 naar de kleuterschool en wat waren ze speels, ik moest ze naar school trékken, zo voelde dat, maar voor hen was er niks aan de hand...

En zo buitelden de herinneringen door mij heen. Broers en zussen...Het leeft allemaal in je, al die draden uit je jeugd en hoe gewoon het was om met elkaar te leven. Heimwee? Nee, dat is het niet. Je zou alleen  maar willen dat iets van die onschuld voor altijd bewaard blijft en voort blijft leven. En dat doét het ook, hoe anders het heden ook mag zijn. Sommige dingen leven voor altijd door in je geest.

 

zaterdag 7 november 2020

Nieuwe toekomst

Ik zag het op de BBC, Breaking News: Joe Biden heeft gewonnen! Eindelijk, wat een opluchting. Alleen al het idee dat er weer een normaal mens dat ambt bekleedt is heel verkwikkend. Plus het gegeven dat er voor het eerst een vrouw het vicepresidentschap bekleedt, ook nog met een kleur met Jamaicaans en Indiaas bloed. Joe Biden heeft zich al een tussenfiguur genoemd, dus wanneer hij zich niet herkiesbaar stelt, dan gaat zij waarschijnlijk over vier jaar voor het presidentschap. En de VS komt terug bij het klimaatakkoord van Parijs, COVID-19:zal serieus genomen worden, Black Lives Matter vindt een stem.

Het maakt me helemaal niet uit hoeveel  het daadwerkelijk verandert, het zal iéts zijn, zoals bij Obama en misschien wordt het ook een terugkeer naar deze tijden: Biden was tenslotte vice-president en hij zit al 50 jaar in de politiek, hij kent de spelers in het veld en wellicht komt er een heel diverse administratie om hem heen, want zo waren ook alle kandidaten om hem heen bij de Democraten voordat hij de afgevaardigde werd.

Ik werd vanochtend heel vroeg wakker, maar toen was er op alle nieuwszenders nog niks gebeurd hieromtrent, al was er de hele nacht doorgeteld. Dus ik viel weer in slaap, droomde wild, bij het wakker worden had ik het gevoel dat ik heel veel avonturen had beleefd en nu zomaar buiten in de zon een boekje kon gaan lezen , om bij te komen. Toch raar, je eigen droomleven, wat er niet allemaal in je zit... hoe kan dat toch? Dat het zo werkelijk geleefd lijkt?

Daar komt nog bij, dat ik soms het gevoel heb dat ik nú aan het dromen ben: dit heerlijke bosplekje waarbij ik niet hoef te denken dat ik binnenkort weer mijn boeltje moet pakken. En engel A., de overbuurvrouw, verscheen weer: ditmaal met een tas met vier zitkussens voor op de stoeltjes, een wit voetenbankje of bijzettafeltje en een grote hark. Haar buurman had dit dus weer van thuis meegenomen, voor mij. De mensen zijn érg aardig hier. Ook de naaste buurvrouw begon een praatje en zei ook zomaar uit zichzelf: als je iets nodig hebt ofzo, mijn zoon M. kan het zó met de auto halen. Elk persoon die ik hier tot nu toe wat langer heb gesproken, heeft uit zichzelf dit aanbod gedaan. Heel bijzonder. 

vrijdag 6 november 2020

Fred Rogers’ Neighborhood

Oef, wat is het spannend, die presidentsverkiezing. Biden kruipt langzaam naar de overwinning, het verschil in stemmen in Georgia is nog maar 500 en Trump begint te spartelen als een vis op het droge. De sociale media verwijderen berichten van hem, nieuwszenders onderbreken de uitzending en laten niet meer toe dat hij vanuit het witte huis onwaarheden verkondigt. Biden begint al presidentieel tot kalmte te manen en de oefening van geduld. Dan zie je zo’n oude man woorden van verbinding uitspreken en pas toen merkte ik het hoezeer ik dat gemist heb: gráág de woorden willen geloven in plaats van je schrap zetten en hoofdschuddend de gekte van Trump aanhoren en je verbijsterd afvragen hoe dat mogelijk is.

Wat Amerika nou nodig heeft is MisterRogers’ Neighborhood. Wát een ontdekking voor mij. Ik keek naar de film op Netflix A beautiful day in the neigborhood, eigenlijk vooral omdat Tom Hanks daar de hoofdrol speelde, die met Forest Gump je ook een feel good-gevoel over Amerika geeft. Ik keek naar een zoetgevooisde man en alles, het decor en de entourage was bekend: Ik had dit gezien in de installatie op de Biënnale in Venetië van Alex da Corte in Rubber Pencil Devil, waar hij iconen uit de Amerikaanse populaire cultuur in korte filmpjes met zoete kleuren op een andere wijze laat figureren.

Een figuur kwam steeds terug: een man in een gekleurd vest, met een keurige scheiding in het haar, een witte blouse met stropdas,op gympies die figureert in maquettes van een kasteel en huisjes , in wanden deurtjes open maakte, naar een speelgoedtrein keek, experimenten aan een tafeltje deed, heel lief en vriendelijk zingt. Er was een langer filmpje waar hij elke keer door een deur kwam, bij het balkonnetje de trapjes, op een kist ervoor zijn gymschoenen aandeed, een vest uit de kleerkast haalde, die aantrok, iedereen weer groette ter afscheid en dan wéér verscheen en een ander gekleurd vest aan trok. 

Dit blijkt dus Fred Rogers te zijn die vanaf 1968 een wekelijks programma maakte voor kinderen, 33 jaar lang. In en rondom zijn huisje in Pittsburg, dat een bordkartonnen uitstraling had, behandelde hij alles wat er kan gebeuren in een kinderleven, ook de dood, geweld, jaloezie, scheiding. Zijn boodschap was dat iedereen het waard is om er te zijn, gezien en gehoord te worden, hoe waardevol luisteren is en de stilte en échte aandacht;  kijk eens lang naar dit kaapsviooltje, wees niet bang, als je muziek maakt verandert woede vanzelf in iets anders... enzovoort. Hij schreef alles zelf, script, liedjes, teksten, handpoppen die een gesprek hadden met bekenden en iedere kijker was intiem gast of eerder omgekeerd: elke week kwam hij 30 minuten bij jou op bezoek. Het was een educatief programma, maar niet gericht op cognitief leren zoals het latere Sesamstraat. Het ging om emotionele en sociale ontwikkeling.

Die man die Tom Hanks speelde, zelf een neef van Fred Rogers en die Alex da Corte verbeeldde, bestaat dus écht! Hele  generaties Amerikanen zijn groot met hem geworden met de boodschap: jij bent speciaal, hou van jezelf, hou van je buren. Het concept van het tv-programma heeft hij ooit ontwikkeld aan de universiteit van Pittsburg met pedagogen en hij heeft 30 jaar samengewerkt met een kinderpsycholoog, Margaret McFarland en hij studeerde magna-cum laude of in de theologie en hij is ook nog dominee geweest. Hij had zelf een moeilijke kindertijd; hij was verlegen, introvert en had overgewicht. 

Zo’n man heeft de Amerikaanse tv-cultuur dus ook voortgebracht en zo’n man gun je Amerika. Één  onsje maar van de uitstraling van Fred Rogers doet al goed. Trump leverde daaromtrent nul-komma-nul en Biden leverde al wat grammen en dat geeft een soort van opluchting.

donderdag 5 november 2020

Berichten van buiten

Ook ik was gisteren één van die Nederlanders die dacht: nú snel nog naar het museum want wie weet wordt de aangezegde twee-weken-sluiting een langere. Aangekomen bij Kröller-Müller stond er binnen een heel kleine rij. Gemengd publiek, niet alleen de grijze koppies. Rechtsomkeert? Nee, toch naar niet en de korte tijd dat ik wachtte was de afstand die ik tot mijn voorgangers had genomen, dezelfde als diegenen achter mij in acht namen: meer dan vier meter. De subtiele taal van het lichaam, je merkt heel snel wie gedwongen afstand nemen en zij die leven en laten leven.

Wat was ik weer blij om er rond te lopen! Heerlijk om met je neus bijna tegen het glas van de schilderijen van van Gogh te staan en de penseelstreken bijna te kunnen voelen, van dikke klodders, heftig en donker naar vederlicht, zwierig, zorgeloos. Zijn schilderijen ken ik al van kinds af aan, er zijn járen dat het alleen maar overbekende plaatjes zijn, maar nu ik er vaker in korte tijd naar terugkeer, kijk ik opnieuw en wakkert de vlam van bewondering en lyriek weer op. Hij bestrijkt alle segmenten van het gevoelspalet.

Nu viel het portret van Joseph Roulin mij voor het eerst op, dat het museum ook gebruikt op de voorkant van de introductiefolder die in meer dan zes talen aanwezig is. Die bloemen op de achtergrond! En er zit een klodder donkerroze verf bij de lippen, waarvan je zou denken dat je die moet bijwerken want nu heeft hij eigenlijk een misvormde mond, alsof hij met lippenstift is uitgeschoten. Maar dit alles maakt het tot een heel androgyn beeld, ook al heeft de postbode een grote baard. Er komt een bericht naar je toe, door de papavers, margrieten en korenbloemen heen: wees niet getreurd, er is kleur in het leven, velden vol...

 In het kader van een nieuwe tentoonstelling was er ook een werk van Pierre Huyghe te zien, waar in de beeldentuin nu een favoriet verpoosplekje van mij is. Dit werk binnen heet: Streamside Day,  uit 2003. Het is een feestdag die hij zelf verzonnen heeft voor een wijk met huizen die midden in het bos uit de grond gestampt is. De film bestaat uit twee delen: het begint in de stille natuur, bergen, een waterval klettert  tussen de rotsen, druppels vallen uit het groene mos, een konijn, een hert, een bosuil, een wasbeer. Het hertje loopt het bos uit en ziet onder huizen in aanbouw, een stratenplan. Zij gaat erop wandelen en loopt een leeg huis binnen, waar de stopcontacten nog in geplaatst moeten worden.

Vervolgens zie je twee meisjes bezig met een verhuisdoos, een gezin verhuist vanuit de stad naar het bos. Dan zijn we enige tijd verder, alle huizen zijn bewoond, het is streamside day, kinderen verkleden zich als konijnen, elven, een robot uit de kartonnen verhuisdozen. Er wordt gebarbecued, witte marshmallows aan stokjes, een podiumpje waar wat muziek wordt gemaakt, een heel grote lichtgevende ronde ballon die op een volle maan lijkt en boven de huizen hangt. Aan een andere wand van de zaal een tekening als een grote kluwen grijze dikke wol, maar het stelt een concept voor van Streamside Communitycenter, dat niet gerealiseerd is, zegt de beschrijving.

Het werk vertelt iets over de ongemakkelijke verhouding tussen mensen en de natuur. Die mensen willen graag in de natuur wonen, maar doen daar inbreuk op en, des mensen, hebben ze behoefte aan samenkomst, gezellig wat met elkaar eten en wat muziek met alle rommel en lawaai die dat ook geeft. Hoe anders dan de dieren in het bos, die ieder op hun volstrekt eigen wijze, in een eigen element, rondscharrelen. 

Ik dacht aan mijn eigen bosplek, het karton van aangeleverde spullen die ik nodig had, nu gebruikend als extra isolatie binnen of als beschermende vloerbedekking in mijn schuurtje. Die gang heb ik dus ook onlangs gemaakt, voor nu: van de stad naar het bos. Dan ben ik wel tevreden dat deze plek al meer dan 40 jaar door mensen bewoond is, in bescheiden behuizing. Begonnen met aluminium caravans tussen de bomen, gerund door een vrouw, en nu moet het evolueren van camping naar recreatiepark: mijn huisje van kunststof, waar ik geen veranda enzo omheen mag bouwen, hoort bij deze nieuw ingeslagen weg.

Ik hoop dat de sfeer een beetje ambigue blijft hier,  zoals die postbode van Van Gogh: van mensen die een beetje opgaan in de achtergrond van de natuur om hen heen. Hij heeft ook mooie lange wimpers, die postbode. Zoals die bosuil in de film van Pierre Huygens: langzaam met de ogen knipperen: open en dicht en open. Niks verstoren, alleen maar waarnemen en ‘zijn’. 

woensdag 4 november 2020

Days of Beauty

En dan word je wakker en hoop je eigenlijk dat er een gigantische blauwe golf over Amerika heeft gespoeld en Biden dus, onomstotelijk heeft gewonnen. Niet dus, het zal een nek aan nek race worden en ‘Trumpetisme’ zal blijven, al zou Biden alsnog winnen.  En dan bedenk ik me dat je eigenlijk ook geen verkiezingen kunt winnen door beroep te doen op het karakter van de natie, die haar integriteit en fatsoen terug zou kunnen krijgen, door te stemmen op een andere man, die verder geen duidelijk verkiezingsprogramma had, behalve om die ander te verwijderen.

Hoe was het geweest als er een kandidaat was die gloedvol nieuwe vergezichten en visioenen had opgeroepen zoals Obama dat kon? Waarvan we ook weten, hoe moeilijk het was om dat werkelijk gestalte te geven... Maar het was een troost, dat integere mensen het Witte Huis bewoonden, dat er veel moderne kunst aan de muren hing, dat er een grote moestuin werd aangelegd, het met de Kerst er warm en vurig was versierd, er geknutseld werd door kinderen, in plaats van het ijspegelpaleis van Melania Trump.

Wat mij hoop geeft is de nuance die de stemmers zelf kennelijk maken: Republieken die voor het eerst samenwerken met de Democraten en zo ook stemmen omdat zij met Trump de natie menen te zien afbrokkelen. Maar ook Republikeinen die zeggen: ik stem op wat hij gedaan heeft voor de economie, de man zelf moet ik niet in mijn buurt hebben, daar lusten de honden geen brood van. Het is nu eenmaal zo, de werkelijkheid is gecompliceerd en gelaagd: Ook een zwarte president heeft er niet voor kunnen zorgen dat er geen rassendiscriminatie meer zou zijn, gezien Black Lives Matter, die in deze Coronatijd pas echt haar  stem vond.

Het zal erom gaan om eigen stemmen te vinden, een eigen wijze om op micro, allerdaags niveau te blijven uitzien naar wat zich afspeelt buiten de politiek, de redevoeringen, het geblaaskaak en streven naar macht. Wat je zoekt dat vind je, ook dankzij het internet. Want vanochtend had ik wel behoefte aan wat troost en dat komt er dan; ik heb eigenlijk alleen maar plezier van de algoritmes die You Tube bij mij genereert. Ik kom er telkens pareltjes tegen. Want nu the day after verschijnt daar Days if Beauty,door Ola Gjeilo op een gedicht van Emily Brönte, gezongen door het vrouwenkoor Aurora van het Luther College in Iowa, begeleid door andere jonge studenten.

De camera glijdt langs al die jonge gezichten,  de jeugd heeft de toekomst, en het doet er niet toe, dat in een ander segment van hun brein ze Republikeins of Democraat zouden zijn. Er is een focus die ook mogelijk is, vergezichten die zich kunnen voltrekken zonder beweging van plaats: mooie tijd en aandacht en vreugde kan zich stollen in videofilms, voor iedereen altijd toegankelijk. Het is een opdracht en een opgave van elk individu om in deze crisistijden niet te vervallen in chaos, strijd, onlust en onrust: de gouden randen die elke dag ook in zich herbergt vinden en zo op zoek te gaan en te reiken naar Days of Beauty.

dinsdag 3 november 2020

Kruistekens

Gisteren was het de dag waarop de scheidslijn tussen de doden en de levenden het dunst is. Voor de katholieken is het dan Allerzielen en de vertaling daarvan in een seculiere samenleving is het programma: Voor wie steek jij een kaarsje op? Er komen onbekende Nederlanders aan het woord en ook alle bekende overledenen van het jaar worden genoemd: O, ja... Liesbeth List, Aart Staartjes, Jules Deelder, Maarten Biesheuvel, om degenen te noemen die in mijn geheugen wel een warm plaatsje hebben.

Soms is de scheidslijn tussen dood en leven dichtbij, ook in je omgeving van naasten, en gisteren beleefde ik dat erg op deze wijze. De onmacht als je in het ziekenhuis ligt en moet afwachten wat je eigen lichaam met jou doet... We maken het nu ook met zijn allen collectief mee: het Coronavirus en niet weten hoe dit verder zal gaan en of de wereld die wij zo gewoon vonden ooit weer terug komt...

Ik was dus in de stemming om mijn mond te houden en niet te gaan babbelen: ja, zo voelt ‘blog-schrijven’ dan ook aan. Het gekke is, dat ik me daardoor juist extra bewust werd hoeveel er op een dag niet allemaal door je heen gaat, The Stream of conciousness, want de hele dag ging het door me heen : ik zoú hier een blogje over kunnen schrijven, nee laat maar, vandaag even geen woorden. Het werd ook een dag waar ik contrasten des te scherper beleefde.

Zo was het de warmste novemberdag ooit, maar tegelijk loeide en stormde het. Ik zat buiten zonder dik vest en de onrust in het bos liet me de onrust van de wereld scherper ervaren: Zoals hoe het zal het gaan met de verkiezingen in Amerika, de aardbeving in de Egeïsche zee... en een gekke foto van een metrostel dat half in de lucht hangt met een witte vin van een walvis, een beeldhouwwerk eronder: het deed me denken aan de dystopische wereld van een graphic novel die ik meteen zonder nadenken ,toen ik die langs zag komen bestelde, omdat iets in de platen mij zó bekend voorkomt. Misschien is het een landschap uit mijn dromen die ik mij bij het wakker worden niet meer herinner; The Electric State van Simon Stalenhag.

Iets erin gaat wel direct terug naar een kinderherinnering:de enorme grote ronde ‘gebouwen’ in de vorm van een grote ton, waar het vermoeden is dat van daaruit er wezens zijn die regeren en beslissen over jouw lot. Ik had een Oom en die nam mij (was Broer daar ook bij?, ik weet het niet meer)  mee uit toeren in zijn auto. Mijn ouders stimuleerden dit soort tripjes, ik geloof dat wij zelf nog geen auto hadden. Of misschien gunden zij Oom iets gezelligs met hun kinderen. Braaf als ik was ging ik mee, maar ik wist ook dat er iets engs en vreselijks in dat uitje zou zijn, waar ik wél ook weer heelhuids uit vandaan zou komen.

Hij reed naar, wat ik nu weet, zo’n groot rond waterreservoir die er toen waren. Tenminste, ik dénk nu dat dit het was, misschien was het wel een elektriciteitscentrale. Daar parkeerde hij de auto en dan zei hij dat daar wezens in woonden die mij zouden opeten, maar dat dit niet gebeurde als ik een lief meisje zou zijn en dat was ik toch? en hij niet zo’n lieve oom was, die mij zou beschermen. Hij ging daarmee door totdat ik begon te huilen en ik herinner me ook dat ik dan met mijn vuisten tegen het glas beukte en riep: Laat me eruit!, dan lachte hij en zei dan: Het is maar een grapje! Gelukkig zijn wij allebei lief! En dan reed hij naar huis.

Toch ook gek, dat ik elke keer weer in zijn auto stapte, elke keer wist dat dit grapje weer kwam en ik elke keer toch ook weer doodsbang was. Het zal wel de mengeling zijn van groeiende draden en verbindingen in je eigen kinderbrein en de dunne lijn die er kan zijn tussen fantasie en werkelijkheid. Misschien iets van de magische wereld met je oom als een soort God, die dat uiteindelijke vreselijk niet zal laten gebeuren.

Die God bestaat niet meer, zou je denken...Maar dan zie je in de docu ‘The Trump Show’ dat er iets in hem  en die rechts-orthodoxe christenen om hem heen is, die werkelijk geloven dat hij door God is uitverkoren om deze wereld te redden. Anti-abortus, anti-homo, hoera, en hij loopt met de bijbel in zijn hand en steekt deze op als hij een vreedzame demonstratie van Black Lives Matter tegenover het Witte Huis met veel politiegeweld uit elkaar  rukt en ze als ratten met rookbommen verwijdert.

De wereld hangt aan elkaar van contrasten, zo tegenstrijdig, alles vlak naast elkaar. Geweld en vrede, macht en kwetsbaarheid, controle willen krijgen en het werkelijk niet weten...Alleen elk persoon kan in het dagelijkse weefsel van het hier-en-nu de draden aan elkaar verbinden. De achterkant van een borduurwerk ziet er altijd kris-kras uit, vol knoopjes en draden door elkaar heen. Maar aan de voorkant kun je dan toch elke dag weer een paar kruistekens zetten die kunnen bijdragen aan een mooi harmonisch patroon.