donderdag 27 november 2014

Klepel

Waar zal ik eens over bloggen? Over die grappige coïncidentie dat ik de avond van tevoren met de boekenclub, nog voor de boeken, het uitgebreid had over 'mannelijk en vrouwelijk', over de tijd die veranderd was; dat je nu als kind al hormonen kunt slikken om een geslachtsverandering makkelijker te laten verlopen en of dat gewenst is.
'Ik legde me indertijd neer bij het onvermijdelijke; dat ik borsten kreeg enzo, nu zouden ze me misschien bij de dokter brengen, ik weet niet of ik daar gelukkiger van was geworden.' 'Ja, maar', zei ik, 'er is nu bekend dat de hersens van vrouwen en mannen er anders uitzien, dan is het toch mooi dat dit nu kan?' 'Maar het is toch een moedwillige verminking en uitgebreid in je lichaam laten snijden', zei weer een ander, 'moet je dat nou willen?'... enzovoort.

De volgende ochtend vroeg, een vergadering op mijn werk. Op een locatie had iemand van het andere personeel aangekondigd dat hij voortaan Ted genoemd wilde worden, en geen Thea meer. Wie is dat dan, vroegen sommigen zich af. O... die ene met dat grijze haar en die bril op? 'Ja!' en weet je hoe R.. had gereageerd toen T. dat meldde? ...aha, aha... mijn collega moest van de vergadertafel opstaan van het lachen, 'Ja, R.  kon er niks aan doen , het was eruit voordat hij er erg in had, hij had gezegd: 'O, nou begrijp ik waar de klepel hangt!'

Dat begrijp je dan wel, maar waar hangt die klepel dan concreet? Ook daar tastte de boekenclub de avond tevoren over in het duister. Tenminste als een vrouw, een man wordt. Ook Maxim Februari vindt dat een te intieme vraag om daar kond over te doen, zo las ik in De maakbare man, notities over transeksualiteit. Ik las het boekje achter elkaar door uit, en het meest intrigerend vind ik het, dat je als ex-vrouw eigenlijk ook een soort verjongingskuur ondergaat: je wordt lichamelijk sterker en krachtiger op een leeftijd dat je anders in de overgang zou zijn.

Ik heb ooit een man ontmoet, die vrouw was geworden, en ik vond hem ook echt een vrouw, al zag ik meteen dat hij ooit een man was geweest, ja zo ingewikkeld kan dat aanvoelen. Hij had ook zijn of haar klepel nog. Ze wist niet of ze het weg zou halen. Want, hoewel niet meer actief, was het toch altijd een deel van haar lichaam geweest. Misschien kon het wel gewoon blijven als herinnering aan een ander leven.

woensdag 26 november 2014

Filmpje

Vanmiddag een gesprek in het wijkcentrum gehad met een trainee, gestationeerd in Uden (trainee was voor mij overigens een nieuw woord), over 'vrijwilligers in wijkaccommodaties.' Ze vond het een inspirerend gesprek en is ook op nieuwe ideeën gekomen. Fijn zo. Ik doe altijd hetzelfde verhaal, namelijk dat het om het verhaal gaat, waarin je de vrijwilligers meeneemt. Dat verhaal is eigen en uniek, vraagt maatwerk en goed luisteren wat die vrijwilliger wil, kan, en van droomt..

Het is eigenlijk het algemene verhaal dat ik ook altijd als rode lijn aan mezelf vertel en waarnaar ik op zoek ben: waar gáát het eigenlijk over? Wat wil je samen bereiken? Wie en wat wil je zijn, worden, wat droom je?...

Ach... Er zijn maar twee verhalen die aan de basis staan van ongeveer alle verhalen: Ofwel je gaat tezamen op weg, je zoekt samen naar mogelijkheden, plekken, plaatsen, ruimte, tijd waarin je een wereld deelt. Ofwel het verhaal gaat over het Ikke:  strijd, macht, je ziel aan de de duivel verkopen, altijd maar alleen zijn, het eigen gelijk, je eigen koninkrijk.

Ondertussen is ook het filmpje te zien op YouTube, wat in het wijkcentrum gemaakt is. Als je NMGN doet!  intypt, dan kom je er. De preview was al eerder beschikbaar, en de mensen hier hadden, zoals altijd, commentaar op elkaar: 'Jee, wat zit jij in ene keer deftig te praten!' 'Ja hoor eens effe, ik kan toch niet mijn muil opentrekken, we zijn een stelletje wijven, maar dames klinkt op stand!' 'Ja, doe jij maar hoog in de bol, we zijn toch gewoon dezelfden hoor!"

Het filmpje van je leven lijkt aan de buitenkant altijd dezelfde. Maar toch: het verhaal wat zich aan de binnenkant afspeelt, maakt uit dat wijven, dames zijn en dames, wijven en geen wolven, druiloren, droogkloten, wentelteven of anderszins.

Kluis

Clara van Assisi begint haar vierde brief die overgeleverd is, aan Agnes van Praag met: Aan de andere helft van mijn ziel en de kluis van mijn bijzondere en hartelijke liefde. Over deze regel hebben we een hele middag gepraat. Clara schreef de brief vlak voor haar dood. We weten bijna zeker dat de twee elkaar nooit in het echt ontmoet hebben. Hoe is dat dan mogelijk om die andere 'de andere helft van je ziel' te noemen?

Sommigen  vonden dat wel erg veel. Ook als het over een partnerrelatie zou gaan: dan wil je toch niet dat die de helft van je ziel zou 'innemen'. Maar misschien gaat het niet over kwantiteit of maatvoering: misschien is het zo dat, wanneer je op het einde van je leven bent, je terugkijkt en dan weet, dat er één iemand is, wier levenspad heel erg op de jouwe lijkt, waarin je weet dat je ooit beide dezelfde soort keuzes hebt gemaakt.  Zo kan die andere dan als bijna een spiegelbeeld van je zelf aanvoelen, een verwevenheid, die niks met het dagelijks delen van dingen te maken heeft : 'misschien hadden ze elkaar dan de tent uitgevochten', merkte iemand op.

Clara en Agnes hebben dezelfde levenskeuzes gemaakt: de ene behoorde bij de rijke stand van Assisi, de andere was een koningsdochter. Maar ze werden 'een arme vrouw', Claris dus, en bij het schrijven van deze brief was Agnes al 19 jaar abdis van het klooster in Praag, en Clara leefde al 40 jaar in het kloostertje in San Damiano. Dus ze deelden hetzelfde soort leven en dezelfde soort verantwoordelijkheden. Ze kenden elkaar 'van binnenuit'  zou je kunnen zeggen. En dan is een enkele brief, een half woord genoeg... Mooi: de geestkracht die veel verbindender kan zijn dan duizenden e-mails of whats-appjes,  etc.etc, van deze snelle tijd.

En toen ging het over de kluis: wat is dat voor jou en ben je dat voor iemand? , vroeg ik. Het gesprek cirkelde rondom ervaringen,  dat je in een kluis je eigen kostbaarheden kan bewaren, die vaak ook juist kwetsbaar zijn. Je wilt een veilige bewaarplaats zijn voor een ander, waar intimiteit, liefde en vriendschap floreren, in het verborgene, als een geheim, niet voor alle ogen toegankelijk en beschikbaar.

Iemand zei dat het ook zwaar kan zijn, om  de kluis van mensen te zijn. Dat er zoveel kan zijn wat je dan met je meedraagt. Hoe belangrijk het dan is, dat je een deel van de inhoud van die kluis, zelf weer in de kluis van een ander kunt bewaren. Ik herken dat wel: in mijn ervaring  bewaar ik  in de kluis ook de mooiste en goede dingen van de ziel van anderen, de glimpen en de glans van heelheid, al is het in het dagelijks leven vaak kapot;  gebroken en verbroken.
Om toch een leven lang dat met je mee te dragen,  voelt soms aan als zwaar. Maar het is het enige wat ik kan doen, om mijn eigen ziel te laten leven en te bewaren in dezelfde  kluis.

maandag 24 november 2014

Onze moeders en vaders

Ik had er een lange avond voor uit getrokken: om te kijken naar Unser Mütter, unser Väter, een Duitse miniserie op de tv die 7,5 miljoen Duitsers aan de beeldbuis gekluisterd hield en waarvan ik in mijn omgeving ook goede berichten had gehoord. Het gaat over 5 vrienden, die elkaar in 1941 in Berlijn, in  de Tweede wereldoorlog onderlinge trouw en kameraadschap beloven. Maar na de oorlog is de vriendengroep toch geheel uit elkaar gevallen. Tja, zo gaan die dingen, zou je kunnen zeggen.

Het explosieve van de serie zit in de titel: want het perspectief is die van deze generatie, nou ja, de oudere generatie, alweer, die naar hun eigen ouders kijken die jong waren in nazi-Duitsland. Voor het eerst wordt de kijker uitgenodigd om mee te leven met gewone jonge mensen, die toevallig volwassen werden onder Hitler Duitsland.

Dus er zit één meisje bij die uit idealisme verpleegster wordt aan het front en dan een Joodse collega verraadt: omdat ze nu eenmaal denkt dat Hitlers visioen het ware is. Een andere vrouw blijft in Berlijn, ambieert een zangcarrière, wordt de minnares van een hoge SS officier, maar hoopt daarmee ook haar Joodse geliefde uit de vriendengroep te kunnen beschermen. Vergeefs, weet de kijker al heel snel. Twee broers gaan naar het front, de oudste uit volle overtuiging om het Duitse rijk te dienen, de jongere broer houdt van boeken en filsofie en wil eigenlijk niet. Na een paar jaar deserteert de oudste en vind een hutje in het bos, komt daar tot rust, eet vis uit de rivier, maar wordt toch gevonden. De jongste keert verwond terug naar de burgersamenleving, maar kan niet meer aarden in de 'gewone wereld', hij gaat vrijwillig terug naar het front en offert zich uiteindelijk op. En dan is er de half-Joodse vriend, die ontsnapt uit het transport naar een concentratiekamp en uiteindelijk de oorlog overleeft.

Ja, ik was geboeid, die avond lang. Maar daarna dacht ik: so what? Zó is dat dus: ieder mens wordt geworpen in een maatschappelijke omstandigheid en ieder mens leeft lang onder de illusie dat de wereld waarin je je bevindt de meest juiste en vanzelfsprekende is. En daar binnen maak je keuzes en je doet dingen. En de geschiedenis vertelt pas veel later, of dat leven dat jij voor zó werkelijk en goed hield, wel zo'n goede optie was.

Soms stel ik me voor dat Europa en Noord-Amerika geheel afgebrokkeld en vervaagd zijn. Dat de rest van de wereld daarnaar kijkt en dan zegt: wat leefden die mensen decadent en ten koste van ons. Ze wentelden zich in luxe en meenden tegelijk dat er een economische crisis was. Ze wasten hun voeten met water, zoveel hadden ze. Ze gooiden eten op grote afvalbergen, terwijl wij honger hadden. Ze waren bang dat wij door hun grenzen heen naar hun toe kwamen, om de welvaart te delen. Ze verdienden het, om ten onder te gaan.

En dan: pas 70 jaar later ofzo, verschijnt er een tv-serie. Van de geadopteerde kinderen die dan alweer bijna zelf opa's en oma's zijn, uit die 'Derde Wereldlanden', zoals ze lang tijd heetten. En die laten dan zien hoe we dat deden: zo onbevangen en zonder weet te hebben van de toekomst, leefden we ons leven, in de volle overtuiging dat wij het verlichte en democratische deel van de wereld vormden.

zondag 23 november 2014

Anne's zondagmiddag

Wat heerlijk. Zo'n lekkere, langzame wandeling van huis naar de stad, 8,41 km, tot hier in de bieb, meldt mijn accupedo-app op Sammie. Ik heb wat slinger- en slenterbewegingen gemaakt, langs straten waar ik vroeger vaak kwam, oude huizen en tuinen.  Een milde zonnige zondagmiddag in de herfst, met de sfeer van vroeger, weinig verkeer en veel  bladeren om door heen te slempen.

'Een goeie dag', zei Josje tegen Anne. Daar dacht ik ineens aan: dat ik ooit een kinderboekje geschreven heb, waar vriendin P. illustraties bij heeft getekend. We hebben er nooit wat mee gedaan en het alleen maar voor onszelf gehouden. Anne was een meisje van ongeveer negen en die wandelde op zo'n herfstzondag als deze haar straat uit, terwijl haar ouders zondagmiddag-visite hadden waar ze zich dood verveelde. Op het eind van haar straat is een lange laan met hoge bomen, als een tunnel, en ze kan zich  niet herinneren dat ze er ooit eerder was.

Ze loopt erin en ontmoet daar Josje: een klein ouder vrouwtje met grote slofschoenen, een beetje gekke kleren aan en een hoed op. (Ja, ik ben daar wel op gaan lijken, zie ik nu). Josje nodigt haar uit voor een feestje en ze gaan eerst de heel lange meneer Hummel ophalen. (De toenmalige vriend en nu al heel lang echtgenoot van vriendin P. is heel lang). Hummel woont in een huisje, waar een beek dwars door het huis stroomt in een vallei vol bloemen. Nog voordat ze op het feestje komen, ontmoeten ze de Dierenvrienden die muziek voor het feestje aan het oefenen zijn en Sasja, een heel verlegen jongetje in een boom. (Een later nichtje van P. is  Sasja gaan heten en we beschouwden onszelf als verlegen mensen)

Vreemd, hoe zo'n verhaal waar ik vast al tientallen jaren niet aan gedacht heb, nu zomaar weer te voor schijn komt. Het is zo'n zondagmiddag, waar het herfstlicht je net over een drempel tilt naar een andere sfeer, een wereld vol verwachting, geheimen en verassingen. Ik geloof dat ik alleen maar, 'alleen' gevoelig ben voor dit lichtmoedige, mijmerende soort van  geluk. Dan wordt ik dat meisje Anne en dan is er op zo'n  stille zondagmiddag ergens een wereld die zich klaar maakt voor een feestje.

donderdag 20 november 2014

Werner Herzog

Ik bekeek de film Fitzcarraldo uit 1982 met het commentaar van Werner Herzog daarbij, meer dan 20 jaar later. Hij heeft een meeslepende, een beetje hallucinerende stem die in mij blijft klinken. De film gaat  over een totaal gekke onderneming: het plan om een operahuis te bouwen midden in de jungle. Om aan het geld te komen, moet er een stoomboot over een berg gesleept worden.

Het filmen zelf was totale waanzin, zegt Herzog herhaaldelijk: Om de acteur Klaus Kinsky in het gareel te houden in die rimboe, die woede-en waanzin uitbarstingen had,om de oorspronkelijke indiaanse bewoners tot hun recht te laten komen en de mensenmassa te managen, om werkelijk een boot, in het echt twee stoomboten, die berg over te slepen. Om net niet failliet te gaan aan de hele onderneming.

Herzog noemt het een paar keer, een bijna religieuze ervaring: dat hij stand gehouden heeft, dat hij het uiterste van zichzelf heeft gevraagd,  dat hij niet anders kon dan werkelijk die jungle in te gaan en veel scenes over te laten aan het toeval en aan wat er ter plekke gebeurde. Dan wordt mijn interesse geprikkeld: waarom noemt hij het een religieuze ervaring, terwijl hij zichzelf ook een atheist noemt? Ik wil wel meer werk van hem zien.

Ik vond van hem een dun boekje:  Over een voettocht door de kou. De oorspronkelijk Duitse titel is beeldender: Vom Gehen im Eis. Daar zit impliciet dezelfde soort drive vervat als in die film : je kunt je nauwelijk in het ijs voorbewegen. Herzog heeft kennelijk een fascinatie voor 'tot het uiterste willen gaan', zoals ook gebeurd in zijn documentaire Grizly Man, waar de kijker getuige wordt dat de hoofdpersoon werkelijk door een grizlybeer wordt verslonden.

Dit  boekje bevat de dagboekaantekeningen van een voettocht die Herzog heeft ondernomen van München naar Parijs, van 24 November tot 14 December in 1974. Hij gaat impulsief op weg met een kompas en een schoudertasje met het hoogstnoodzakelijke, hij slaapt grotendeels in oude schuren, hooibergen, hij breekt in weekendhuisjes in. Hij gaat  eindeloos door een grijs, koud regenlandschap; desolaat en eenzaam. Opnieuw dat hallucinerende: Herzog loopt en loopt en flarden fantasie en associaties begeleiden hem op weg naar een ten dode opgeschreven vriendin. De tocht is een bezwering om die dood  te keren: door dit te volbrengen, zal ze verder leven, denkt hij, hoopt hij.

Dit doet denken aan het boek De onwaarschijnlijke reis van Harold Fry van Rachel Joyce. Zou het kunnen dat zij dit boekje van Herzog níet kent? Ook daar een pelgrimstocht van 800 kilometer, maar de sfeer is daar feel-good en ook niet echt gebeurd, alhoewel Joyce het wel geschreven heeft toen haar vader kanker had en ook zij hoopte met schrijven en lopen haar vader bij zich te kunnen houden. Bij Werner Herzog is het eerder een reis naar de onderwereld; langs de randen van waan, wanhoop en depressie. En dat allemaal in 110 pagina's.

En dan:op de laatste pagina vertelt hij dat hij aankomt bij zijn vriendin in Parijs, Lotte Eisner, die van anderen moet hebben gehoord van zijn onderneming, hij wilde het niet zeggen. Hij voelt zich verlegen en er komen woorden in zijn hoofd in deze merkwaardige situatie en hij spreekt ze uit tegen haar.Het ontroerde me, toen ik het las. Iets in hun ontmoeting raakt aan het raadsel van het bestaan en het geheim dat elk mens is:

Samen, zei ik, zullen we vuur koken en vissen tegenhouden. Toen keek ze me aan en glimlachte heel aardig en omdat ze wist dat ik iemand was die te voet ging en derhalve onbeschermd, begreep ze me. Een aardig, kort ogenblik lang ging er iets milds door mijn dodelijk vermoeide lichaam heen. Ik zei, doet u het raam open, sinds een paar dagen kan ik vliegen.

woensdag 19 november 2014

Aardrijk

Gedichten lezen is voor mij a short cut to...: de kortste weg, in feite, om heel snel iets af te kunnen lezen van wat erin je ziel broedt. Bij mij werkt het zo, dat ik dan zomaar een aantal bundels opensla, ik lukraak wat ga lezen  en dan komt er een moment dat ik blijf hangen op een gedicht en die nóg eens lees. Waarom weet ik dan niet, dat blijkt pas, vlak daarna.

Nu bleef ik hangen bij een gedicht van J.Eijkelboom,

HET AARDRIJK

Fluweelzacht de nacht, achteraf,
nu het ochtendgrauw aanbreekt
met regen.

Onze vaste merel hakt gaten
in het toch al mottige gras
van de achtertuin.

In de Gobi-woestijn houden nomaden
geen kippen, ook staan hun tenten
niet aan de grond genageld.

Want de aarde is heilig voor hen
en mag door niets of niemand
worden beschadigd.

Ik las dit over en typ het nu weer, en het komt me voor als een exacte reportage van mijn gemoedsgesteldheid vanochtend. Ik werd wakker op deze grijze herfstdag met enige kwaadheid richting de 'burgervader' van mijn stad. Deze meester was op bezoek in het wijkcentrum, tezamen met zijn gemeenteraad. Vrijwilliger T.  probeerde te zeggen dat ze het zo leuk zou vinden als ze één keer per jaar, op de Kerst Inn, de bezoekers zou kunnen verwelkomen met een gratis kopje koffie of thee, 'daar was geen subsidie voor', zei ze. Iemand anders in de zaal zei dat dit er wél was, en toen zei de burgervader: 'O, U zit dus te jokken!' En wég was ze gewerkt.

Bij het afscheid zei hij nog eens tegen haar: 'De volgende keer mag je niet meer jokken.' Waar gaat dit over? Scherpslijperij over te weinig geld voor een groot geworden Kerst-Inn; ja, er is wel subsidie maar ondertussen  te weinig voor een warm én een koud hapje voor een ieder én een kopje koffie en thee. De vrijwillige bijdrages vorig jaar, dekten nét alle kosten.

Deze vrijwilliger maakt thuis én de soep én de salades en heeft een heel warm hart voor de zaak en wordt dan voor jokkebrok uitgemaakt omdat ze het net niet zorgvuldig formuleerde. Naast de vereiste diploma's die ze gehaald heeft om alleen in het wijkcentrum te kunnen staan, heeft ze alleen een fietsdiploma, had ze net van te voren verteld.

Dit hakt gaten en doet me verlangen naar die Gobi-woestijn.Naar eerbied en respect voor elkaar, waar je elkaar en de aarde  heiligt. Zoals deze vrijwilliger middels een welkomstdrankje en zorgvuldig gemaakt eten vlak voor Kerst anderen wil heiligen, maar in het openbaar aan de grond genageld wordt door de gewichtigste inwoner van haar stad.