Een móói boek gelezen, dat je niet zomaar kan vergeten, omdat het verhaal zo eenvoudig is. Een afgestudeerde student in de economie gaat werken in de loods bij zijn oom. Die loods zit vol met alle overschot en afgeschreven artikelen uit winkels, die daar voor bijna niks worden verkocht. Het gaat over zijn contact met zijn oom, een vrouw die de langslopende geliefde is van de oom, een andere werknemer. En dus ook over ‘familie’: die oom is het buitenbeentje en de eigenwijze zonderling; want wie slijt nu zijn bestaan in een loods temidden van een rommel aan spullen en is daar nog trots op ook?
De ik-figuur; ‘Jong’ genoemd door zijn oom, zweeft tussen schaamte dat hij daar is gaan werken en een noodzakelijk deel ervan wordt , én geïntrigeerd zijn. Wie is hij zelf, wie wil hij zijn, bij wie wil hij horen…?
Een trigger om dit boek te gaan lezen was de geciteerde zin:
Bloed is een te dunne lijn voor familie; om te hechten moet het binden met liefde, zorg en trots.
Heel uitgebreid en filmisch worden de spullen in de loods beschreven. Als lezer heb je de keuze: waarom toch, waarom is dit interessant? Voor mij riep het meteen herkenning op: ik loop zelf graag over rommelige markten, kringloopwinkels en door goedkope winkels, en kijk graag naar al die gekke spullen op elkaar gestapeld: tandpasta naast kattenkorrels, naast kerstspullen, naast opblaasbare zwembadjes, de onderbroeken naast de chocola in een gangpad verder. Ik voel mij thuis op zulke plekken.
En ik weet dat dit iets te maken heeft, dat ik meer ‘leven’ ervaar tussen de scherven, de brokstukken, het bijna kapotte, dan tussen het perfecte en glanzende en gladgestreken dure.
Het eerste is overal aanwezig: zó is de wereld en het leven: niét af, niét perfect, niét harmonieus… Zo is het ook in vele families. De uitzonderingen zijn voor mij altijd een bron van troost.
De hoofdpersoon vindt zijn weg, en weet dat het half jaar dat zijn leven bestond uit het universum van die loods vol ongerijmde spullen bij elkaar, hem voorgoed hebben veranderd. Hij zegt daarover op een van de laatste bladzijden:
Stakkers vond ik het, maar het waren sprokkelaars; mensen die met al hun kracht en tekortkomingen hun bestaansrecht bijeen sprokkelen.
De roman nodigt uit om meditatief te lezen.
Elke beschrijving van een voorwerp of interactie verwijst tegelijk naar dat ondoordringbare woud én de gekleurde bewegelijke kaleidoscoop, die het leven zelf is.
























