De allereerste foto die ik als kersverse Member van de MET maakte, blijkt van Nederlandse afkomst, maar eentje die via zijn schilderstijl dit maskeerde.
Ik zag op een rijtje vijf schilderijen van Vermeer die ik nog niet kende. Ik dacht dat de grote Vermeer-tentoonstelling in 2023 (zie blogje Vermeer! Zó geweldig!) ze allemaal bij elkaar had gebracht, niet dus.
Het schilderij van het dienstmeisje aan een rommelige tafel, heeft iets geheimzinnigs, Vermeer blijkt eerst een gestalte in de deuropening te hebben bedacht, maar weer weggewerkt. Het meisje met de witte kap, lijkt niet helemaal af, vind ik, de contouren zijn vaag, maar het is wél prachtig! Zo’n dagelijkse handeling, betrapt in de actie, zich zelf ongezien voelend.
En dan hing er nog een hele grote, die over de katholieke kerk ging, veel complexer en drukker dan zijn overige werk, maar wel met alle beeldelementen die Vermeer overal gebruikte; een opvallende tegelvloer, een gordijn, een achtergrond die iets vertelt over de sfeer en het thema.
Er hingen ook werken van Rembrandt en deze twee vrouwen troffen mij. De ene uit een rijk milieu, behangen met juwelen, met in haar hand een bloem, die ook symbool staat voor trouw, de andere is Hendrickje Stoffels, dochter van een soldaat, zij was aanvankelijk zijn huishoudster, later moeder van zijn kind. Beide menselijk en kwetsbaar geschilderd, die gelaatstrekken, daar is hij zó goed in. De ‘arme’ lijkt tóch iets gelukkiger en dichterbij zichzelf gegrond, dan ‘de rijke’.
Eigenlijk had ik wel weer genoeg beleefd voor een dag, maar ik begon pas.
Als tegenhanger van al die Nederlandse schilderkunst, besloot ik naar een verzameling te gaan die werken van Indianenstammen van over heel Amerika had verzameld. Het begon met een moderne indiaanse kunstenaar; zij heeft een welkomsdeken gemaakt met daarop alle stammen die zijn weggewerkt, met in de sleep op de achterkant de vanzelfsprekende genocide die George Washington promootte.
Er waren kledingstukken en sieraden bewerkt met glazen kralen en deze trof mij omdat er speels om werd gegaan met de afbeelding van de Amerikaanse vlag in een tas.
Ook was er oeroud bewerkt ivoor, met zoveel expressie erin, uit de 2e en 3 e eeuw; zoiets hebben de germanen en aanverwanten niet in Europa nagelaten.
Ronddwalend, kwam ik uit bij de Egyptische afdeling, het museum bouwde een glazen zaal over de tempel heen en Giacometti bleek er wonderwel goed te passen; niet geheel toevallig, hij bleek zelf toen hij in Parijs woonde, regelmatig naar het Louvre te gaan, Egypte fascineerde hem.
Mij viel nu het levensymbool van de Ankh op; in en op de kisten waar de mummies in gelegd werden; dat mensen altijd bezig zijn geweest met onsterfelijkheid en eeuwig geluk…
In mij riep het steeds luider: Niet meer, niet méér! Letterlijk dus, ik had meer dan genoeg gezien voor een dag, ik was oververzadigd, het is overweldigend, ik had de tijd verloren, het bleek ook gewoon al sluitingstijd.
Onderweg dit verzengende schilderij.
En deze vertederende jongeman onder een struik op een flard van een zijden kleed uit twaalfde eeuws Iran.
En deze vleermuis uit de 18 eeuw uit Calcutta, India, zei ‘dag!’ bij de uitgang.
Buiten regende het nog steeds, niet echt aantrekkelijk voor een wandeling door Central Park.
Er stond een bus gereed en ik sprong er op het allerlaatste moment in en deze ging geheel over Fifth Avenue, leuke sightseeing van al die bekende plekken, die ik dit jaar nog niet gezien heb.
De eindhalte was in East Village en ik wandelde zonder na te hoeven denken, zó naar Chinatown.
Ik at er met de hand gemaakte Rice-rolls in een oud pandje met een geheel gemoderniseerd interieur, maar er werkten oudere mensen. Ik kan me zo voorstellen dat hun kinderen tot vernieuwing hadden gemaand. Er werd heel veel afgehaald en het smaakte mij ook opperbest.

















































