‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid’; de eerste regel van het gedicht Mei van Herman Gorter. Ik fietste om half negen in de ochtend door een geurend bos, nog van de zware regen en wind van de avond ervoor en zag in het Deelerwoud, 2 km over een half verharde weg, het vingerhoedskruid roze en paars tussen de dunne stammen groeien. In het rivierengebied tussen Arnhem en Nijmegen bloeiden de rode papavers en witte margrieten in het hoge malse groene gras, de eerste tweevoudig kiem van de mais trok rechte en bochtige sporen in de bruine aarde, er vloog een ooievaar over gele boterbloemen, de Gelderse roos geurde zoet en ik dacht: Mei, dat is toch wel de opgewektste maand van het jaar’.
S’middags ging ik naar de Queer Kunstshow georganiseerd door IDEM en nichtje V. is daar medeoprichter van. Zo was ik ooit medeoprichter, nou ja, net niet van het eerste uur, van GOBI binnen het COC. Ik heb de organisatie wel mee doen groeien van één groep, naar vier afzonderlijke groepen, een maandelijks Bicafé, jaarlijks een Herfstfeest waar mensen uit het hele land op af kwamen en ook uit Keulen, waar we met de bi-organisatie aldaar tezamen op een praalwagen dansten en zwaaiden op Christopher Streetday, met een mensenmassa van vijf rijen dik. Spelletjesmiddagen, een fotografiesessie, een hobby-club, filmavonden en lezingen organiseerden we ook in de toenmalige Villa Lila, nu het Roze Huis.
En nu zie ik mijn volgende generatie die een eigen familie en leefklimaat wil scheppen.
Ook deze locatie; De Klinker had iets van een sentimental journey; wij kwamen ook hier bijeen en aten dan tezamen aan een lange tafel. De anarchistische sfeer is nog dezelfde, de boekenkast is van enkele planken een hele muur geworden. Leuk.
Bij binnenkomst dit van ene Alex, waar later bleek, dat je er écht in mocht krassen. Wellicht zou er uiteindelijk iets soortgelijks vrolijks uit kunnen ontstaan:
Sommige dingen zijn niet veranderd; het je teweerstellen tegenover een soms ook vijandige omgeving die vindt dat je niet mag en kan zijn, die je bent. De negatieve vooroordelen, de boodschappen die je kunt krijgen waar de moed je van in de schoenen zakt. Maar dít is dus wel veranderd; de Queershow werd aan elkaar gepraat, met ook eigen performance door een transvrouw, Laura Jasmijn. Ze durfde kwetsbaar te zijn, maar ook strijdbaar. In mijn tijd kan ik mij vooral de vele gesprekken herinneren die ik in het bicafé en aan de telefoon had met mannen die niet wisten hoé ze vorm konden geven aan hun gevoel dat ze vrouw waren, minutieus volgde ik wat ze deden om iets meer zichtbaar te worden.
Het grote oog, dat staat voor al die blikken die je op je voelt als je op straat loopt. Het publiek mocht deelnemen door op haar lichaam een handafdruk te maken met rode verf, terwijl er voorgelezen werd, wat zij allemaal te horen heeft gekregen in dat hele traject van de therapeuten en ‘hulpverleners’. Zo’n afdruk maakt duidelijk hoezeer een omgeving je kan beïnvloeden, maar is is tegelijkertijd een verzoening die aan je gegeven wordt omdat iemand uit je eigen gemeenschap jouw lichaam teder aanraakt.
Onderwijl heeft ze wel met het oog, dat ook al eerder in een tekening aanwezig wordt, gelopen in de stad; Nú kijk ik ook naar jou.
Er waren zo’n zestig mensen. Nichtje V. deed drie stukken, met drie sferen of energieën. In het laatste een ‘vergezicht’ en een ‘dieptepeiling’, dat alles tegelijkertijd kan bestaan, naast, op, boven, onder, in, met elkaar. In het grote heelal, de zeeën en bergen, de aarde, het onderkruipsel in de microkosmos. Ze woonde in haar woorden; geweldig.
Vanochtend zag ik dit liedje van Joni Mitchell, dat al een leven lang met mij meegaat, overgedragen van de ene generatie in de andere, gezongen door twee generaties; het leven bekijken van Both Sides Now, met alle illusie die er ook bij hoort, want uiteindelijk weet je maar weinig.
Maar wél elke keer ‘een nieuwe lente en een nieuw geluid’, elk jaar is er weer een Mei.








