dinsdag 8 juni 2010

samen stil

Vanochtend werd ik blij wakker. Ik ging voor het eerst mediteren bij M. die, wanneer je meditatief en heel langzaam fietst, hoogstens 8 minuten van mij vandaan woont. M. heb ik leren kennen in het visioengroepje van zuster B., waar ik na de eerste keer wel uit ben gegaan, want tja, er is een tijd van visioenen dromen, maar ook weer een tijd van simpelweg dóen, maar gewoonweg leven en daarin bakens verzetten wanneer je voelt dat dit nodig is.

M. wilde nog weleens met mij afspreken en daaruit is uiteindelijk het idee onstaan, om zomaar samen te gaan mediteren, een keer in de twee weken bij haar thuis. M. voelt zich verbonden met Ierse clarissen, die elk in een eigen tuinhuisje, ofwel kluis, wonen op een groot terrein met daarbij drie grote cirkelvormige gemeenschappelijke ruimten: om te bidden en vieren, om te eten en te koken, om te werken.

Dat idee van een eigen kluis en van daaruit elkaar ontmoeten en samen vieren, dat is de bron van 'ons' idee, om regelmatig samen te mediteren. Een soort zusterschap vanuit het eigen huis. En vanochtend was de eerste keer. Thuis voelde ik voor het eerst, hoe anders het is om je huis te verlaten omdat je buiten wat te dóen hebt, dan als je weg gaat om ergens anders alleen maar met een ander Er te ZIJN.

De dag kleurde in dat eerste uur vanzelf mild,met iets stralends daarin. Ja! Dit is een goed plan, zo ervaarde ik verheugd. M. woont in een flat op de zesde verdieping, hoog tussen de bomen in. De 'hal', waar alle deuren centraal op uit komen, dat is, met alle deuren dicht, haar kapelletje en daarin had ze nu wat verschoven zodat er meerderen kunnen zitten. De volgende keer doet haar bovenbuurvrouw ook mee, maar die meldde zich nu snotterend ziek, af.

Het was heel fijn en prettig. Een muziekje, een tekstje die begon met: 'de dag dat ik al mijn opsmuk en al mijn versierselen, alles wat ik moet zijn van mezelf en anderen, de dag dat ik dit alles afleg, dan komt mijn Ware Ik tevoorschijn.' Zoiets. Daarna 25 minuten stilte en toen weer een muziekje en nog een keertje dezelfde tekst voorlezen.

We waren het na afloop helemaal eens: een prima concept. De cd was een stilte-cd: muziekjes met lange stiltes daartussendoor. Mijn gedachte onderwijl, dat zij nu de hele tijd op de tijd moest letten en dat niet helemaal evenwichtig is, als je maar met zijn tweeën bent, was dus niet nodig geweest.We hebben nog wat gerommeld met een witte doek voor een deur, want zuurstofvoorzienig met enkele kaarsen en meer deelnemers dan twee, dat kan een probleem worden.Dus een deur moest open en het wordt waarschijnlijk een oude vitrage die met een spijkertje erbij kan worden opgehangen.

Na een uurtje was ik weer buiten. Nog iets drinken, dat verstoort in feite wat je samen beleeft hebt.Een ervaring die we ook zo deelden: Het heeft iets moois, om gewoon daarna vanuit de stilte, allebei weer je eigen weg te gaan.

maandag 7 juni 2010

Sneu

Tja, wat doe ik als ik de keuze heb tussen een stad vol muziek, lachende mensen, een kleutertje dat meedanst met het acapella koor, swing bij het bierfeest ietsjes verderop tussen de cafés, of de kerkklokken die luiden?

Ik hád me al voorgenomen om naar die kerk te gaan om daar de Vespers te horen van Huub Oosterhuis, gezongen door een koor. Om 14.30 uur gezamenlijke repetitie!, meldde de zondagskrant. Maar dat royale gebaar, dat liet ik maar aan me voorbij gaan. Meestal kun je vespers, waar men alternerend zingt, zó meezingen, als je de eerste keer luistert. Eenvoudige melodielijnen en bovendien zing ik toch hoogstens heel zachtjes mee, want ik kan geen toon houden.

Ik ging toch maar naar de Vespers. Was wel benieuwd wat Huub Oosterhuis, die zo'n beetje in de ban is gedaan door de katholieke kerk, ervan bakte. Op muziek van Tom Löwenthal, één van zijn vaste componisten. Ooit eerder naar hun Kerstdienst in De Rode Hoed gegaan, en ik moet eerlijk zeggen dat ik toen na afloop het idee had naar een uitvoering van iets te zijn geweest, in plaats van samen gevierd te hebben.

Maar oké, bij deze Vespers zou dat niet zo bezwaarlijk hoeven te zijn. Tenslotte vielen ze in de dag waar de stad haar muzikale talenten aan het etaleren was. Er zat ongeveer helemaal geen 'publiek' in de kerk. Bovendien was er wél een voorganger in liturgisch gewaad, die na een plechtig welkom, een stukje van Paulus voorlas dat ging over het brood en de wijn die Jezus deelde, de basis van de eucharistie, het heiligste Sacrament der Katholieken, want o, ja het was Sacramentsdag.

Verder ontstak hij eenmalig wat wierook en stond aan de zijkant van het koor, met piano en andere instrumenten mee te zingen. Aan de helemaal andere zijde van mijn bank schoof een vrouw halverwege aan, met een beker jus d'orange en een broodje in een zakje, dat ze met veel knisper en kraakgeluiden tevoorschijn toverde en opat. Ik geloof niet dat ze door had dat de akoestiek van de kerk ervoor zorgde, dat je haar welhaast hoorde kauwen en doorslikken. Die vierde haar eigen eucharistie.

Het was wat sneu, allemaal. De dirigente maakte grootse gebaren richting het kerkvolk wanneer die mee mocht zingen, maar er zong helemaal niemand mee. Het lijkt alsof de kerk zichzelf wegdroomt in een volle bak met hemelse heerscharen, terwijl alles wat vrolijk en luchtig en een beetje naar hemelse herrie riekte, zich buiten bevond.

Ook de woorden van Oosterhuis en de muziek van Löwenthal: het was te ernstig en te pretentieus naar mijn smaak. Ik weet het niet hoor, maar alleen met speelsheid en pretentieloosheid en domweg wat plezier, dan lukt het volgens mij en wil het wat worden.

zaterdag 5 juni 2010

Sugata Mitra

Gisteren definitief de zomer ingeluid door op een Waalstrandje een zandkasteel te bouwen met nichtje L. Met twee bruggen en twee grachten om het steeds maar stromend rivierwater, dat wanneeer er boten langsvaren op eb en vloed lijkt, te kunnen trotseren. Ook nog een waterbekken erbij gegraven waar de denkbeeldige paarden van de ridders en de jonkvrouwen konden drinken en een zwembad voor de mensen. Onderwijl neuriede ik country roads, take me home, van John Denver, en L. zong daar de tekst bij van haar stamgroep-eindviering: dankje wel allemaal... Ze wil privézangles. Om het beste uit haar stem te halen, zo zegt ze.

Daarna fietste ik over de Waaldijk naar de Clarissen voor de meditatie. Veldbloemetjes geplukt voor in het midden van de kring en R. de abdis zei dat ze van de meditatie wel erg veel zin kreeg in vakantie en erop uit trekken: uittocht!

Diep in de nacht zag ik een andersoortige uittocht op de tv: de Indiase professor Sugata Mitra vertelde over een project, dat Hole in the Wall is gaan heten. Hij kwam op het idee in Delhi, waar aan de ene kant van de muur een instituut was vol computerdeskundigen en aan de andere kant een sloppenwijk. Hij observeerde dat voor de computermensen de andere kant van de muur als het ware niet bestond, die negeerden die kant en willen liever dat die er niet zou zijn.

Terwijl aan de kant van de sloppenwijk, kinderen vaak probeerden om over de muur heen te kijken. Die bekeken de overkant met een nieuwsgierigheid, zoals wanneer je in de dierentuin zou wandelen. Hij besloot een gat in de muur te maken, op kinderhoogte en daarin een computer met een browser te plaatsen. Verder niks. Op videobeelden legde hij vast, hoe het eerste jongetje nieuwsgierig naar het venster kijkt en met de ingemetselde 'muis' gaat spelen. Hij haalt er andere kinderen bij. Binnen zeer korte tijd kunnen de kinderen met de computer omgaan, geheel zichzelf aangeleerd.

Fascinerend, hoe hij het experiment vervolgens in heel India heeft uitgevoerd. Omdat India een land is met een zeer grote diversiteit, van de koude Himalaya tot het hete zuiden, van dorpen totaal afgezonderd van de wereld en dorpen waar men geen engels kent en nog nooit een computer heeft gezien, plus plekken met allerlei levensbescouwingen en eigen kultuurtjes, waarborgt het experiment, het universele resultaat: overal leerden kinderen op eigen kracht met de computer om te gaan. Meisjes en jongens gelijk en daarom moest de computers ook buiten aangebracht worden en niet ergens binnen, want dan zouden de meisjes niet meer aan de bak komen.

Kinderen vormen vanzelf groepjes en ondersteunen elkaar. Ze helpen elkaar en wat de ene niet weet of kan, dat kan een ander. Intelligentie en leeftijdsopbouw speelt geen enkele rol. Al viel wel op dat de jongere kinderen sneller leerden dan de oudere.

Dit is toch heel inspirerend, vind ik. De computer is ook zó gebouwd, dat volwassenen er bijna niet bij kunnen, ze zouden acuut pijn in de handen en in hun houding krijgen. Dus toegang tot pornosites, gebeurt niet. Maar kinderen doen onderwijl van alles: ze surfen, doen videospelletjes, leren het westers alfabet, kennen al snel alle relevante computerwoorden.

Ik word daar heel vrolijk van. Alsof de menselijke geest betrapt is in de onbedorven staat, wanneer concurrentie en macht nog geen rol speelt en alleen maar de nieuwsgierigheid telt. Dat je elkaar dan vanzelfsprekend op weg helpt en samen, zonder docenten van boven, heel ver komt. Hij heeft nu 300 gaten in de muur in India en al die computers zijn met elkaar verbonden en hebben een videokonnektie, zodat hij in Delhi iedereen volgen kan en ze bezig kan zien.

Je zou willen dat dit wereldwijd geïnstalleerd werd. Zoals ik ook zou willen dat ze in de Afrikaanse woestijn zonnepanelen zouden plaatsen, zodat iedereen daar electriciteit heeft. Maar ja. Zo zit de wereld vooralsnog niet in elkaar. Het zou de 'marktwerking'in de wereld grondig verstoren. Daarom stem ik ook SP, als ik dan toch maar even een stemadvies de wereld in mag slingeren van mezelf. Marktwerking in de zorg, het onderwijs en publieke diensten, dat gaat altijd ten koste van de zwakkeren en hen die nog niks hebben.

En nu ga ik zonnebrandolie kopen, wat boeken lenen en de rest van dit zonovergoten weekend voornamelijk aan het water op strandjes liggen. Gratis en voor niks.

donderdag 3 juni 2010

Weer en weer

Ik liep wat te mijmeren in een zonnig bos en bedacht dat er verschijnselen zijn die helemaal nooit veranderen. En dat er andere dingen zijn die voortdurend veranderen. Wat blijft, dat zijn dat universele gevoelen en verlangen: naar liefde en je verbonden voelen met anderen. Plus helaas, de tragiek van een ander niet kunnen bereiken, dat wat Het Menselijk Tekort heet.

Wat verandert, daar heb ik de afgelopen weken over gelezen. Ik las in de biografie van Van het Reve van Nop Maas, deel 2, de Rampjaren. Hoe homoseksualiteit in zijn tijd werkelijk iets uitzonderlijks was. Hoe ik indertijd van die Revisten kende, die zich als flikker ook een welhaast nieuw mensenras waanden: Creatiever, en Kunstzinniger en Echter. Hele discussies heb ik nog gevoerd.

En ik zag op dvd Annie Hall, van Woody Allen. Ik heb ze toch allemaal wel bekeken in mijn studentenjaren, die films van hem. Films, dat was altijd onderwerp van gesprek in mijn toenmalige relatie en Woody Allen, dus ook. denk ik: wat een egootje is daar bezig om zichzelf te verwerkelijken. Wat self-centered en ook wat pedant. Hoe een heel jonge Diane Keaton hem gracieus ontwijkt en ontsnapt uit zijn leven. Zo zijn relaties volgens mij niet meer, dat gedraai om elkaar heen. Het is nu veel meer een 'gezonde' ruil van interesses en capaciteiten, elkaar gelijkwaardig steunen en bemoedigen. Denk ik.

En uit de afvalwagen bij het Koniginnedagpuin had ik een oud kinderboek gered: Onder het strooidak door C.M. van Hille-Gaerthé. Met voorin, in ouderwets geschreven letters van zwarte inkt dat tegen water kan: 'Elisabeth Cassée, Ter geschenke ontvangen van Tante Cor en Oom Freek op 16 September 1924.' Een heerlijk dromerig verhaal van een zoete zomer, waar ook nog eens Franciscus van Assisi in figureert, dat zich afspeelt in de elite- kringen in een mooi huis op de Veluwe en een grachtenpand in Amsterdam.

1924: Dan realiseer je je hoe onbeschreven de kinderziel nog was. Er was nog nauwelijks kinderliteratuur. Dik Trom in Nederland, en Alice in Wonderland en Winnie the Pooh wellicht uit Engeland? Geen Pipi Langkous, nog geen Hoe overleef ik...van Francine Oomen. Kinderen hadden nog geen eigen leefwereld met alles daarop en daaraan, ze verveelden zich hoogstens tijdens lange zomervakanties.

Dit soort dingen, die werken als een soort tijdmachines, diep, diep, mijn eigen geest in. Hoeveel je daarin al hebt zien onstaan en hebt zien vergaan. Van hoeveel dacht je indertijd dat het Altijd Zo Zou Blijven? Van hoeveel mensen heb je niet afscheid moeten nemen omdat deze niet mee konden gaan in de groei en veranderingen van die geest?

Het is de Dood in het leven zelf: wie vast wil blijven houden aan wat ooit was, in illusie en beelden van de ander, die helemaal niet meer zo bestaat. Wat blijft, dat vraagt als voedsel de voortdurende openheid naar verandering, paradoxaal genoeg. Elke keer de ander willen ontmoeten in weer een andere gestalte en verschijning. Weer en weer en weer en weer....

En dat wat hetzelfde blijft in die ander, dat is misschien wat ook hetzelfde blijft in jezelf. Een levende kern van liefde en blijven uitkijken naar die andere: elk ander.

Trekvogels

Eindelijk zomers weer en voor het eerst mijn ruggetje gekoesterd in de zonnestralen. Ondertussen me bezig gehouden met de meditatie van morgen. Rondom de laatste regel van Ida Gerhardts gedicht 'Uittocht'. En de regel luidt: Trekvogels, hun baan recht boven ons, naar het beloofde land.

Geinspireerd door alle vogels in de tuin, sta ik eerst maar even stil bij het gegeven dat trekvogels jaar in jaar uit, op vaste tijden komen en gaan en dat ze zich verschillend nestelen. De zwaluw nestelt dicht bij mensen, bijvoorbeeld in een boerenschuur. Mussen houden niet van eenzaamheid, want ze zitten allemaal bij elkaar. Terwijl de ooievaar juist een hoge plek zoekt, alleen, waar ze kan uitkijken over het land. Ik vraag mensen om aandacht te geven aan de trekvogel in je: je innerlijk kompas, iets in je dat feilloos weet hoe te vliegen. En kijk eens naar de wijze hoe jij je nestelt...

Woorden van de profeet Jesaja begeleiden de eerste stilte:
Zelfs de ooievaar weet zijn tijd
de tortel, de zwaluw en de reiger
hebben een vaste tijd voor hun trek.

Voor de tweede stilte kijk ik naar het oeroud bijbels beeld, dat wij, als trekvogels altijd onderweg zijn. En dat bij de beweging van op-weg-gaan, ook altijd een thuiskomen beloofd wordt: Het beloofde land. Dan kan een plek buiten je zijn, een nieuw verblijf, woonplaats, een ander huis. Of je komt thuis bij andere mensen. Maar het kan ook gaan over een plek in je zelf: de reis naar binnen, naar een plek in je ziel waar je thuis bent bij jezelf en bij de Levende, bij God. Voor wie stil zit en luistert en wacht...

De eerste 7 regels van psalm 84 begeleiden de tweede stilte. Met regels als:

Zelfs de mus vind een huis en de zwaluw een nest waarin ze haar jongen neerlegt (...)gelukkig wie wonen in uw huis(...) gelukkig de mensen die sterk zijn in U, met in hun hart de wegen naar U. Trekken zij door een land van dorheid, het verandert voor hen in een oase.

Tot slot de Zegewens, die ik al veel langer geleden schreef, toen het ging over de Parel van de Zorgeloosheid. Maar de vorige meditatie werd deze ook al gebruikt en ik vind het nu dus ook weer toepasselijk:

Moge je zijn als een vogel in de hemel,
je vleugels uitslaand
de ruimte verkennend
vrij en onbezorgd.

Moge je zijn als een vis in het water,
volkomen
in je element,
vertrouwend op wat komen gaat:
alles mondt uit in de zee.

Moge het leven je omarmen,
je zacht en geduldig maken,
vol overgave, thuis waar je bent,
in vrede met jezelf.

woensdag 2 juni 2010

Geluk

Vanochtend werd ik wakker met de woorden van iemand uit de Franciscaanse leesgroep. Die zei gisteren, bij de heel korte evaluatie van dit leesjaar. 'Wij rijden vaak terug en dan zeg ik tegen F: 'Dit is weer een gelukkige avond'. Het woord geluk, viel bij meer mensen. Wat is het toch een mooi woord! Geluk. En wat is het toch bijzonder om gelukkig te kunnen worden omdat je met elkaar je leeservaring deelt, in dit geval van de Fioretti, de Bloempjes van Franciscus.

Dat alleen maar delen met elkaar, daarvoor genoeg is. F. vulde aan 'Want als we dan bij elkaar in stappen in de auto, dan hebben we allebei alleen dat verhaaltje gelezen en dan kijken we elkaar aan en zeggen: nou wat het vanavond zal brengen, ik weet het niet, ik kon niks met het verhaaltje, jij ook al niet?... wat een raar verhaaltje.'

Hoe wonderlijk de geest kan werken. Want het zijn dezelfden die ter plekke ook altijd verrassende dingen zeggen. Hoe zou dat in het werk gaan? Ik heb het zelf ook weleens, zelfs wanneer ik de groep begeleidt. Je verzint een leidvraag en voor na de pauze heb ik meestal meerdere opties open staan. Afhankelijk van hoe het gesprek verlopen is. Maar soms denk ik ook van te voren: misschien moeten we vanavond maar gaan concluderen, dat dit toch echt een achterhaald en wat oudbollig verhaaltje is.

Je werpt wat op, zo'n beetje als een hengel uitgooien, met wat aas, en helemaal niks vangen behoord zeer tot de mogelijkheden. Er is een stilte, mensen beginnen dingen op te schrijven, je ziet ze soms al glimlachen. Het lijkt alsof er ter plekke een weefsel van vruchtbare gedachten gaat hangen, alsof iets fijnstoffelijks een samenhang maakt van alle aanwezigen, een soort bindweefsel, een feestelijke slinger.

Ik weet ook niet hoe het werkt. Maar ook ik kom vaak gelukkig van die leesgroep vandaan.

dinsdag 1 juni 2010

Schola

Gisteren was het weer Schola in de Abdij van Diepenveen. Het zijn vaak wonderlijke middagen en gisterenmiddag schoot dat besef weer door mij heen. Wat doen we daar eigenlijk? Hoe vreemd en uitzonderlijk is het om er op een vanzelf sprekende wijze te praten over de 'weg' die je gaat dichter naar 'God' toe. Dat dit het belangrijkste is in je leven en hoeveel en wat je daarvan af houdt.

Nu kwam dit ook omdat we ons weer zijn gaan buigen naar Cassianus, een oude woestijnvader die vertelt over zijn nieuw gevonden leefwijzen, de eerste experimenten, die later zijn uitgemond in kloosterlijke leefwijzen. Hij introduceert het cenobietenleven, het leven in gemeenschap, geinspireerd door een tekst uit Handelingen (4;32) : De menigte die het geloof had aangenomen, was één van hart en één van ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel ze bezaten alles gemeenschappelijk.

Dít gebeurde er dus, in de eerste gemeenschappen na de dood van Jezus. Heel bijzonder als je erbij stil staat. Een idee dat toch als een soort heimwee in de mens besloten zit: ook het Marxisme bijvoorbeeld en het Socialisme putten uit dit gedachtegoed. Wie intreedt in een klooster, geeft letterlijk vrijwillig alles af, maar voor de rest van de mensen is het in de alledaagsheid ook een beetje een idée fixe.

Je zult het van je houding moeten hebben om de rijkdom ervan te ervaren. En die rijkdom, die heeft iets met 'God' te maken of in andere terminologie: met dat wat Uiteindelijk gelukkig maakt: een vermoeden dat we allen één zijn en met elkaar verbonden. Iedereen voelt daar wel iets van aan: als je deelt, maakt dat gelukkiger dan alles verkrampt voor jezelf houden. Alles willen controleren en jezelf tot middelpunt van het universum maken, dat maakt depressief en eenzaam.

Die houding: die vindt in elk leven een volstrekt eigen en unieke vorm. Alleen in de Schola zelve, blijkt al iets van die diversiteit. De ene wás ooit dominee, maar noemt de theologie opleiding nu, een scholing tot partij-ideoloog. De andere is nét dominee geworden vanuit een kantoorbaan en verlangt ernaar om vanuit het gebed en de stilte iets te delen van zijn rijkdom. De andere is astroloog en vertaalt boeken bij uitgeverij Altamira. Weer een ander heeft, van huis uit Protestantse, een nieuwe kloostercommuniteit opgericht, maar woont nu alleen in een rijtjeshuis, maar blijft dezelfde Zuster. Er is een monnik, een priester met kinderen, een gepensioneerde chemicus, een huisvrouw... en ikke.

Ik zelve hoor me dan zeggen dat ik in het algemeen 'maar- wat- doe'. Dat ik nooit meer nadenk over keuzes en zwaarwichtigheden en er een beetje op los leef. Dat het leven alleen maar gelééfd kan worden en je vanzelf wel weer struikelt over stenen en keien op je weg en je die dan ter plekke kunt proberen op te ruimen. Meer is er niet. Je weet nooit wat het Goede, definitief en voor altijd is. Dat is er ook niet.

Elke dag ruimte maken om iets zachts en teers toe te laten. Stil te ervaren dat er een stroom is die door het leven heen gaat, die je meeneemt en draagt en verbindt met Al het andere... zoiets, dat is het enige wat voor mij telt. Wat daarvoor alleen maar nodig is, is je af en toe afzonderen. Alleen zijn in de stilte. Cassianus noemt dit het anachoretenleven, ofwel het kluizenaarleven en noemt het een bloem of een vrucht van het cenobietenleven.

In allerdaagse terminologie: men behoeft een leven in afwisseling tussen samen-zijn en alleen-zijn. Heel simpel allebei in de gaten houden en in balans met elkaar brengen en men zal zichzelf leren kennen en Gelukkig zijn.