vrijdag 31 mei 2013

The Humping Pact

In Vrij Nederland van deze week staat een leuk artikel. Wat het eerst opvalt zijn de drie grote foto's erbij. Je ziet wel 50 naakte mannen op gebouwen hangen, liggen, staan, het lijkt wel of ze met het gebouw aan het vrijen zijn. Op de trappen van het justitiepaleis in Brussel dat al 10 jaar in restauratie is, in een theaterzaal, op een modern groot grijs plat dak met allemaal oudere huizen erom heen met rode dakpannen.

Bij nader inzien blijken het maar twee mannen te zijn, Diego Agullo en zijn partner Dmitry Paranyushkin. Ze maken de foto's van elkaar om beurten, bij voorkeur tegen het einde van de nacht, wanneer de ochtend komt, want dan is de kans het kleinst dat ze betrapt worden. Die foto's zetten ze laag voor laag over elkaar heen, met dat uiteindelijke resultaat: het lijkt alsof het naakte vlees van lichamen een verbinding aan gaat met dat stenen gebouw.

Ze kiezen bij voorkeur gebouwen met een geschiedenis of met vergane glorie. Zo willen ze het gebouw nieuw leven inblazen en mensen dwingen om op een nieuwe manier te kijken. Ze noemen hun project The Humping Pact. Ze zijn niet exhibitionistich ingesteld, willen ook niet shockeren. Je mag ze artiest, ondernemer, pornograaf of kunstenaar noemen, maar dat zou hun project ook tekort doen, zeggen ze. De ene is van huis uit econoom, de andere filosoof.

'Je stelt je ontzettend kwetsbaar op door iets naakt te benaderen. Het humpen zal op sommigen overkomen als obsceen, maar de beweging wordt gemaakt uit liefde,' zeggen ze. Mij doet dat meteen denken aan Plato. Die zegt dat alles in het leven bewegen is en dat de beweging die alles tot leven wekt en het leven onderhoudt Eros is: de liefde

Ik vind het een mooie actie door de verschillende soorten van handelingen die bij elkaar komen: het verborgene van de nacht en de dag, dat schemergebied opzoeken, je lichaam, je huid, alles aan je, laten vrijen met de stenen en gebouwen, ooit gemaakt en gebruikt door andere mensen, het daarna alles bewerken en laag voor laag een nieuwe werkelijkheid tevoorschijn halen. Een ontmoeting van het intieme en het openbare, het kwetsbare vlees en de harde steen.

De foto's stellen mij de vraag: Wanneer blazen we iets leven in en wordt het daarmee echt en authentiek, wanneer blijft iets dood en zijn we slechts klonen van onszelf?

donderdag 30 mei 2013

Worshipsongs

Ik heb iets nieuws ontdekt: Worshipsongs heet het genre. Hoe krijgt de EO op haar jongerendagen een heel stadion vol? Dan treden er allemaal jonge musici op met aanstekelijke popliedjes die iets hebben waardoor het jonge hart in katzwijm raakt. Dat zijn dus worshipsongs. Veel van de liedjes zijn gericht naar een you, en als je niet goed luistert naar de woorden, dan kan dat iedereen zijn. Nou, niet iedereen: de you is betrouwbaar, liefdevol, vangt je altijd op als je valt, zet je in vuur en vlam en is  altijd en overal te ervaren: 'Onder je huid en in een verre bergtop', zingt een liedje. De ideale geliefde, dus.

Ik luisterde naar liedjes van Matt Redman met titels als: Here for you, We are free, Fires, We could Change the world, Holy, Endless Halleluja, Magnificent, 10.000 Reasons. Ja, ja ja! Een steeds herhaalde beaming dat het leven, jij, een ander, de moeite waard is en er Wonder en Liefde doorheen straalt. En ik geloof dat het dan ook zo is: de kracht van woorden en muziek: ze roepen iets op en daarmee wordt het waar. Tenminste in dat hier en nu, als je die betekenis eraan kunt geven.


De liedjes van Leeland zijn meer verhalend: Count me in, Opposite way, Falling for you en alleen wie goed luistert,  hoort dat de 'you' God is en/of Jezus. Maakt dat de wil, de intentie, het verlangen van die liedjes nu heel anders? Wat zijn woorden waard? Ik denk aan de liedjes van Huub Oosterhuis: die ene die niet in het nieuwe Liedboek van de kerk is opgenomen door de regels: Hij doet met ons, hij gaat ons in en uit. Volgens de feministen is dat seksistisch en Riet Bons-Storm noemt het een kleine overwinning.


Die naam: Riet Bons-Storm, die komt uit mijn brein gekropen uit de feministische theologische holen van heel vroeger. Ook toen al vond ik het een donkere naam, het heeft iets onheilspellends. Piet Geenen heeft er in Trouw van 29 mei een geinige strip van gemaakt: 'Hij moet ons eerst vragen of hij ons in en uit mag...'over overweldigende liefde mag zo niet gezongen worden. Wat wel mag is: 'Hij doet met ons in de praatgroep mee, hij ruimt de vaatwasser in en uit.'

Woorden zijn waard,  wat wijzelve daar aan betekenis hechten: ze zijn niks waard, of alles. Ze vervluchtigen met de wind of ze zijn bloedstollend echt, levendwekkend of lachwekkend. De woorden zijn wat we er zelf van maken. Vandaag stond er een reactie van een predikant op de strip van Geenen: Hij kon het lied 'Gods liefde is als een wind...' ook niet meer laten zingen, sinds een paar pubers daarvan gingen proesten van het lachen.

woensdag 29 mei 2013

Blindgangers

Ik zit in een aantal groepjes. Zoals mijn studiegenoten van alweer bijna 30 jaar geleden. En een boekenclub die toch ook alweer 17 jaar ofzo bestaat. Steeds opnieuw kijk ik, ik kan daar niks aan doen, wat het is waarom je bij elkaar blijft komen. Je maakt daar ups en downs in mee. Nu las ik het boek Blindgangers (2012) van Joke Hermsen en dat was zó herkenbaar. Zes studiegenoten in de filosofie vieren hun 30-jarig bestaan in een huisje in Drenthe. Van ieder afzonderlijk lees je van te voren hoezeer ze ook opzien tegen dit weekend en zich afvragen waarom.

Omdat het van oorsprong filosofen zijn, komt die onderhuidse thematiek: wat is de zin van het leven en van elkaar ontmoeten, nu eigenlijk? De ene is filosoof gebleven en is al jaren bezig met een proefschrift dat niet afkomt, waar hij wil laten zien dat het brein en de geest van mensen niet samenvallen. 'Je bent méér dan je brein', een hedendaags thema, maar hoe laat je dat zien? De andere is uiteindelijk chirurg geworden en hangt het hedonisme aan: alleen maar genieten, dat is het doel, want alles, jijzelf verdwijnt: je bent alleen je brein. Een van de mannen lijkt een ras-optimist, maar er breekt iets in hem wanneer zijn twee dochters weer een afspraak afzeggen, die in de tang zitten van zijn wraaklustige ex. 'Geen tekst en geen seks' zo kenschetst hij die ex-relatie.

Bij de vrouwen in de groep is de ene van huis uit zangeres, maar ze heeft haar carrière aan de wilgen gehangen en is moeder en huisvrouw geworden van een  tweeling, maar ze zit in dat huwelijk met die filosoof, waar alles op routine is gebaseerd. Ze durven elkaar nauwelijks meer aan te kijken, laat staan aanraken. De andere leeft in een na-huwelijk met die hedonist: zogezegd goede vrienden en maatjes geworden, maar wat als hij het aanlegt met de beste vriendin van hun gezamenlijke dochter? De laatste vrouw is dichteres geworden, woont nog op haar studentenkamer en kan zich niet goed verbinden met anderen: op jonge leeftijd zijn haar twee avontuurlijke ouders als 'vermist' opgegeven, ergens in de binnenlanden van Afrika.

Wat doe je dan bij elkaar? Het leven van de geest, of die er nu wel nog is na je dood, díe verbindt, zou ik denken. Ergens wil je de zoektocht met elkaar die je ooit begonnen bent en waar je elkaar soms in raakt en vindt, trouw blijven. Ondanks de pijn die je ook aan elkaar kunt oplopen, de onmacht die je hart kan afknellen.

Joke Hermsen kiest in deze romanvorm ook voor het leven van de geest, maar dan zelfs over de dood heen. In het laatste hoofdstuk laat ze een overledene in een 'tussen' doorleven en die gaat op bezoek bij een aantal van de hoofdpersonages, strijkt hun over het gezicht, wil aanwezigheid uitstralen en iets van troost: dat het toch goed gaat met hem in dat 'tussen' en in dat waar hij naar op weg is.

Ik had het boek uit en ging luisteren naaer Symphonie No. 7 van Anton Bruckner, met het Berliner Philharmoniker, en Herbert von Karajan. O! De eerste twee stukken, het allegro en het adagio, ze sneden me door de ziel, buiten in het donker in de tuin. Het leek te vertellen over al die kwetsuren, die zoektochten van het hart en de ziel en de geest, waarover ik net gelezen had. Uiteindelijk verliezen de woorden het en blijven er andere dingen over, zoals muziek.

Tuingenoegens

Heerlijk, dat was het: twee lange avonden buiten in de tuin en de dag ertussendoor ook, heerlijk in de zon en wanneer het donker wordt de lantaarntjes in de tuin aansteken. En wat doet men dan? Tja, lezen zolang het licht is en daarna naar muziek luisteren. Mediteren, de tuin een beetje aanharken, de composthoop als allerlaatste, wanneer de kou weer naar boven trekt, omwoelen. Zo gebruik ik mijn lichaam weer even en kan nog langer buiten zijn.

Mijn tuin ziet er recentelijk weer anders uit. Ik kon bij een tegelfabrikant oude, afgeschreven scherven en stenen meenemen, gratis en voor niks. Dus ik legde een golvende lijn van lichte stenen naar het Boeddhabeeldje en zette een klein Franciscusbeeldje op gestapelde vierkante grijze stenen aan de zijkant, nu staat ie iets verhoogd zoals in een nisje, en van de scherven maakte ik aan halve maan aan de andere kant.

Gisteren legde ik in het lege deel aan de ene kant wat gestapelde ronde keien, tussen Boeddha en Franciscus, en nu heb ik als het ware een klein Zentuintje aan de ene kant! Wat een genoegen om daar strepen in te harken, golvend en daarmee de dag te beeindigen. Aan de andere kant bij het kleine vijvertje waar ik regelmatig kikkers in hoorde springen en twee donkere kikkers tegenover elkaar tussen de dotter zag in- en uitademen, staat een lachende grotere plastic Snoopy in een bloempot, met een poot de lucht in en Tweetie in zijn schoot.

Boeddha, Franciscus, Snoopy: alledrie wit, en ze geven wel zo ongeveer de drie geestgestelheden weer, waartussen ik het goed toeven vind. Zoals de vier in het vijvertje: een zachtoranje goudwinde, een feloranje goudvis en twee gemengd met zwart en wit, zo voelde ik me gisteren als een vis in het water op die paar vierkante meters die mijn achtertuintje is. Vol vogelgeluid: ook dat nog.

maandag 27 mei 2013

Footnote: joodse witz

Ik heb gisteren een heel aparte film gezien: Footnote, heet het van Joseph Cedar, uit Israël. Het won de Palm voor het beste screenplay in Cannes en had een Oscarnominatie voor best foreign language. Ik viel voor de voorkant van de dvd-hoes, waar een oudere man midden in het papier staat, pakken oud papier dat deels al door de versnipperaar is gegaan, hij bladert in een manuscript en alles waait tegelijkertijd weg.

Het gaat over een vader en een zoon, Eliezer en Uriel, beide professor in de Talmoedwetenschap aan de universiteit van Jeruzalem. De zoon is succesvol en wint een prestigieuze prijs. De film begint met een bijna stilstaand beeld: 'De moeilijkste dag in het leven van Eliezer Shkolnik' en daar staat hij tussen zijn boekenkasten en trekt zijn stropdas recht, om naar de uitreiking van zijn zoon te gaan. Eliezer heeft zijn leven gewijd aan nauwgezet onderzoek, maar vlak voor publicatie haalt een andere wetenschapper hem onderuit en zo heeft Eliezer in heel zijn carriere slechts een voetnoot in andermans werk voortgebracht.

De film is apart omdat hij verteld wordt als een soort grap. Een Joodse Witz zo lijkt het,  waar het huilen je vergaat in de lach, waar de tragiek van het leven met een licht korreltje zout genomen wordt, maar het ook proeft naar een bittere pil die nu eenmaal verstouwt moet worden. Want wat wil het geval? De film vertelt vervolgens over 'de gelukkigste dag in het leven van Eliezer': hij krijgt een telefoontje dat hij de Staatsprijs gewonnen heeft, dezelfde waar hij al 20 keer voor genomineerd was.

Alleen was het een fout telefoontje, bedoeld voor zijn zoon. En de zoon wordt daarover ingelicht en die besluit het zo te houden en schrijft de motiveringsbrief waarom Eliezer de prijs krijgt. Zijn moeder verwacht dat Uriel nu eindelijk zijn excuses aanbiedt voor zijn eigen arrogantie: Zijn vader is nu immers toch een groot en erkend wetenschapper? Dus fluistert Uriël zijn moeder de waarheid alsnog in de oren. Exclusief, niemand weet het, ook zijn vrouw niet.

Eliezer is een man van het woord, hij is tenslotte hoogleraar in deTalmoed. Hij ruikt onraad en doet een vergelijkende woordenonderzoek. Het vreemde woord 'bolwerk' komt voor in de motiveringsbrief. Een woord waar zijn zoon onderzoek naar gedaan heeft. Het blijkt 'dreiging, verraad, list' en meer van dit soort dingen te betekenen. En dan gaat vader toch naar zijn 'eigen prijsuitreiking'. Einde film.

Vader en zonen: zo'n Joods en Joods-Christelijk thema. De een komt uit de andere, de ene laat de andere sterven, de andere offert zich op: het is daarbinnen een zeer precaire aangelegenheid. Om geen voetnoot te worden van de ander, dien je je afkomst te overstijgen. En je er tegelijkertijd mee te blijven verbinden. Ha, ha.

Waggelen

Vanochtend arriveerde ik een paar minuten te laat bij de meditatie. Dat kwam zo: ik fietste in dat eindelijk zachtere lenteweer, een ochtendzonnetje dat me mild stemde. Er is een stukje door een park met grote hoge bomen, waar je eigenlijk niet mag fietsen. Daar waggelde midden op de weg een armetierig, krakkemikkig, dik uitgezakt wit mopshondje met rare bruinige en zwarte vlekjes.

Bij de obstakels die er voor fietsen zijn ontworpen, zo'n zigzag van ijzer waar je moet afstappen, wist Mops niet wat te doen. Het gevalletje liep stuurloos en botste met zijn ingedrukte mopsneus bijna tegen het ijzer aan. 'Ach, ja, dat valt niet mee zo'n ochtendwandelingetje', zei ik tegen de begeleidende vrouw. 'Nou, het valt nooit  voor hem mee, niet in de ochtend, niet in de middag en niet in de avond, we doen het er maar mee, zolang als het zal duren, hij is al oud, zo oud!'

Bij de lift naar boven verscheen er eerst een jonge vrouw met een kinderwagen. 'Kom maar, kom dan!', riep ze de lift in. Ik keek erin en zag een klein peutermeisje met heldere oogjes rondkijken. Eenzelfde soort waggelpasje als van Mops. Maar deze was er omdat alles nog in den beginne was, en niet naar het einde toe afliep. Het peutertje durfde niet goed de ribbels over van de drempel bij de lift. Voorzichtig, stapje voor stapje, met die dikke mollige beentjes, die peuters zo eigen zijn, kwam ze de lift uit.

Dus belde ik te laat aan. De beide dames waren al in stilte verzonken, bij het kaarslicht. 'Moge de Engel van het verstaan je bij de hand nemen, je als een oogappel bewaren, moge je gezegend zijn met échte ontmoetingen'... zoiets zei ik. Mops en Peuter: twee kleine ontmoetingen waarin ik kan verstaan dat leven ook altijd een beetje waggelen is, zowel aan het begin als aan het einde en ertussendoor daar waggelen we waarschijnlijk ook, maar meer met onze geest, van het ene naar het andere, langs drempels en obstakels van allerlei soort.

zondag 26 mei 2013

Weekendgevoel

Er is een ouderwets weekendgevoel over me heen gedaald. Zo'n weekende waar niks hoeft, alles mag en je wordt verrast met onverwachte ervaringen. Gisteren zou ik met vriend E. weer een gedeelte van het Scholtenpad gaan lopen rondom Winterswijk. Eigenlijk viel het de vorige keer een beetje tegen. Alhoewel donker, mistig weer wellicht een rol speelt is het toch de eentonigheid van almaar weilanden en losse boerderijen en de asfaltweggetjes die niet echt charmeerden.

E. kwam met een ander voorstel: het Zwillbrocker Venn, ja het ligt in Duitsland, vlak daarbij in de buurt. Ach, wat mooi! Het was vroeger een veengebied, dat is afgegraven: nu een heel grote waterplas vol vogels, een meeuwenkolonie met 15.000 vogels krijsden rond, de thuishaard van Jonathan Livingstone Seagull, zo dacht ik. Er waren ook zwarte aalschovers en het allerleukste: roze flamingo's! Het is de meest noordelijke broedplaats van dit roze soort, het is mijn lievelingskleur en ik word daar vanzelf vrolijk van.

Vandaag dacht ik: ja natuurlijk is het ook mei, de uitbundigheid van al die tinten groen, het malse paars van beukenblad, de schermbloemen die overal in het gras en de bermen bloeit, de gele boterbloemen. En daarbij de witte kaarsen van de kastanjebomen, die anders in April hun hoogtepunt beleven: het heeft ook wel wat die overmaat, zo overdreven bij het koude kille waterweer. Je bevindt je in een decor vol contrasten dat zichzelf als het ware innerlijke tegenspreekt, zoals zo vaak gebeurd in het leven. Maar dat krijgt iets genoegelijks als je het van binnenuit bekijkt vanuit het Valkhofmuseum.

Daar werd mijn zondagse gevoel gevoed door een  beschilderde klavecimbel, een cello en een hobo, die in de Vredeszaal met mooie wandtapijten, stukken van Bach, vader en zoon, en Telemann speelden. En de cello was even alleen aan het woord: een stukje uit 1690 dat geïntroduceerd werd als het: 'gemurmel van monniken in kloostergangen'. Mijn geest gaat dan rondzwerven: van de soberheid en kaalte en uniformiteit van een Cisterzienzerklooster zoals in Diepenveen, naar al die mensen die in hun zondagse kleren aan het luisteren zijn: zoveel kleine wereldjes bijeen, allemaal anders uitgedost.

Ach ja, en dan is het uitverkoop van boeken en cd's in de bieb en vind ik o.a. Apalachian Journey, met  Yo-Yo Ma, Mark O'Connor en Edgar Meyer. Er staat een liedje op dat al langer mijn favoriet is op Sammie, ook zomaar gevonden. James Taylor, zo'n stem van vroeger van gevoelige luisterliedjes zingt: Hard times come again no more: een ultiem zondagsgevoel, zoals er van die zondagse gesprekjes bestaan die over het goede in het leven gaan in de sfeer van de hoop die in dat liedje uitgezongen wordt.