maandag 3 mei 2010

I see you

Ik ben naar Avatar geweest in 3D. Wel een leuke belevenis. In Gelderland kun je alleen nog terecht in Ede, de andere grotere steden hebben de link met de moderne tijden gemist, doordat men daar geen digitale apparatuur (whatever that may be) heeft aangeschaft. Dat 3D, bewerkstelligt door een bril die je ophebt, geeft diepte en een andersoortige vaart, kleuren lijken ook meer op te lichten.

De andere wereld die in Avatar wordt opgeroepen, de planeet Pandora, is prachtig vormgegeven. Lichtgevende planten in roze, paars, blauw, exotische spiraalvormige rood oranje bloemen die open en dicht klappen, een soort jungle met daarin een grote Levensboom en een Boom van de Zielen. De blauwe wezens geloven in de godin Ewya die alles levensenergie geeft en alles en allen zijn als in een netwerk met elkaar verbonden.

Daartegenover staan natuurlijk de stomme aardelingen, die uit hebzucht, de planeet willen koloniseren omdat er precies onder de levensboom een zeer kostbaar gesteente ligt. Avatars zijn 'droomwandelaars', die eruit zien als de bewoners van Pandora, maar worden aangestuurd door het bewustzijn van een mens. Die logt in en wanneer men slaapt, weer uit.

Natuurlijk zit er een liefdesverhaal in. Aardeling, een mooie krachtige Avatarverschijning, maar ín werkelijkheid (welke?) een mensje met dunne benen, die in een rolstoel zit, wordt door Ewya uitgekozen, middels een soort lichtgevende pluisjes die ook op kwallen lijken, om ingewijd te worden in de cultuur van de Pandora's. Degene die hem wegwijs maakt is de dochter van de clanleider. En er zitten veel gevechts- en actiescènes in, waar een leger aardelingen de planeet met verwoestend vuur en bommen wil veroveren.

Het is jammer, dat daardoor het verhaal wat plat blijft. Minder aktescènes en meer beelden van de planeet, meer echte dialoog, had de film naar een andersoortig niveau kunnen trekken. Titanic van dezelfde regisseur James Cameron, die had dat wel.

Neemt niet weg, dat de keyscene toch ontroert: de grote blauwachtige vrouw, redt op het laatste moment dat manneke met de kreupele benen, ze ziet hem voor het eerst niet in zijn Avatargestalte, maar gewoon als mensje, hij haalt weer adem en ze zeggen tegen elkaar: I SEE you. Een paar keer meer komt deze ene zin voor: I see you, wat betekent dat men elkaar ziet in het Hart en de Ziel en het Echte.

Uiteindelijk is Ewya in staat om het bewustzijn van de mens definitief over te laten gaan in het lichaam van de Avatar, onder de boom van zielen, die besponnen is met lichtgevende draden. Avatar doet voor het eerst zelf zijn ogen open: einde film. Het is het logo van Avatar geworden: twee gele ogen die je aankijken vanuit een blauwachtig wezen.

Het is ook wel een mooie internetparabel: hoe het bewustzijn van zoveel mensen middels een scherm gestalte krijgt, je werkelijk een verbondenheid met een ander kunt voelen: I see you.


zaterdag 1 mei 2010

Koninginnedag

Eigenlijk moet ik wel om mezelf lachen. Gisteren was het Koninginnedag en ik begaf me met twee levensgrote, opklapbare tassen, plus een rugzakje op, naar het Goffertpark dat van onder tot boven vol staat met mensen en hun afgeschreven waar van de zolder en andere hoeken en gaten. Terwijl ik de tassen pakte, en daartoe uit eentje alle lege glazen flessen en potten haalde, dacht ik: En waartoe? Heb je iets nodig? Nou, nee. Een echte missie had ik ook niet. Wie weet, kom ik met lege tassen terug, zo dacht ik.

Ik wilde ook niet al te lang gaan. Gewoon een paar uurtjes. Even F. opzoeken, die er ook stond met oude kleren, alhoewel ze zelf nog nooit op de vrijmarkt had gelopen en drukke menigten meestal mijdt. Heldhaftig hoor, om dan vier uur in den ochtend op te staan en je met een ronkend busje in de file te begeven in de straten naar het park toe en vervolgens een plek te veroveren en je spullen daarheen slepen. Ik hád er wat spullen van mezelf bij kunnen zetten, maar puntje bij paaltje, ontbrak de zin mij daartoe.

Al slenterend langs al dat goed, kon ik mijn kooplust goed bedwingen. Alleen een oude Sjors en Sjimmie, waar Sjimmie nog dikke lippen heeft en krom nederlands praat, en die de Tijdsmachine heet, heb ik om nostalgische redenenen voor 20 eurocent gekocht. Maar dan! Op het einde van de markt, en laat was het dus geworden, rondstruinen en kijken naar mensen dat zuigt tijd op, dan brengt iedereen zijn onverkochte waar naar de afvalpunten.

Tien vuilniswagens stonden verspreid klaar, om alles te verwerken. En drommen mensen daaromheen, die bij elke aangebrachte doos de laatste screening doen, alvorens alles vermalen wordt. Zo ook ik. En de jutter in mij wordt wakker. En dan neem ik uiteindelijk van alles mee.
Te weten, o.a., het voelt als de Lopende Band in dat oude Mies Bouwman-tv-programma, Een van de Acht, wat heb je onthouden?

Een springtouw met Lieveheersbeestje-handvaten, een eiersnijder, een stuiterbal, een oranje ouderwets afdroogrekje, twee oude blikjes, de een met Engelse motieven en klaprozen, de ander een rond blikje van een jongetje-meisje in een rood fluwelen pakje, nu tot snoeptrommeltje gedoopt. Boeken: o.a. een oude Schoolatlas uit 1936, toen Indonesie nog een kolonie was van NL en een Lifeboek over het wonder van de evolutie, waar de reis van Darwin met de Beagle wordt vertelt, precies zoals in het gelijknamige tv progamma. Mulisch en Wolkers en Rosita Steenbeeck en Minette Walters.

Een plastic Peter Pan Poppetje, de altijd jonge, die nu in mijn vensterbank staat, twee Barbiepoppen (Jawel!) die nu in hun nakie naast elkaar in de tuin op een touw in de struiken zitten. Enige cd's. O, ja: een spiegel, waar thuis gekomen wel het weer in blijkt te zitten, een kaars, waxinehoudertjes, lange lucifers, stripboeken van de Smurfen, Guust Flater en Garfield. Een leren vierkante damestas die ik meteen in gebruik heb genomen. Enzovoort. Alle boodschaptassen en rugzak: VOL.

Het idee, dat wat jij niet redt, vermalen wordt tot pulp en nu toch nog even verder mag leven, daar gaat het me om. Denk ik. Vorig jaar nam ik zes boekjes mee van Krishnamurti, nog mooi gebonden uitgegeven, in het engels. Tot op heden nooit echt uitgebreid in gelezen. Ach wat; het is gewoon hebberigheid, wereldjes te kunnen redden, gratis en voor niks.

donderdag 29 april 2010

Levenstroom

Het boek Stil de tijd van Joke Hermsen levert wel wat op. Zo heb ik gisteren en vandaag in mijn zonnige lentetuintje The Waves gelezen van Virginia Woolf. Al heel lang in huis, want het staat bekend als een van haar beste boeken, vol verbeeldingkracht. Maar ik was er toch nog niet aan toegekomen. Het is een geweldig boek, zo eentje die je écht wat anders brengt.

Hermsen beschrijft hoe Woolf hier een andersoortige tijd oproept dan de kloktijd. Een tijd waar ons bewustzijn door de tijd heen reist, terug in ons eigen verleden, maar ook mee met het bewustzijn van anderen.Hoe het gevoelsleven een eigen tijd heeft, hoe het 'ik' een vloeiend iets is, dat met andere 'ikken', mee kan vloeien en zichzelf kan transcenderen. Als golven, zo zijn we: op en af, heen en weer, eb en vloed, telkens weer.

Deze associatie met de zee, die zit er ook in de muziek van Simon ten Holt, de Canto Ostinato, waar Joke Hermsen ook een hoofdstuk aan wijdt. Als zij niet zo razend enthousiast was, dan had ik het wellicht voortijdig opgegeven. Je hoort twee piano's, maar het kan ook met 4 piano's of andere muziekinstrumenten worden uitgevoerd. Op mijn cd, met de pianisten Polo de Haas en Kees Wieringa, duurt de tijd 75 minuten, maar er zijn ook uitvoeringen bekend die veel langer duren.

De canto is gecomponeerd binnen een stramien, maar de uitvoering is van intuïtie en inval afhankelijk. Je hoort, bijna monotoon, 2 piano's: mijn eerste associatie was een trein die door het landschap gaat. Het heeft iets hallucinerends en evocatiefs: de wijze waarop het-maar-door-gaat, soms met jubelende subthema's en dan weer terughoudend en in zichzelf gekeerd.

Simon ten Holt zegt er zelf over dat hij zich aanvankelijk ook bijna schaamde, voor de eenvoud ervan. Maar dat het tegelijk toch zijn levenswerk is. Als je steeds maar weer luistert, dan ontdek je dat deze muziek niet ergens over gaat. Het vertelt geen verhaal met een plot, het gaat alleen maar door en door en het woord dat uiteindelijk bij mij blijft hangen is: Levenstroom. Ten Holt gaat voorbij aan intrige en spanning, maar geeft een onophoudelijke intensiteit van Iets.

Ik denk dat het je inderdaad ook in een andere tijdsbeleving kan brengen, dat het de tijd als lineaire groei stil kan leggen en het je bijvoorbeeld in een file, zoals Joke Hermsen vertelt, in een soort extase kan brengen en rust geeft tegelijkertijd. Verder ziend dan het eindeloze blik van de auto's om je heen.

Maar, als je vanuit de stilte luistert naar deze Canto, dan geeft deze canto, óók lawaai. Ultieme stilte blijft toch het allermooiste. Dat mis ik ook wel in het boek van Joke Hermsen. Via allerlei wegen vertelt ze over een andere tijdsbeleving dan de kloktijd. Via de filosofie, kunstenaars als Rothko, schrijvers, muziek. Maar ergens geeft ze geen antwoord waartoe dat kan leiden: dat stil zetten van de kloktijd. Waarom zou je eigenlijk, als er niet iets heel moois te vinden is?

In alle religie gaat het ook, uiteindelijk, om een andere tijd dan de kloktijd. Er wordt verteld dat de mens zichzelf kan overstijgen en zijn dagelijkse ik achter zich kan laten. Wat je dan vind, heeft met liefde te maken, verbondenheid, je meet met andere maten dan met wat je gewoon bent. Maat telt niet meer. Tijd tikt niet meer. Stilte brengt je in de ultieme levenstroom, die uiteindelijk te maken heeft met Liefde.

woensdag 28 april 2010

Kitty, Daisy & Lewis

Vandaag is het zo'n dag om lekker in het zonnetje te gaan zitten en dat is wat ik zo meteen ook ga doen. In den ochtend als ik de tijd heb, is mijn achtergrondmuziek sinds het lente is geworden, een cdeetje uit de afgeschreven biebbak van Chet Baker met zijn beste verzameld werk. Hij zingt er ook op en dan lijkt het net alsof zijn trompet ineens woorden kan articuleren.

Sinds trompettist Eric Vloeimans op Oerol, het theaterfestival op Terschelling, dat 12 Juni weer losbarst, associeer ik een trompet met loom, zomers, behagelijk warm weer. Zo passen de klanken van Chet Baker nu wonderwel in mijn ochtend lentetuin, met een kop koffie en de krant, te samen met al het vogelkwinkeleer.

Voor vroeg in de avond, zou ik nu eigenlijk een cdeetje van Kitty, Daisy & Lewis willen hebben. Dat is muziek waar je lichaam meteen van in beweging raakt: swingen! De drie zijn zusters en broer van elkaar, nu 17, 19 en 21 jaar oud en ze klinken alsof ze uit de veertiger en vijftiger jaren komen. Rockabilly, country &western, daar worden ze onder geschaard, maar ze zijn het er zelf niet mee eens. Ze gebruiken alleen maar ouderwetse instrumenten en nemen op zonder computers of andere mogelijkheden om geluid te vervormen.

Zo aanstekelijk! Harmonium, ukelele, drum, accordeon, banjo, trombone, lapsteel, dat soort instrumenten en hun beide ouders doen bij optredens mee. Die ouders, Graeme Durham en Ingrid Weiss, komen ook uit de muziek. Ze wonen met zijn allen in Kentish Town in London. Het lijkt me de droom ten top om samen zo'n gezin voort te hebben gebracht.

Op YouTube is een vertederend clipje met het nummer Hold me tide. Twee oudere mensen zetten een ouderwetse radio aan en beginnen in hun huiskamertje met elkaar te dansen en dat gaat over in een danszaaltje met Kitty, Daisy & Lewis als livebandje. Heel aanstekelijk allemaal, heel geschikt voor zonnige dagen vol swing and rock & roll. Ik had nog nooit van hen gehoord, maar Going up the country, schijnt een hit geweest te zijn.


dinsdag 27 april 2010

All Stars

Omroep Max, dat is wel een aardige omroep als die wat heeft waar je zelf wat mee hebt. Zo zag ik per toeval dat deze een concert uitzond van Rod Mc Kuen. Men ziet traag geregisseerd, een oude, trage man die met een krakerige, schorre stem zijn liedjes ten gehore brengt. Hij was zelfs stukken van de tekst van een van de hits die hij ooit in Nederland had, vergeten: Without a worry in the world.

Nu gaat Rod Mc Kuen bij mij al mijn leven lang mee, sinds mijn tienertijd. Toch gek, hoe een toen al favoriet liedje, zo waar is geworden: I have been an rover, I have walked alone. Hiked a hundred highways, never found a home. Still and all I am happy. The reason is, you see: once a while, along the road, Love's been good to me. Rod mc Kuen had nu een net pak aan, met een stropdas, maar daaronder nog steeds zijn handelmerk: sneakers, gymschoenen van All Stars.

Ik keek in mijn kast, wie wat bewaard heeft wat, en ik ben een bewaarder en verzamelaar: en ja hoor: daar lagen ze, mijn eigen oude blauwe afgetrapte suède gympen. Ik heb ze lekker aangetrokken en nu loop ik er alweer een weekje op. Zo vertrouwd, van vroeger.

'He, jij hebt All Stars aan en de echte', zei nichtje N. 'En je hebt roze sokken aan, want er zit een gaatje bij je grote teen.' Da's toch wel eigenaardig. In míjn tijd ging het er ook al over of je nu echte of onechte All Stars had. All Stars worden door de hongkong-chinees (ofzo) veelvuldig, wereldwijd nagemaakt. Hoe bestaat het en wie sluist deze boodschappen door, dat pakweg 25 jaar later ook nichtje N. daarvan weet? Hoort dit soort info bij het collectieve bewustzijn?

Ja! antwoordde ik en deze All Stars, die zijn al 25 jaar oud. Nichtje N. keek me met oprechte verbijstering aan. Deze info, die leek ze nauwelijks te kunnen bevatten, alsof ik kwam met een boodschap van een andere planeet.

Maar ja, als je erover nadenkt. Het zou hetzelfde zijn, als dat iemand tegen mij zou zeggen, dat zij schoenen droeg die meer dan 100 jaar oud zijn. Want deze All Stars, die zijn twee keer de leeftijd van nichtje N. Die bestonden al, lang voordat zij geboren werd. Heel oude schoenen, die tegelijktijd hip en modern zijn, dat kan niet samen. Ik had tegelijkertijd aan tijdversnelling en tijdveroudering gedaan.

Toverfee

Wat zijn ze toch mooi: die grote roze bloesembomen die als paraplu-achtige suikerspinnen wiegen in de wind. Vol bloesem, barstensvol, wie ze ooit verzonnen heeft, fantastisch, want de bloemen dienen nergens toe. Er komen uiteindelijk geen vruchten vandaan die je op kunt eten, ze leven hun volle glorie NU, in deze prachtige lente.

Ik dacht terug aan heel lang geleden, toen ik met M., dochtertje van vriendin P., naar het speeltuintje liep bij hun in de buurt. M. was een mollige dromerige peuter, grote ogen, vrijerig, knus, met een heel eigen wereldje in en om haar heen. We kwamen aan onder de grote roze bloesemboom. M. kraaide van plezier en zij wilde er een takje van hebben.

- Ja, maar, hoe dan, ik kan er ook niet bij, zei ik.
- Jawel, dat kan, dat kan wel, toe dan! M. was toen ook al een koppig, eigenzinnig mensje, met temperament.
Ik sprong omhoog in een poging om toch een takje te grijpen. Het lukte me niet.
- Weet je... fluisterde ik, terwijl ze bij me stond tussen mijn knieeen en ik op haar hoogte was, 'er is misschien een toverfee, een roze toverfee en als we nu een toverspreuk uitspreken dan zorgt zij er voor dat we straks, als we terug zijn van het speeltuintje, er misschien een takje met bloemen op de grond ligt'.
We fluisterden een magische toverspreuk naar de volle roze takken, waar de toverfee wie weet zou neerstrijken temidden van de weelderige bloesem, zachtjes, vol verrukking, en daarna was M. bereidt om met mij verder te lopen, naar het speeltuintje.

De terugweg. Wat was dat spannend. Zóu, de toverfee? ...(en zo niet, wat zou ik dan zeggen, dacht ik) M. huppelde vooruit naar de roze bloesemboom. Mirjam!!! Kijk dan, de toverfee is geweest! Ik zag helemaal niks. Maar M. doelde op de roze bloesemblaadjes die door de wind als confetti om de boom gewaaierd waren. Ijverig raapte ze de blaadjes op, totdat ze een heel handje vol had.

De roze toverfee, die was er geweest, onmiskenbaar. Jaren later, toen M. een groot meisje werd en we na school regelmatig naar de speeltuin liepen voor grotere kinderen, die daar ook in de buurt ligt, dan zei M. elke keer als we de boom passeerden, of die nou in bloei stond of niet: 'Weet je nog...'

Ja ik wist het nog en ik weet het nog steeds. De toverfee is overal, magie brengt je in een wonderlijke wereld waar losse bloesemblaadjes grootse schatten zijn. de wereld beleven, je ontrukken aan de grijze tredmolen van de nuttige tijd; ik hoop het nooit te vergeten.

zaterdag 24 april 2010

Charletan

We hebben hem ooit bezocht: mijn groepje theologen nog van de studie: Henk Helmantel. Hij woont op het weidse Gronings land in een prachtige verbouwde boerderij, rijkmonument, de stallen zijn verbouwd tot expositie ruimten en zijn atelier ziet er precies uit als een middeleeuwse kamer: perfect op het Noorden, want dat geeft het ware schilderslicht, oude vazen, potten, tafels, dozen, zoals ze allemaal op zijn schilderijen verschenen zijn.

Alles spic en span, schoon, met regelmaat en orde en hij ontving ons persoonlijk. Geniet eerst maar van de schilderijen, zei hij met een breed gebaar. Ja, en toen, ik vond het heel vervelend, ik vond er bij nader inzien niks aan. Eerst wordt je overrompeld door de exacte gelijkenis van het afgebeelde, de perfecte composities, het realisme, alsof je alles zo kan wegpakken.

Maar het miste voor mij het leven, ik vond het zonder ziel, het ademende niet, alles was des doods, geconserveerd op sterk water. Nou, ja, je kunt er niks aan doen als je er niks aan vind, gelukkig waren we er met meerderen en smaken verschillen.

Helmantel klaagde erover dat zijn werk nog niet was opgenomen door een museum. De directeur van het Leeuwardense of was het Groningse, ik weet het niet meer, had ronduit tegen hem gezegd, dat wat hij maakte geen Kunst was. Hij beschouwde zichzelf wel zo, dat was duidelijk: Kunstenaar, ja zelfs Gods kunstenaar. Want hij had ook een soort missie: hij wilde Gods schoonheid vastleggen, loven en bejubelen. Liet hij nou indirect ook vallen, dat al die moderne mensen, die niet meer christelijk waren, dáárom geen oog hadden voor zijn werk? Ik weet het niet meer.

Nu staat er een groot intervieuw met hem in Trouw, in de fameuze rubriek waar de 10 geboden worden voorgelegd aan de betreffende. Hij blijkt voor de doodstraf te zijn. Hij vindt het christendom het enige ware geloof, de rest van de mensheid is aan het dwalen.
Ik vind dit soort mensen eng; mijn intolerantie maakt sprongen omhoog op de barometer. Iemand die zegt te geloven en die zegt een kunstenaar te zijn en die roept dat hij bescheiden, nederig en niet veel nodig heeft. Ondertussen woont hij in een kapitaal pand, spaart etsen van Rembrandt en onderhoudt zijn eigen museum.

Ik kan er niet tegen. Dit soort mensen zijn met al hun mooimakerij veel gevaarlijker dan een achterbuurtcrimineeltje, die tijdelijk een woonomgeving bederft. Het is vandaag te mooi weer om er lang mee bezig te zijn, maar ik moest het even kwijt. Henk Helmantel hoort heel terecht niet thuis in een museum. Zo is het en niet anders. Hij vertegenwoordigt de dood in de schilderspot.