En toen was het ineens lente vanuit mijn slaapkamerraampje in mijn boshuisje: de kale eikenboom draagt jong blad, de laurierkers bloeit.
Het voortuintje in mijn stadshuis stond er ook mooi bij.
Ik heb moeten constateren dat de mussen nu werkelijk wég zijn…Na de dood van buurman Peter begin December, die mij ‘het mussenvrouwtje’ noemde en buurman Joop al veel eerder, die in de buurpraatjes buiten altijd zei: ‘Eigenijk heb ik wel lol van jouw woeste tuin.’ en wiens voortuin nu een kaal ijzeren hek heeft. Het lijkt of met het heengaan van hen beide er nu definitief een periode is afgesloten.
De achtertuin blijf een beschutte plek, waar de appelboom die ik in de winter snoeide, veelbelovende bloesem had. Maar, o!, ik miste het getjilp van de mussen…De bamboe is géén ontmoetingsplek meer.
Het leven gaat voort…altijd toch maar het verwachtingsvolle vermoeden blijven bewaren, dat bij elke horizon die wijkt er iets anders gloort.




