Na dagenlang vooral buiten te hebben doorgebracht en in mijn hangmat, zie ik nu bij bewolkt weer binnen, vanuit mijn boshuisje, dat de bosrand weer lichtgroen is geworden. De lente gaat gewoon door, ondanks al die ellende in de wereld… Vooralsnog. Met de klimaatcrisis is het de vraag of volgende generaties hier zomaar op kunnen rekenen…
In Candolim maakte ik op het strand een foto van mijn ijsje dat onder mijn handen smolt en dacht eraan dat deze op een tulp leek en ik vroeg mij af of ik bloeiende tulpen bij mijn boshuisje zou zien. En nu is het zover.
Ik heb ondertussen alweer twee keer boodschappen gedaan, hier in Nederland in de supermarkt. Ik sta bij de schappen vol verschillende soorten eieren en vind de schijnbare overdaad verhullen dat er dus eigenlijk van alles mis is met deze eieren. In India is er maar één soort en die worden dagelijks vers gebracht naar de kleine winkeltjes en die kies je dan zelf uit. De laatste week at ik er dagelijks minstens één, bedenkend dat elk maar 7 rupee, 6 cent kost.
Groente en fruit haalde ik bij een groentenboer , iets verder op de hoofdstraat, de winkel zo groot als ongeveer een garage, je pakt een plastic teiltje, die vul je en dat wordt dan afgewogen. Ze pakten mijn zelf meegebrachte tasje uit mijn handen en stopten alles erin, op de foto voor 180 rupee, de papaya en okra als exoten, de kleine banaantjes geuriger en smakelijker dan die in NL.
Op de foto ook een glimp van het gasfornuis: Ik heb in alle huishoudens dezelfde zien staan, allemaal aangesloten op een gasfles, met als hoogste stand, wat bij ons de wokvlam is. Waartoe dient het, al die merken aan gasfornuizen? Dat is toch alleen maar een uitwas van het kapitalisme, denk ik.
De General Stores, de winkeltjes voor de eerste levensbehoeften, dus ook bijvoorbeeld schoonmaakmiddel en wasmiddel, zijn allemaal tjokvol, je kunt je kont nauwelijks keren, verse kruiden, rijst, granen, meestal in het midden van de winkel, in grote zakken of bakken. Veel is aanwezig in kleine porties in zakjes die als slingers in de winkel hangen. Ook de massala’s: de kruidenmengsels, voor mij allemaal een beetje vergelijkbaar ‘Indiaas’ van smaak, maar ik heb begrepen dat er wel duizend onderscheiden smaken zijn. De enige koeling die je overal ziet, is een grote ijskast van Coca Cola.
De allerlaatste avond dat ik in Candolim was, maakte ik nog snel wat foto’s van het straatbeeld; je went eraan na twee maanden, die rijen van kleine winkeltjes, allemaal naast elkaar, en van alles door elkaar. De levensmiddelenzaak waar ik doorgaans mijn boodschappen deed, had naast zich een bloemist en aan de andere kant was er een drankenwinkel. (Heel veel aanwezig in Goa). In dit straatje richting de rivier is er dus een kapper aan de ene kant, en een strijkwinkel aan de andere kant, met daarnaast weer een restaurantje. Aan de overkant een straatverkoper van hapjes, twee meter daarachter een garagebedrijf, en iets verder richting de hoofdstraat een winkel die waterpijpen verkoopt. Daartussen in waren ook meerdere electriciteitswinkeltjes en een brillenwinkeltje.
Zoveel verschillende aanbod op een klein oppervlakte zorgt voor levendigheid.
Voor vlees; kip dus of lam, had ik naar de markt in Nerul gekund, waar je zo ongeveer je eigen levende kipje kunt kiezen, die voor je neus geslacht wordt. En vis; veel aanbod en net zoals Elrika heb ik de indruk, dat deze vers is, zó uit zee en nog niet ingevroren is geweest.






