vrijdag 12 maart 2010

Goudmijn

De hele week zit dat liedje al in mijn hoofd: Goldmine in the sky, gezongen met enkel een gitaar door Daniel Craig. Dat is dezelfde acteur die ook James Bond speelt: stoer, werelds, een blonde viking. Ik herkende hem daarom niet, met zijn haar donker geverfd en bruine contactlenzen als Perry, de tot de dood veroordeelde in Infamous, een verfilming van het waargebeurde verhaal In cold blood van Truman Capote.

Het is zo hartverscheurend. Deze Perry Smith die tezamen met een kameraad, voor bijna helemaal niks, een boerenfamilie vermoordt in Hollcomb, Kansas in 1959. Deze Perry is geweldadig en heeft tegelijk een heel kwetsbare en tedere kant in zich. Er is een vreemde energie tussen Truman en Perry. Smith wurgt Capote bijna in de cel, wanneer hij denkt dat Capote niet eerlijk is tegen hem. Maar er komt ook een omhelzing en een kus. Truman was een notoir homeseksueel en ach, wie is Perry?

Perry mag twee brieven in de week vanuit de gevangenis schrijven en vijf jaar lang, alvorens hij zal worden opgehangen, schrijft hij deze brieven aan Truman Capote met de aanhef: My friend Truman. Hij heeft een mooi, zorgvuldig verfijnd handschrift en hij heeft een tekening gemaakt, die Truman na zijn dood in een koffer vindt. Perry heeft al zijn bezit aan Capote nagelaten.

Die verhouding, deze relatie: het lijkt op de relatie tussen Tom en Tijntje. (Zie gelijknamig blogje in Februari). Perry is degene die als het ware al verdwenen is van de aardbodem, in de kelder van het bestaan. Truman is zijn navelstreng naar buiten. Maar het lukt Truman niet om Perry te bevrijden. Het vonnis, de dood, zal voltrokken worden.

Perry staat voor het Zelf in ons, dat in de gevangenis woont, opgesloten in een donkere kelder. Het is het deel dat altijd verlangt naar bevrijding, naar het klavertje vier, geluk, echte ontmoeting en contact...

Hoor het hem zingen, dit oude liedje van Pat Boone, in zijn cel, op een bandje opgenomen voor Truman Capote:

There is a goldmine in the sky, far away,
we will find it, you and I some sweet day
there'll be clover just for you down the line
where the sky is always blue, pal of mine.

far away... far away...
we will find that long lost goldmine some sweet day
and we'll say hello to friends who said goodbye
when we find that long lost goldmine in the sky.

Ach, wat een raadsel is het bestaan. Truman Capote zelf heeft nooit meer kunnen schrijven. Een onaf boek, dat Answered prayers heet. Misschien een vorm van wishfull thinking? Over zijn relatie met Perry Smith zei hij ooit: It 's as if Perry and I grew up in the same house. And one day he stood up and went out the backdoor, while I went out the front.

Het komt overal en altijd voor: de onmogelijkheid van echte verbinding met levens dichtbij je. Met het Leven, dat overal is, maar ook opgesloten zit in een cel, in kerkers en kelders van ons bestaan. Dan neurie je maar weer eens dat liedje: er ís een goudmijn. En als we die nu niet vinden, dan maar op een andere plek; de hemel, in Godsnaam, dan maar de hemel.


donderdag 11 maart 2010

Nothing Personal

Heerlijk, om weer voor het eerst in mijn windstille hoekje in de tuin in het eerste lentezonnetje te zitten. De mussenkolonie druk tjilpend in de kronkelige, woelige takken van de bruidssluier, een merel, een roodborstje, wat sneeuwklokjes en paarse krokusjes.

Ik verwijderde de vogelpoep van het witte boeddhabeeldje achter in de tuin, twijfelde of ik de groene mossporen zou laten zitten, de plooien van Boeddha's witte kleed worden er wel door geaccentueerd, en dacht ondertussen aan de film Nothing Personal die ik onlangs heb gezien.

Een Nederlandse film, die al uitgebreid gelauwerd is, ook met gouden kalven. Maar engels gesproken, voor zover er gesproken wordt, want het is een heel stille film, zich af spelend in een verlaten huis op een landtong aan zee, in Ierland. De film had opstartmoeilijkheden, waardoor het begin drie keer te zien was.

Daardoor viel er een filmfout op: in het begin loopt de hoofdrolspeelster die zich simpelweg You laat noemen, met een rugzak en slechts een blauw matje op een verlaten landweg en even later blijkt ze ook nog een slaapzak en een tent met zich mee te torsen. Als je ook nog eens drie keer ziet, hoe de camera haar vanuit haar eenpersoons-tentje volgt in het rondscharrelen buiten de tent: ik kon me niet meer echt losworstelen van deze filmische bril. Alsof het onbevangen kijken vernietigd was. Dat kán niet: een camera plus cameramens in dat kleine tentje!

De film heeft iets weg van een moderne parabel, die gaat over geweldloos communiceren. Een roodharige vrouw dwaalt doelloos in Ierland, eet uit een prullenbak en zoals in het sprookje van Goudlokje en de berenfamilie vindt ze een huis en nestelt zich er. Ze gaat naar binnen, slaapt in het bed en laat er met opzet enige haren van haarzelf tussen de lakens achter. De man die er woont biedt haar eten aan, in ruil voor landwerk.

Hij dekt een verzorgde tafel met wijnglazen van kristal, maar zij grist het eten weg en wil buiten op een bankje eten, zwijgend. Hij loopt naar buiten, rammelt aan de bank en zegt: je hoeft niet zo grof te doen. Later betrapt hij haar dat zij binnen muziek luistert, onder andere liederen van Schubert: Winterreise; hoe toepasselijk! De volgende dag ligt er bij het eten buiten een walkman met een muziekcassette voor haar. Ze kookt voor het eerst, als dank. Al het eten ziet er prachtig uit, zó uit een sjiek restaurant: ontbijtjes met kleurige vruchten in een kommetje, een perfecte aardappelquiche met iets van een aardbeitje daarbij: het kan bijna niet.

Hij blijkt ziek, bijna stikkende in zijn hoest en hij vraagt haar bij hem in bed te liggen om te waken omdat hij bang is dat hij sterven zal. Op het eind raken ze bijna aan de vrijerij, maar hij houdt haar tegen en zegt: je moet het talent hebben, om op tijd te stoppen.

Ach ja, en dan het einde... een beeld dat bij je blijft en ook op affiches te zien is: zij wikkelt hem in het spierwitte laken en gaat naakt in foetushouding tegen hem aan liggen. Nog nooit was ze zo dicht bij hem. En tegelijkertijd: nog nooit was hij zo onbereikbaar...

Een beetje zoals Boeddha's witte kleed en dat waar hij symbool voor staat: verenigd met de Kosmos is er geen persoonlijkheid meer, wie zich uiteindelijk verbinden kan, die kan dat doen zonder ooit persoonlijke antecedenten te kennen: alle geweldloze communicatie leidt je naar Nothing Personal.

dinsdag 9 maart 2010

Overal en nergens

Gisteren liep ik onverhoeds de Sint Willibrordkerk in Utrecht in. Er stond een bordje in het voorportaal met gestifte letters: kerk open, ik hoorde stemmen en geluid en liep door de niet verlichte zijkapel, de kerk in. Wat een verrassing! Prachtig gerestaureerd van 1999-2005, geheel in kleur geverfd, lentegroene koepels met bloemen, gekleurde spiralerige pilaren.

Het is uitzonderlijk dat kerken in Nederland overdag open zijn, men heeft in de praktijk teveel gestolen kostbaarheden meegemaakt, weet ik uit inside informatie, maar het is eigenlijk doodzonde dat dit niet zo is. De kern van een Godshuis komt zo toch het meest tot haar recht: als je in het Franse platteland zomaar een klein Romaans kerkje in kan lopen, waar de vogels zich hebben genesteld in de oude stenen, of in Rome en Napels: overal en nergens.

Dát zit in die ervaring van het onverwachte besloten: je bent heel eventjes overal en nergens. In de Willibrordkerk bleek een koor te gaan oefenen die na de Dodenherdenking op 4 mei het Requiem van Fauré ten uitvoer gaan brengen.

O, wat is het altijd zo heel bijzonder, als je dan van enige oefeningen, zomaar getuige mag zijn. Flarden van het Requiem dwarrelden door een viool en de prachtige geluiden van het kerkorgel de ruimten in. Het is alsof je even ontsnappen mag aan de tredmolen van de tijd van het gewone leven.

Dat het onverwacht is, en eigenlijk bedoeld is om nog niet gehoord te worden: oefeningen in de ruimte, een prelude op dat wat het straks wordt: een gewichtige uitvoering, waar prestatie en perfectie een boventoon gaan voeren: hoe anders is dit onvolmaakte: de flard, de poging tot, het zoeken en dwalen in de muzieknoten...

Ik heb het eerder meegemaakt en voor mij is het een soort venstertje op het eeuwige, op dat wat blijft: een oefenend koorknapenkoor in de kathedraal van Exeter op een zaterdagmiddag, de jochies in vuile kleding alsof ze zo van het voetbalveld komen, het gezang van een Chinese operazangeres die ik in de verte hoorde op een afgelegen tempelcomplex in Peking. Een stem die je dan volgt en dan zie je haar: midden op het ommuurde plein, zingend en danspassen oefenend.

Alles wat je niet kan controleren, kunt bedenken, wat er zomaar is en zich even openbaart: het is van een schoonheid die juist opvalt omdat het nog niet volmaakt is. Zoals het schoonheidvlekje dat men vroeger op het gezicht aanbracht: juist dat puntje zwart zuigt je een andere dimensie in: die kier in de tijd, waar het overal en nergens is.

maandag 8 maart 2010

Gezien

Wat moet je toch met die hele reutemeteut van Kerk en Christelijk Geloven? Pervers. Wanstaltig. Allemaal achterhaald: dat denk ik, bij de berichten van het weigeren van de hostie aan ho-les-bi's. Helemaal misselijk word ik dat diezelfde universele kerk in hoge mate binnen de eigen muren aan pedo- en homo-seks-misbuik doet.

Vrijdag gaf ik meditatie en het was HET moment om toch weer mijn Tau-teken om te doen. Alleen uit verbondenheid met de Clarissen ben ik in staat om deze meditatie in het hart van hun eigen kapel te geven. Dat is ondertussen, het heel kleine en wellicht enige deel van de christelijke kerk waar ik me wel thuis voel. Maar ik heb het Tau-teken niet opnieuw omgehangen. Ik wil en kan mij niet meer bekennen tot één club.

De christelijke traditie is op haar vitaalst, wanneer zij verwijst naar het zachte, vragende, luisterende, biddende deel in je. Dan is enige persoonlijkheid in het idee van God en het Goddelijke iets, waar je niet buiten kunt. 'Wie iets over God zegt, zegt eigenlijk iets over zichzelf', bedacht ik heel lang geleden al.

En ik wil wel graag kunnen luisteren, aandacht geven, bidden zonder afhankelijkheid en open, vrij, argeloos en onbevooroordeeld zijn.Waarom zou je dat willen? Hardheid, de ratrace, keuren, positioneren, concurreren, dát is toch de orde van de dag?

Ik wil dat, omdat ik vermoed dat het beste deel in mijzelf, tegelijk het beste deel in elk ander is. Soms niet volgroeit, soms nog nooit opgemerkt, soms vertroebeld door de wonden die er in je zijn geslagen. Maar 'iets' in je, blijft ongeschonden. En dat íets is als een Tegenover, waarover en waar tegen men al in het Bijbelboek de Psalmen uitgebreid praat, dankbaar is, vloekt, klaagt, liefheeft.

Huub Oosterhuis, vader van Trijntje, priester-dichter zegt het in het lied 'Gezien', door Bernard Huijbers op muziek gezet, zo:

Gezien. van ooit af. en nog steeds.
toen ik nog niet was, nog dood,
stond al mijn diepste aangezicht
in jou gegrifd.

Overal in mij ben je jij.
als een voorgoed ontvangen kind.
een ongeschapen zee van licht
ben jij in mij.

Die 'jij' hoeft niet naar God te verwijzen en kan natuurlijk ook elk ander mens zijn. Maar dan toch omdat zij volgens dezelfde joods-christlijke traditie: Beeld van God zijn. Een ieder: ik, jij en ook die vreemd voor je lijkt te blijven, waarvan je geneigd bent om je vanaf te keren. En elk andere onbekende vreemdeling bij elke nieuwe ontmoeting. Die zich daardoor laadt met oneindige kansen.

donderdag 4 maart 2010

Oever

Morgenavond geef ik weer de meditatie in de kapel bij de Clarissen. Uitgangspunt is het gedicht Uittocht van Ida Gerhardt.( Zie gelijknamig blogje, Januari 2010). In de christelijke tijdbeleving is het nu de 40-dagentijd, ofwel de vastentijd, de tijd van boetedoening. Vroeger had je als katholiek kind dan een snoeptrommeltje, waar je alles in spaarde. Maar volgens mij at je het na de vastentijd, als het Pasen werd, gewoon allemaal weer op!

Van het gedicht Uittocht, is het nu de tweede regel: droogvoets bereikten ze de zoom, het oeverriet der Schelfzee. Ik ga de mensen leiden naar de oever en vraag ze om te luisteren naar de stemmen in de wind. Wat vertelt de wind je, als je stilstaat, verwijlt en luistert? Misschien over droeve dingen. Of blijde dingen. Misschien blaast de wind je nieuwe levenskracht en levensmoed in: Inspiratie.

De oever, de zoom, is de plek waar niet gebouwd wordt, je kunt er alleen maar ZIJN en ontvankelijk wachten. Zonder doel, je kan er niet werken, het is de plek waar alles mogelijk is. Je kunt je naam schrijven in het zand, maar het water wist het ook zo weer weg. Hoe wil je verder gaan? Wie wil je zijn in het leven? Waar gaat je verlangen naar uit? Begrijp je de wateren in jezelf, kun je ze aanvaarden?

Wanneer de meditatie, het ingaan in de stilte, geëindigd is, dan volgt er als afsluiting een Zegewens. Deze keer gaat die zo:

Moge je met een zekere regelmaat
de zomen en de oevers van je leven bereiken.
Dat je daar stil mag ZIJN
Verwonderd, wachtend, verwijlend, ontvankelijk.

Moge je ervaren dat je uitgenodigd wordt
om het water in je leven te aanvaarden.
Soms is het water woest of rusteloos
Soms zal het stromen in je: Levend water.

Moge je ervaren dat je niet alleen bent.
Dat de Levende met je mee trekt
door de wateren heen
en aan de oevers van de stilte.

woensdag 3 maart 2010

ZS meetlat

Anderhalve week ondergedompeld zijn in de Millenniumtrilogie van Stieg Larsson, noopt tot een evaluatie. Wat maakt het nu zo meeslepend voor mij? Ik geloof dat het de persoon van Lisbet Salander is. Larsson heeft met haar een, nieuw, hypermodern archetype gecreëerd: de sterke, alwetende, strijdlustige, uiteindelijk onoverwinnelijke vrouw. Niet alleen in haar gebeurd dit, want alle vrouwen in het boek zijn onafhankelijk, zij zijn hun eigen standard. Ze (be)leven hun eigen intellectualiteit en seksualiteit.

Larsson
creëert dit archetype welbewust: in deel 3 begint elk hoofdstuk met een heel korte verhandeling over strijdbare krijgsters: In de Amerikaanse Burgeroorlog streden 600 vrouwen, verkleed als man, de Amazones uit de klassieke oudheid, Semirares van Nineve die het Assyrische Rijk stichte, vrouwelijke soldaten bij de Arabieren, Berbers, Maori, Chinezen, Amerikaanse Indianen, Micronesiërs, enzovoort, hij noemt het allemaal.

Het leger van vrouwen van koningin Myrina wezen het huwelijk af en kozen zelf hun mannen, voor het nageslacht en mochten pas hun maagdelijkheid opgeven wanneer ze een man in de strijd hadden gedood en in Benin had je in Dahomey het vrouwenleger van de Fon. Ik heb afbeeldingen daarvan gezien, toen ik er was.

Dit archetype gaat in je zitten en mengt zich met andere heldinnen uit de kindertijd: Alice in Wonderland, Dorothy uit de Wizzard of Oz en natuurlijk Pippi Langkous, het koosnaampje dat de journalist Mikael Blomkvist in deel 1, zelf aan Salander geeft. Pippi dus: een nieuw gecreëerd archetype waarvan je scherven in jezelf en andere vrouwen herkent.


Als toetje las ik Het zwijgen van Maria Zachea van Judith Koelemeijer: een waar gebeurde familiegeschiedenis van de laatste helft van twintigste eeuw. Elk hoofdstuk vanuit het perspectief van 1 van haar 13 kinderen, die haar 7 jaar lang verzorgen. Zachea is het vrouwenleven waarvan ook mijn generatie de scherven nog van meedraagt: Moeder van 13 kinderen, niks zelf ooit hebben kunnen besluiten. Vrouwen waren er om te baren, te voeden en te verzorgen. Zachea en Salander: ze zouden de polen van een soort nieuwe feministische meetlat voor vrouwen kunnen zijn.

En nu ga ik stemmen op N.M. de dochter van Mevr. S. die ook 25 jaar geleden al, actief was voor de SP en nu met een petje op en lachend, op een foto van de wervingfolder prijkt. Ze gaat steeds meer op haar moeder lijken. Met, bijna alweer, het leven raast maar voort, de leeftijd waarop ik deze leerde kennen. Zij krijgt op de ZS-meetlat een 8, minstens, voor haar volhardende strijdlust op de kleine, locale, vierkante meter.

maandag 1 maart 2010

Oneindige ruimte

Wat was dat heel erg lekker: zo'n zondagmiddag stormweer buiten en dan binnen zitten met een spannend boek en muziek op de achtergrond. Het ouderwetse kindergevoel; een boek waar je niet af kan blijven (deel 3 van de Millenniumreeks van Stieg Larsson) , dat niet snel genoeg kan gaan en waar je dat gevoel hebt van: 'O, nee, wat nu weer en hoe moet dat nou verder, en o, hellup.' Heel lang geleden: deze leeservaring. Vroeger vond ik De Club van Vijf van Edith Blython zoo spannend dat ik het halverwege de trap ging lezen: net niet allleen en net niet bij de anderen.

De middag eindigde met een prachtige dokumentaire op de tv over de architect John Lautner (1911-1994): 'Oneindige ruimte'. In de James Bond film Diamonds are forever (1971), komt zijn Elrod House voor: een futuristisch huis, een beetje als een platte schotel, met waterpartijen binnen en ronde glazen glaswanden.

Lautner bouwde huizen, die helemaal opgingen in het landschap en de omgeving. Zijn werkwijze was als volgt: hij begaf zich naar de plek, bleef daar lang hangen, tekende wat hem opviel,een grote rots, oude bomen, het zicht, de wijze hoe de zon over het terrein haar weg ging en kon zich daarna dagen opsluiten, vertelde zijn dochter, alleen maar starend op het papier, waarover hij een doorzichtig vel legde.

Dan kwam het ineens: een huis dat als het ware versmelt in de omgeving. Je zag heel prachtige huizen: om uithangende rotsen gebouwd, langs de schuine oude bomen heen, of als een vogelsnest boven de boomtoppen uit, op een pilaar, het Chemosphere House. Cement was zijn bouwmateriaal omdat dat alle kanten op kan gaan. Alleen door mee te bewegen in het huis zelf, opent het huis de beleving van een oneindige ruimte.

Er was een huis dat buiten bij de gebogen terassen aan alle kanten, geen hekwerk had, maar een waterbaan, die bij elkaar 100 meter lang was en waar kinderen in konden zwemmen, met een uitzicht op de bergen rondom en fantastische zonsondergangen. De grond, water en lucht, ze leken samentesmelten. En in meerdere huizen brandde ergens een groot haardvuur: alle elementen bijeen.

Deze oneindige ruimte: dat lijkt me de wijze waarop we oneindigheid als nabij en rondom onszelf kunnen ervaren. Het is de omgekeerde vorm van on eindigheid, zoals die er is, in de christelijke kerkarchitectuur, waar oneindigheid verwijst naar In Den Hoge. Naar boven verwijst naar macht en hiërarchie. Die ruimte is overzichtelijk en je mag er tegelijkertijd niet bij in de buurt komen.

Maar de ruimte waar jezelf en elkaar en je omgeving verkent en in de eigen waarde laat: die geeft ronde, onverwachte vormen en een perspectief dat telkens verandert en verrassend en open is.