vrijdag 12 februari 2010

Leeswandeling: biodiversiteit

Omdat ik mijn 50 euro-biljet klein moest maken, ten einde een buskaartje te kunnen kopen, dat mag niet met 50 euro, moest ik iets kopen in de kiosk erbij, want die wisselen niet zomaar 50 euro. Kauwgom, een aansteker, een rolletje stophoest? Het staat me altijd tegen dat het daar weer veel duurder is dan in een gewone winkel. Zo viel mijn oog op de National Geographic van deze maand: Maar 2,95, i.p.v. de gebruikelijke 4,70, een actie deze maand: Koopje!

Biodiversiteit staat er met dikke letters op de voorkant en ik heb het blad helemaal van voor naar achter gelezen. Als een wandeling, stap voor stap, in plaats van al bladerend en dan hapsnap lezen wat je goeddunkt. Dan gebeurd er toch iets aparts. Het was alsof ik die biodiversiteit per pagina tot mij nam. Je laat je verrassen, in plaats van de regie te hebben.

Dit blad met dit thema, leent zich er natuurlijk speciaal heel goed voor, om zo'n leeswandeling te ondernemen. Het begint met drie foto's in de rubriek 'Oog op de wereld': bliksemflitsen bij het Burj al Arab-hotel, 321 m hoog in Dubai, gemodelleerd naar een zeilschip, maar het heeft ook iets weg van een groene peul. Daarna het gele hart van een witte lotusbloem en tot slot een jongetje dat viool speelt in het door oorlog verwoeste Sulaymaniyah, 250 km ten oosten van Bagdad.

Alleen al die 3 foto's brengen je aandacht van rijk naar arm, van groots en steen naar een warm natuurdetail, van berekende macht naar onschuldige muzikaliteit. Ik ga niet bladzijde voor bladzijde deze wandeling hier opsommen, maar noem wel wat voorbeelden, om de biodiversiteit van deze planeet en onze soort, de mens eens in het perspectief van een wandeling te plaatsen.

Het gaat over de robovis: wondertjes van techniek die eruit zien als kleurige vissen, maar in pijpleidingen zoeken naar lekken, over de polygamie bij Mormonen in Utah, een man met 5 vrouwen, 46 kinderen, 239 kleinkinderen, allemaal in de sneeuw op de foto, over de biodiversiteit die zich in een kubus van 30x30x30 cm kan afspelen over de hele wereld, over Indiase nomaden, over de vernieuwde ruimtetelescoop Hubble, over chimpansees in Congo, die met twee zelfgemaakte gereedschappen termieten vangen: nog nooit eerder vertoont.

Het jaar 2010 blijkt het jaar van de biodiversiteit. De aankoop van dit blad en regelmatig deze leeswandeling ondernemen: ik vind het een prima meditatie om bewust te blijven van onze wonderschone wereld, op zoveel niveaus.

donderdag 11 februari 2010

Korst

Ik weet niet of het verstandig is, maar tegenwoordig vind ik het wel aardig om te experimenteren met het Onverwachte. Ik bedoel daarmee dat ik mijn geest wil betrappen wat er gebeurt en hoe het voelt, als je iets eens niet doet op de gebruikelijke manier of tijd. Zo besloot ik gisteren op een ongebruikelijke tijd naar een dvd te kijken, te weten 18.00 in de avond.

Ik had nog een halve gerookte makreel en at die als voorgerecht met een boterham voor de tv en zou dan wel na de film nog wat pasta koken. Ik keek naar My own private Idaho. Zo'n film waar men vaker in mijn omgeving erg enthousiast over was, maar die toch langs mij heen is gegaan. Nu begreep ik de reden ook wel: de enthousiastelingen waren homomannen of bimannen en de film gaat over jongens die in de prostitutie aan de zelfkant van de samenleving leven.

River Phoenix speelt een jongen die lijdt aan een heel moeilijk woord, iets van 'nacrolepsie' of zo en zo begint de film ook, met het uitleggen daarvan: het is een stoornis waar je zomaar in slaap val, meteen, als er teveel stress is of een traumatische herinnering. Op een lange weg, de weg die altijd blijft, die bekend is en waar hij al eerder is geweest, een kaarsrechte countryroad, met een eindeloze horizon, richting Idaho, daar gebeurd het. Zo begint de film en eindigt de film.

Keanu Reeves, die later Boeddha zal spelen en Neo in de Matrix, dat soort rollen passen bij zijn uitstraling, hij heeft iets van een in-between-boy, nu ook: Hij speelt de zoon van een burgemeester die tijdelijk in dat hoerenjong milieu mee camoufleert, maar op het einde verliefd wordt op een meisje en niks meer van zijn vriendschap met o.a. River phoenix, die van hem houdt, wil weten.

Na de film viel ik in De Wereld Draait Door met Jasper Schuringa, de held die een vliegtuigkaping door Al Qaida verijdelt heeft en hij vertelt in wat voor maffe wereld hij daarna terecht kwam: de hele wereld die hem wilt spreken, alle tv zenders, talkshows en hoe hij uiteindelijk bij CNN een interviewtje gaf, terwijl hij tegelijk in beeld, buiten de camera, een doodsbedreiging richting hem zag: als je wat vertelt, dan...

Die film, met dat beeld van de weg die blijft en hoe tegelijk die River phoenix zijn leven niet in eigen hand kan houden en Keanu reeves, die zomaar overstapt van de ene werklijkheid in de andere, en daarna Jasper die de media aandacht erna als een tweede bombardement ervoer, dat zoog me wel mee in een gevoel hoezeer de werkelijkheid alleen maar een dunne korst is, die zomaar barsten kan vertonen en kan afbrokkelen.

Alle zekerheden en vanzelfsprekendheden in je leven, ze zijn maar van tijdelijke aard. Die absenties van River phoenix, het is iets wat je geest misschien wel altijd een beetje doet: er soms even helemaal niet zijn bij spanning en stress. Ergens anders heen gaan, naar het land van de herinnering, de droom, de verbeelding...

Soms val je uit de voor jou vanzelfsprekende wereld. Omdat je dat zelf doet: half 9 s'avonds spaghetti koken, midden in een donkere, witte winter, alsof het een zomeravond is. Omdat je in een vliegtuig zit met een terrorist. Omdat je verliefd wordt op een meisje en niet meer past in de jongenwereld van de zelfkant van de samenleving. Want pleegt Keanu Reeves nu verraad, laat hij mensen in de steek, nu hij in driedelig pak dineert met zijn nieuwe soortgenoten?

Moeilijke vragen allemaal, zo moeilijk. De wereld van River phoenix was kapot, na zijn vertrek. Kun je het mensen kwalijk nemen, als ze door de korst van het-leven-tot-dan-toe breken? Als mensen zeggen iets niet meer te kunnen, het niet vol te houden? Als mensen niets zeggen en zomaar vertrekken uit je leven en zich hullen in stilzwijgen. Nee, ik geloof het niet, je kunt het niemand kwalijk nemen.

Maar je kunt daarom wel des te meer onder de indruk raken van belangeloze inzet en trouw, van eerlijkheid en openheid, van zacht verwijlen bij elkaar, zonder veel woorden.

woensdag 10 februari 2010

Tom en Tijntje

Vroeger was er een sprookje van Annie M.G Schmidt in Heksen en zo, dat ik eng vond. Ik sloeg het altijd over en dat kwam ook door de tekeningen van Carl Hollander daarbij: een jongetje op een kerkhof en bij een grote muur met een deur daarin. Dat jongetje verdwijnt, zo dacht ik, hij wordt ergens in meegesleurd, hij kan niet meer terug, hij wordt onvindbaar, hij is helemaal alleen. Eng, doodeng.

Maar jaren later las ik het sprookje over, het heet: Het meisje dat haar naam kwijt was, en het sprookje bleek goed af te lopen. Het gaat over Tom die een deur ziet in een hoge muur. Hij ziet het, maar zijn vader niet. Op een dag gaat hij er door heen en hij ontmoet een meisje met treurende ogen aan een tafeltje, dat schaak speelt met een haas die sigaret rookt aan een lange sigarettenpijp. Het meisje is haar naam kwijt en moet schaakspelen tot de eeuwigheid, tenzij er iemand op belt die haar naam zegt.

Tom bedenkt allerlei namen, Amanda, Rozelinda, Janneke, Marjolein, Esther of is het misschien Judith, 11 jaar oud, die op het kerkhof ligt? Hij wil het nummer, 7 maal nul bellen, maar de haas komt elke keer te voorschijn en zegt, nee, zo heet ze niet... Dan vindt Tom een oud opschrijfboekje van zijn moeder. Daarin staat haastig gekrabbeld: Stroop laten halen door Tom en Tijntje. Plotseling weet hij het weer: hij zou met zijn buurmeisje naar het kleine kruidenierswinkeltje gaan, waar een rimpelig oud vrouwtje achter de toonbank stond... en daarna weet hij niks meer.

Zij heet Tijntje! Hij draait het nummer: 'Ben jij daar Tijntje? "Zal ik naar je toekomen?' , vroeg Tom.' Ik ben er al' , zei de stem. 'Kijk maar naast je.' Tom keek op en nu zat er op het krukje het meisje dat haar naam was kwijt geweest, zijn buurmeisje Tijntje.

Jaren geleden las ik het sprookje dus weer en was toen bezig met het thema mannelijkheid en vrouwelijkheid. Ik interpreteerde het sprookje, als een integratie van beide, in je persoon. Tom is de helft van wie hij ook was kwijt en hij hervindt het weer: Leve de androgynie!

Maar nu denk ik: nee, dit sprookje gaat over het hervinden van een ander Zelf, het zelf dat, als je het niet tevoorschijn roept in de alledaagse werkelijkheid, gedoemd is om onzichtbaar een eigen spel te spelen in de eeuwigheid. Het gaat over het Zelf in je dat tijdloos is, dat er ook altijd is en die naar die andere Ik kan kijken, die zich zo druk kan maken in de tijd van de uren.

Er is een allerdaags, sociaal ik, dat van het een naar het andere gaat, en deels geleefd wordt. En er is een Ik, een Zelf, die konstant de temperatuur opneemt, of het eigenlijk wel goed gaat met die sociale buiten-ik. Dat Zelf zoekt inspiratie, rust, ruimte, stilte en die weet dat dat allerdaagse ik alleen maar kan overleven als dat andere zelf niet achter een hoge muur en een gesloten deur zit.

Tijntje: dat is dat Zelf dat in je leeft en dat heel goed weet wat het beste voor je is, waar je gelukkig van wordt. Tom is het Ik, die wel weet heeft van Tijntje, maar Tijntje ook heel vaak vergeet. Je kunt leven zonder Tijntje naast je, maar wie er gevoelig voor is, die ziet altijd die deur in de muur en je weet: daar wil ik door heen. Je vindt haar naam en zij wordt werkelijkheid.

Het sprookje

dinsdag 9 februari 2010

Druivenoogst

Wat heb je toch veel verschillende mensen, in alle soorten en maten... Ik ben vaak onder de indruk van de belangenloosheid van velen. In het wijkcentrum vertelt R. weer, hoe het nu met hem gaat (zie blogje 'Geen kasplantje', januari). Nog steeds niet best. Vrijdag naar de cardioloog. Maar hij gaat gewoon door, 'ik kan niet anders', zegt hij.

Kameraad ligt in het ziekenhuis en het enige bezoek, dat is hij. Dus twee keer op een dag gaat hij er naar toe. Bij sneeuwval, 'ik hoop van niet, deze week', doet hij de stoep voor zijn huis en die voor het huis van zijn zus, want die mist al een voet, wegens suiker, zit in de familie, en als zijn kameraad thuis komt, die bij hem ook. In het wijkcentrum staat hij toch met tafels te sjouwen, net als ik niet kijk... 'Het gaat van zelf, ik kan er niks aan doen.'

Een biljarter kwam vorige week binnen en zag er doodmoe uit. Ik vroeg maar niks, ik weet dat hij een vrouw heeft die helse pijnen lijdt en hij elke keer blij is als zij toch even het huis uit durft en dat het zo fijn is, dat ze wat opleeft als de kleinkinderen komen. Maar nu kwam hij vanzelf naar me toe en vertelde hij dat het sinds tweede kerstdag heel erg is.

Zijn dag begint om half acht. Dan kleedt hij zichzelf aan, wast zich, drinkt een kop koffie. Dan gaat hij naar zijn vrouw die niet meer van het bed af kan en helpt hij haar. Samen wat eten. Wassen, pyjama verschonen. 'Als ik alleen maar al met mijn hand heel licht met een washandje over haar benen strijkt, dan krimpt ze al ineen' zo zegt hij. 'Maar ze wil niet door een ander geholpen worden. Als alles netjes is, dan moet ze naar de wc. Op bed, in een po. Weer alles verschonen, helpen. Dan heeft ze 's middags zo getranspireerd, dat ze weer een andere pyjama aan moet...zo gaat de dag door, tot half 10 's avonds.'

Hij vertelt het zonder een spoor van zelfbeklag, met een soort tederheid en een helder bewustzijn dat het zwaar is en dat het zo moeilijk is om machteloos zijn vrouw in pijn gewenteld te zien. Ik ben onder de indruk van de vanzelfsprekendheid waarmee hij alles doet en de zorg in zijn ogen. Dat hij alleen maar hoopt dat het hem zal blijven lukken om haar te verzorgen. Liefde: dit is echte liefde.

Een keer in de week biljarten met zijn oude vrienden, dat is zijn avondje uit. In de herfst brengt hij altijd een zakje zoete druiven mee, uit eigen tuin. Glinsterende ogen van plezier dan, hij lacht als ik zeg nog nooit zulke zoete druiven geproefd te hebben. Wat een levenskracht en levensmoed.

Sommige mensen hebben dat uit zichzelf, vanzelf. En anderen niet. Die worstelen met het leven, tegen depressie, ze slepen zich voort en weten soms dat het definitief niet goed met hen gaat.

'Ik word gek', zo had N. tegen I. gezegd, gewoon aan een tafeltje in een café. 'Ja, ja' had I. gereageerd, 'ja, ik ook.' 'Nee, je begrijpt het niet, had N. gezegd. 'ik word gek'. Dat is gebeurd. Elke keer als ik N. zag, lang voordat de gekte defintief beslag op haar had genomen, had ik al het gevoel geen echt contact met haar te krijgen. Ze was er wel en ze was er niet.

Al die mensen in soorten en maten... De druiven zijn voor sommigen vooral zoet en voor anderen vooral zuur. Zo is dat en daar kun je helemaal niks aan willen of veranderen.

Kieferbos

Afgelopen zondag, laat in de ochtend, liep ik het Reichswald in. Dat is het bos dat de grens aangeeft van Nederland en Duitsland. Op het pad ervoor, door weilanden met dikke mist, is het nog Nederland, en zie je het Reichswald als een dikke haag tegen de horizon aan schuren. Het pad stopt bij een roestig oranje half vervallen traliehek, je opent het poortje en dan betreed je Duitsland.

Het was er meteen anders. De sfeer was dubbelzinnig, een beetje unheimisch. Er liep een nog vaag te onderscheiden, ooit geasfalteerde weg dwars het bos in en ik zag als vanzelf beelden, van smokkelroutes, marcherende en controlerende Duitse soldaten, geschuifel en ge struikel door het struikgewas, ontwijkende manoeuvres om het Duitse Gevaar te omzeilen en van je af te schudden: daar, aan de rand waar ik net vandaan kwam, daar was het immers Nederland, al was het in de Tweede Wereldoorlog natuurlijk ook alleen maar bezet gebied.

Ik wandelde wat verder en dacht aan het werk van Anselm Kiefer. Dezelfde tinten bruin, grijs, wit, donker, dof, een verwaarloosd bos, met sporen van geweld, leegte: ruimte die zich eerder lijkt te vullen met een vergeefs wachten in een soort van schrik en het-niet weten: lege kathedralen, lege fabriekhallen, alles verlaten, waar de sporen van mensen niet vertrouwendwekkend zijn, maar onrustmakend.

Raar, zo'n gevoel dat er dan zomaar plotseling is, zo'n associatieveld dat zich opent. Dit had nooit een Nederlands bos kunnen zijn,want daar doet men aan nauwgezet natuurbeheer. Het Nederlandse bos is netjes en dit is veel woester: omgevallen, verrotte bomen, natte zwarte varens, heel hoge sparren, met veel dood hout daartussen.

Nu zag ik, keurig en nauwgezet met dezelfde afstand ertussen, bordjes gespijkerd aan palen, met daarop nauwelijks leesbaar in een verschoten soort groen, namen met daaronder jaartallen. Duitse namen en sommige jaartallen bespanden een tijd na de Tweede Wereldoorlog, bijvoorbeeld van 1957-1972, anderen bespanden een half mensenleven van 1927-1968, weer anderen slechts een tiental jaren: 1936-1947

Op het einde kwam de oplossing van het raadsel: het waren herinneringbordjes van Arbeiter, die hier in het bos gewerkt hadden. Nu zag ik ook dat er bij de meeste bordjes een boom stond en dat de leeftijd van de boom zo'n beetje hetzelfde was, als die op de bordjes.

Wat is dat toch? Ik vind het een beetje een aan waanzin grenzende handeling, dat die bordjes voor en na de oorlog consequent geplaatst zijn en dat die Arbeiter dus ook gewoon tijdens de oorlog daar door gewerkt hebben. Dat ook Arbeiter die later begonnen, het toch een eer vonden, dat er op die plek een naambordje, plus boom voor hem is opgericht. Maar na 1972, stopte het en is de eregalerij ook verwaarloosd geworden.

Het was werkelijk de wereld van Anselm Kiefer, daar in dat eerste stuk bos van het Reichswald, op die zondagochtend. Die winterse mist en kale takken, geen mens te bekennen, de sfeer van een moeras. Je loopt er door een drie dimensionaal schilderij, waar je je even betekenisloos voelt als het riet of stof of splinters hout die hij op zijn schilderijen verwerkte. Of een verfklodder, waarvan het niet de bedoeling is dat je opvalt op zo'n heel groot doek. Waar het de bedoeling is, dat je oplost achter de coulissen van de tijd.

maandag 8 februari 2010

De Vromannetjes

Ik had ze gemist op de tv op 3 februari, had ze graag gezien, maar kan me ook makkelijk voorstellen hoe het eruit heeft gezien: de Vromannetjes: Leo Vroman en zijn vrouw Tineke, wier dichtersnaam Georgina Sanders is. Joost van Velzen schrijft in Trouw hoe dat eruit zag: 'Het beeld van de eeuwige liefde tussen het stel - die niet alleen zat in de gave van de woorden, maar ook in hun vanzelfsprekende tederheid van hun gebaren- had toch het meeste effect op ons.'

Hij is nu 94 en zij 88 en ze houden al meer dan 70 jaar zielsveel van elkaar. Wat jaloersmakend! In 2002, en dat is alweer 8 jaar geleden en dat telt op deze leeftijd, brachten ze samen een gedichtenbundel uit: Alles aan elkaar. Een mooi donkerrood kaftje met gouden letters en een wiebertje daarop van zachte stof. In die gedichten nemen ze om beurten, reagerend op elkaar ook al een voorschot op het naderende einde, de dood.

Na meer dan 30 jaar in Brooklyn gewoond te hebben, ontdek ik uit een uitgeknipt krantenartikel uit 1990, dat ik in de 262 Gedichten van Leo Vroman vond, wonen ze nu in een bejaardenflat in Texas in Fort Worth. Ik lees beide dichters graag en al heel lang, zo kom ik tot mijn eigen verassing, al struinend in mijn boekenkast achter. Hij is bioloog, zij studeerde ooit medische antropologie en hun gedichten kenmerken zich door helder, konkreet soms zelfs nuchtere taal waardoorheen een stroom van intimiteit verweven zit. Alsof ze hun wetenschappelijke kant helemaal weten te integreren in het menselijke, nabije.

In 1996 kwam van Vroman Psalmen en andere gedichten uit, en in de psalmen vervangt hij het woord God, voor het woord Systeem. Psalm X gaat zo:

Gij die zulk bonzen horen kon
lang voor het onze niet begon,
Systeem! Systeem, er wordt geklopt,
Waar is Uw Gouden Poort?

Geen mens verhoort
zulk dof geluid
waarmee Gij klopt
van binnen uit
voordat het stopt.

Mooi, die verwijzing naar het Hart, waarmee alles gebeurt, letterlijk en figuurlijk. En nu wil ik ook Georgina citeren, anders treedt manlief alleen in de schijnwerpers. Uit de bundel Alles samen, reflecteert zij over afstand en nabijheid, het vertrouwde en het vreemde in een relatie, nu zij ineens wonen in een kleine flat. Uit Tegenstrijdigheid:

Deze nieuwe woning in het grote huis
drijft ons soms veel te dicht samen.
En wij zoeken nog steeds, en ieder op zich,
naar de afstand die eenheid verzekert.

Ik moet je toch kunnen zien, van alle kanten,
en wat je zegt of doet moet blijven verbazen.
Maar al lig ik ook 's nachts tegen je aan,
ieders dromen vertellen een eigen verhaal.

vrijdag 5 februari 2010

Johari

Een van de uitdagingen in mijn leven is, om niet te varen op mijn verstand, mijn rationaliteit, maar om me over te geven aan het onbekende gebied dat ik niet ken, dat ik uiteindelijk met God of met Universele Liefde associeer, maar op een veel concreter en banaler niveau te maken heeft met: loslaten, weg uit je eigen vertrouwde boodschappen, vermaningen, regels komen, waarmee je het leven probeert te managen.

Een van die regels is: val anderen niet ongevraagd lastig, kijk goed of het wel passend is om dit of dat te zeggen en te ondernemen. Een lastige collega tackelen, wordt dan een hele klus, want ik klap dicht van ongepaste agressie en respectloos gedrag. Nu kregen we een nieuw schema om mee aan de slag te gaan: Het Johariveld. Dat bestaat uit 4 kwadranten. De eerste is het open, vrije veld dat je samen zo groot mogelijk moet maken. Die ruimte wordt gewonnen uit twee andere gebieden te weten je privéruimte en je eigen blinde vlek.

Over de privéruimte bepaal je zelf wat je wil openen, van de blinde vlek kun je leren, want dat is wat anderen aan jou zien, maar jij niet van jezelf. Kwadrant 4 is het grote onbekende: dat wat je beiden niet ziet of weet van jezelf, noch van de ander. De kunst is natuurlijk, om je in dat Johariveld te begeven. Hoe kom je daar? Collega en ik moeten elke week een gesprek met elkaar aangaan, tja of dat werkt?

Het werkt natuurlijk alleen als je Johari wilt zien. Johari kan de eye-opener zijn, ook voor alle mechanismen in jezelf. Dat wat jouw thema is, waarvan je denkt dat het een levensthema is, daar begint Johari. Zo ben ik bijvoorbeeld heel slecht in dingen weggooien en opruimen. Maar als er brand zou zijn, die alles zou verwoesten van mijn huis, zou ik geloof ik wel snel denken: oké, ik begin gewoon helemaal opnieuw. Daardoor weet ik: de kern is dat mijn verhouding met de dingen, zo is, dat ik er geduldig mee leef, soms vergeetachtig, vandaar mijn slordigheid, dat accepteer ik for the time being.

Of: heel lang was foto's nemen op vakantie en op reis een must. Het daarna ophalen van de foto's en het inplakken, hoorde gewoon bij het ritueel. Maar een paar jaar geleden bedacht ik ineens: waarom toch? Sindsdien doe ik het niet meer, mis het niet eens, maar beleef ter plekke wel alles met een andere kwaliteit: niet steeds dat cameraatje tussen jou en de wereld: Johari!

Johari! is als de Aha! belevenis. Wie altijd denkt in het leven: 'Dat komt nog wel, nu eerst hier door de zure appel en straks komt de beloning, later... ga ik dit doen en helemaal zoals ik dat ten diepste verlang ', die loopt het echte leven telkens mis. Johari! Wat is jouw levensthema? In Light upon Light (zie blogje 'Licht op licht' in januari) las ik vanochtend:

Since intelligence only invites you to pride and vanity
Become a fool, so your heart stays pure.
Not a fool who wastes his life playing the idiot,
But a fool who is lost and astounded in Him (God dus, of de Liefde)
If throught astonishment, your Reason leaps out of your head
Every hair in your head will become a new head
Every hair in your head will become a new Intelligence.

Word dus een gek, Franciscus van Assisi heette Gods Gek, word een gek, word Johari.