zaterdag 20 februari 2010

Millenniumreeks

Ik was niet van plan om eraan mee te doen: aan de wereldwijde lezersgekte omtrent de Millenniumreeks van de Zweed Stieg Larsson. De titel van deel een: Mannen die vrouwen haten, associeerde ik met die Nederlandse hype: Komt een vrouw bij de dokter van Kluun, dat ik tot nu toe ook niet tot mij heb genomen. Beide zijn ook verfilmd en onlangs waren de drie films in mijn plaatselijke bioscoop achter elkaar te zien. Het was er afgeladen vol, al kwam ik er alleen een biertje drinken en wist van niks.

Maar de afgelopen uren, en gisteren ook al, ben ik helemaal ondergedompeld. Het is een pageturner en het geeft me een behagelijk gevoel dat het miljoenen en miljoenen lezers boeit in 39 landen. Waarom? Omdat ik soms wel een kuddedier wil zijn, heerlijk... Nee, de echte reden is, dat ik meen te begrijpen waarom zoveel mensen zich laten meeslepen.

Het opent een wereld die, achter de schermen, helemaal ónze wereld is. Het opent werelden naast elkaar, met de onderliggende zoektocht naar goed en kwaad en de beweegredenen en excessen daaromtrent. Een machtige magnatenfamilie met nazileden, verlangende oudere vrouwen op zoek naar liefe, een klein gehucht in de wijdse Zweedse natuur bij bos en water. De stedelijke uitgeverswereld van de onderzoekende journalist met zijn niet allerdaagse liefdesleven met de vrouw met wie Millennium groot is geworden.

Een hackster met tatoeages en piercings die vermomd in de maatschappij versleten wordt voor een halve zool onder curatele, zeer intelligent met grote mensenkennis, een onopgeloste moord van bijna 40 jaar geleden (interressant getal, zo in het begin van de christelijke 4o dagentijd) en de titel Mannen die vrouwen haten werkt als een cliffhanger. Eerst ben je al een half boek verder eer Lisbeth Sallander, de hackster en Mikael Blomkwist, de journalist elkaar 'krijgen' en samen de moord zullen gaan oplossen. Larsson zwengelt je met zijn alziend oog van de ene wereld in de ander en jij gaat mee.

Het gegeven dat het geheel posthuum gepubliceerd is en Stieg Larsson (1954-2004) zelf een oprichter was van een anti-facistische organisatie en gelijknamig tijdschrift Expo, voegt ook iets toe aan een soortement gevoel dat de geest veel sterker is dan de dood en wij allen leven in een wereld waar er eigenlijk geen allerdaagse eenvoudige werkeijkheid meer bestaat. We leven in vele werelden tegelijk en moeten daarin telkens nieuwe keuzes en beslissingen maken.

Zo'n laag ligt er op de een of andere wijze als gisting en mest onder deze literaire thriller: de personages denken snel, aktief en zijn zich bewust dat elke keuze er één is en een andere uitsluit. Hoe dit succesvol is verfilmd, ik weet het niet. Personages lijken me daardoor toch platter te worden en de beschreven gruwelijkheden alleen maar akelig en eng. Maar wie weet, wordt ik daar alsnog ook nieuwgierig naar.

In NRC van 13 maart 2009 staat er als kop over Larsson: 'Detective, dromer, dalai lama en onbegrepen kind'. Een goede vriend Kurdo Baksi (43) zegt over hem: 'Hij hield van iedereen, hij wilde iedereen helpen die slecht behandeld werd. Vrouwen, immigranten. En hij haatte niemand, ook de nazi's niet, hij ging altijd een dialoog met ze aan'.

Wellicht is dat de kracht van het boek: de voortdurende, meeslepende dialoog die je al lezend aangaat met een complexe, dynamische wereld, die uiteindelijk met mededogen op je netvlies verschijnt.

vrijdag 19 februari 2010

Verlichting

In onze taal zijn een paar moeilijke woorden. Het zijn tegelijkertijd eigenlijk de allermooiste woorden. Omdat ze zo moeilijk zijn. Ik noem ze: God, Allah, De of Het Eeuwige, Universele Liefde of Mededogen. Ze staan allemaal voor hetzelfde. Voor dat wat we vermoeden, soms ervaren, een horizon waar we naar lopen die telkens weer wijkt.

Over Universele Liefde en Mededogen, daarvan zeggen we dat het wel mooie woorden zijn, maar tegelijkertijd niet geschikt voor alledag. Ze worden verbannen naar de reli-hoek. En uit die hoek komen ze ook. Het zijn de woorden waarom president Obama tóch de Dalai Lama heeft ontvangen, al is China daar fel op tegen. Dus zo onschuldig zijn die woorden, die uit het boeddhisme komen, dus niet. Al lijken ze ze dat wel.

Ze lijken dat, omdat de woorden God en Allah veel beladener zijn. Tenminste: voor de verlichte rationalisten onder ons. Soms wil ik die woorden zelf ook afschaffen. In naam van beide wordt zóveel leed gebracht: van seksueel misbruik in de christelijke kerken, op alle fronten en niveaus en waarschijnlijk in de katholiek kerk, bij verwrongen priesters die zich geen raad weten met hun seksualiteit , het meeste. Maar ook de bijna verbanning van dominee Klaas Hendriks bij de protestanten, valt onder dat, in naam van God, gebrachte leed.

Klaas Hendriks zegt eigenlijk juist iets heel gezonds en levenwekkends: God bestaat niet, God gebeurt. Daar waar mensen goed zijn voor elkaar, elkaar met respect en mededogen bejegenen, open zijn, zich niet verschuilen achter hun eigen muren van eigenbelang en enge, kleine persoonlijke gevoelentjes en ideetjes, dáár gebeurt God.

Dat gebruik van het woord God, dat hebben we juist ten zeerste nodig. het is ook de God die vroeger vanzelfsprekend de filosofie droeg: Al het denken en filosoferen was ingebed in de omhelzing Gods, zou je kunnen zeggen. Maar de filosofie is tegenwoordig ook bang geworden voor het woord God. Dat zie je bijvoorbeeld in het boek van Joke Hermsen Stil de tijd (zie blogje Vlindertijd)

Zij zoekt naar tijd die alles stil legt, die langzaam is, waar men kan verwijlen en wachten. Ze haalt haar inspiratie ook bij Rilke, Simone Weil, de filosoof Peter Sloterdijk. Die verwijzen uiteindelijk wel, ieder op een eigen wijze, naar dat Eeuwige, dat woord God. Maar Hermsen vermijdt het angstvallig. Terwijl je er bijna niet om heen kunt, als je anders met tijd om wilt gaan: dan kom je ook terecht bij kloosters en tempels en meditatie...daar doet men bewuste pogingen om te verstillen...

Enfin. Wie bang is of een hekel heeft aan het woord God, die komt bij nadere reflectie uit bij weerstanden in het eigen zelf. Wie God buiten dit zelf wil houden, en zich verschuilt achter geloofsleer, dogmatiek en de regels van de kerk, die is helemaal ver van Huis, van het echte huis waarin je je geborgen weet bij God. Jezus zei het al: Het Koninkrijk Gods is IN Jezelf. Niet ergens anders. Boeddha spreekt van Verlichting. Ik hoop dat deze verlichting de rationele verlichting van het westen, opnieuw verlicht, dat maakt het leven licht.

woensdag 17 februari 2010

Slome soepkip

In het Afrika Museum togen Zusje, Nichtje L. en Moeders naar de nieuwe tentoonstelling, die 'eenvoud en kracht' heet, een aansprekende titel. Maskers en beeldjes uit een particuliere verzameling. Maar Nichtje L. kwam er om er een muziekinstrument je te maken: een stukje pvc-buis met maïskorrels daarin, een zelfgestift papier met Afrikaanse motiefjes, wat kleurige draadjes daaromheen en klaar was het 'sambaballetje'. De workshopbegeleidster bleek een vage bekende.

Tevoren had nichtje L. van Vindersloon(ze had twee fotostatieven in de uiterwaarden gevonden) een knaloranje glimmende hockeytas gekocht, ze paradeerde daar trots mee rond. Daarna kocht ik een nieuwe tent. Nichtje was behulpzaam met het dicht en openritsen van de openingen, ze speelde buurvrouw in de tent ernaast en deed op mijn verzoek een storm na, door heel hard aan de buitenkant met de tent te schudden.

Daartussendoor zong ze in de auto haar zelfgemaakte liedje. Nou ja, het refrein, wel met een beat daaronder, maar het ontbrak nog aan coupletten. Het gaat zo: Waarom is er oorlog? Waarom is er liefde? Waarom moet ik onder de douche? (dedoeng, dedoeng, dedoeng dedoeng, tjak, tjak , tjak)

- Ja waarom, dan? Heb je daar dan ook antwoorden op, dat zouden mooie coupletten kunnen worden, zei ik.
- Nou ja, tjaa... Waarom is er oorlog? ... Omdat mensen niet tevreden zijn als ze sorry tegen elkaar zeggen, en dan willen ze wapens enzo gebruiken... Ja, waarom is er liefde? ... Je hebt heel veel verschillende soorten van liefde, ja toch?
- Ja... en wat voor soorten dan, als je er een paar opnoemt, dan heb je al een heel mooi couplet, bij elkaar.
- Hé, wat vervelend nou, het lijkt net of alle gedachten zomaar uit mijn hoofd wegvluchten. Nou weet ik het niet meer, hoor. Wel waarom je moet douchen. Omdat je je vuil hebt gemaakt.
- Ja. Nou denk nog eens na, het kan zo'n mooi liedje worden. Over waarom er oorlog is, dat is al een een geweldig goed antwoord, dat je hebt.

Maar er kwam niks meer. Nichtje L. was ook een beetje sloom aan het worden. Ze gaat in de vakantie ook pas om 23.00 slapen, na gisteren in een wokrestaurant haar buikje vooral volgegeten te hebben met ijs en slagroom en vruchtjes, met als vast voedsel alleen maar wat frietjes, zoet vlees en kipnuggets. En dan 's ochtends om half elf nog in het donkere holletje van je slaapnest liggen, terwijl buiten het zonnetje hoog aan de hemel stond.

- Als je zo doorgaat dan... word je een soepkip, een slome soepkip!
Nichtje L. vond dat niet zo leuk om te horen. Bijna ging ze in de mokstand: armen over elkaar heen, kwaad kijken.
-En als je zo doorgaat, dan wordt je een zúre, slome soepkip!
O, o... en dat terwijl nichtje L. ook een mooie tekening van een olifant voor me had gemaakt en van een varkentje met regenboogkleurletters daaronder. Haar Tante kan beter dankbaar zijn, in plaats van haar te plagen.

Maar een beetje, plagen, dat is ook een vorm van liefde. Tenminste als je daar open voor staat en kunt blijven lachen, want anders wordt het oorlog. En dat willen we allemaal niet.Dan nog liever slome soepkip worden. Ik tenminste wel.

dinsdag 16 februari 2010

Twee kanten

Kom, laat ik eens dol doen, dacht ik gisteren laat op de middag. Tenslotte is het onder de rivieren carnaval en overdag waren Zusje, Nichtje L. , vriendin plus kind T., na een winterse wandeling van Berg en Dal door het stuwwallenlandschap afgedaald naar Beek, voor de oldtime-klassieker Rosenmontag. Deze optocht was niet afgeblazen, zoals in Maastricht, maar het publiek was wegens kou toch wel in grote getallen thuis gebleven.

Veel skihutwagens met drinkende jongemannen met de bierflesjes in de hand, dat thema zou verboden moeten worden, vonden we allemaal, maar ook mooie grote kleurige wagens, Sesamstraat en de een of andere internet spelletjescomputerheld, geloof ik, die ik niet kende, maar nichtje wel. Het creatiefs zijn de commentaren op de plaatselijke politiek, en de kleinere familie of vriendinnengroepjes: wandelende zoutzakken, Hollandse delftsblauwe meisjes, dat soort gein.

Na een aantal uren ben je toch aardig verkleumd, dus thuisgekomen nam ik een hete douche en besloot voor mezelf een filmavondje te organiseren van de drie films die ik voor 4,99 euri gekocht had: Puccini for Beginners, Pane e tulpani en Infamous.

De eerste is een heerlijke relatiekomedie die zich in een zomers New York, in Brooklyn afspeelt, geregisseerd door Maria Maggenti, die eerder het ook zo lieve The incredible true story of two girls in love, maakte. In dit verhaal wordt Allegra verlaten door haar vriendin Samantha met de reden dat zij zich wil verbinden en samen oud wil worden en Allegra dat niet durft. Allegra ontmoet vervolgens een man, ó, dat was lang geleden dat zij daarmee het bed deelde. En ze ontmoet in de middagbioscoop een vrouw, die voor het eerst het bed gaat delen met een vrouw, met haar.

Nu heeft zij ineens twee geliefden, die dat niet weten van elkaar en haar Ex die nu haar beste vriendin is, maant haar openheid te geven aan beide. Wat de kijkster weet is dat de man en de vrouw in Allegra's nieuwe leven, elkaars Exen zijn. Enfin... alles komt natuurlijk goed: Allegra en Samantha komen weer samen, gezellig op een bankje op het park, samen boodschappen doen, kibbelen wie de was doet en besluiten om 's avonds een filmpje op te zetten. Die heerlijke huiselijkheid, zo knus...

Pane e tulipani is ook een aanrader. De Italiaanse Rosalba wordt tijdens een busreis aanvankelijk niet eens door haar familie gemist en blijft zo achter bij een wegrestaurant. Zelf liftend komt ze aan in Venetie en besluit vakantie uit haar eigen leven te nemen. Ze vind onderdak bij een oudere man, een kelner die zich bijna opgehangen had, als Rosalbe niet in zijn leven was gekomen. Zij gaat weer accordeon spelen, hij gaat weer zingen, het komt allemaal goed. Tijdens het kijken dacht ik steeds: waar ken ik die man toch van? Het bleek Bruno Ganz te zijn, de acteur die Hitler vertolkt in Der Untergang.

Infamous had ik al eerder gezien. Het betreft de tweede film die in 2006 uitkwam over Truman Capote en zijn boek In Cold Blood, het boek waarmee hij naast Breakfast in Tifanny, beroemd is geworden. Gebaseerd op het ware verhaal van de in koelen bloede vermoordde familie, ergens op het platteland in Kansas, door twee mannen. Capote krijgt een soort vriendschap met Perry, een van de moordenaars met een levensgeschiedenis die haaks staat op het glamourleven van Truman Capote.

Maar er is een vreemd soort, diepe herkenning tussen beide. Wellicht omdat in beide levens, de vader zelfmoord heeft gepleegd? Twee jongenharten, op zoek naar herkenning en erkenning? Ook de andere filmversie die Capote heet, is in mijn bezit, plus het boek. Kennelijk intrigeert het gegeven me. Twee versies over hetzelfde gegeven en Truman Capote zelf, die nooit meer echt heeft kunnen schrijven na deze bestseller, aangegrepen door het leven van Perry.

Tja, creativiteit is niet een ieder gegeven. De ene wordt een beroemd schrijver, de andere eindigt op het schavot en gaat dood door ophanging. Mensen hebben nu eenmaal verschillende kwaliteiten. Zoals je in zo'n carnavalsoptocht al ziet. Beschonken, bierdrinkers op de wagens en mensen die met een bijna heilige ernst het concept en het idee van hun praalwagen, helemaal verkleed en anders dan wie zij dagelijks zijn, gestalte geven.

maandag 15 februari 2010

Vlindertijd

Op een vlooienmarkt kocht ik op het laatste nippertje, men wil toch met iets thuis komen na een halve dag struinen, een heel klein passe-partoutje met daarin een minuscuul knipwerkje. Een mensje, zo groot als mijn pink die met een netje achter een vlindertje aanzit, midden tussen de ooit dubbelgevouwen en nu dus in spiegelbeeld, symmetrische struiken. De takjes zo fijn, dat alleen een witte pen dat na zou kunnen doen. Of een heel fijn penseeltje.

s'Avonds was er boekenclub bij mij, Ó, zo wil ik het ook thuis hebben, maar dat lukt niet, ik heb een gereformeerd interieur, zei H. Het mijne is dan katholiek: mogen versieren en optuigen en alles kleurig aankleden. Dat was het perspectief van Het Pauperparasdijs (zie vorig blogje) waarmee we nu tijdens de maaltijd naar elkaar keken en onze familiegeschiedenissen met elkaar uitwisselden.

Na het etentje bogen we ons over het andere ge lezen boek: Stil de Tijd van Joke Hermsen. Ik had niet zo'n zin gehad in dit boek omdat het eigenlijk mijn eigen thema is, dat ze behandelt: hoe op een andere wijze dan snel, snel, de tijd te stillen. Stil te worden.

Ooit, in Oktober 2004 heb ik daar zelf een themanummer aan gewijd in het tijdschrift Franciscaans Leven en mijn eigen bijdrage ging over de paralellen tussen Franciscus van Assisi en Simone Weil. Ik maakte daar een onderscheid tussen de Tijd van de Uren en de Mystieke Tijd, waar beide evenwichtig in leven.

Joke Hermsen is ook op zoek naar een andersoortige tijd, dan de 'kloktijd', zoals zij die noemt. Boeiende stukken, maar niet allemaal overtuigend en uiteindelijk pakt ze niet door vind ik, ofwel ze zoekt, maar vind nét niet. Behalve het hele duidelijke statement dat verveling, lummelen, niks-doen, wachten, heel erg levenwekkend en noodzakelijk zijn. Dat 'wachten' is trouwens een idee van Simone Weil, die wél een antwoord geeft waarop je dan wacht, maar dat vertelt Joke Hermsen er niet bij.

'Waarom zou je?', daarover praten wij. Waar wacht je op, waartoe dient dan die verveling? Meerderen hadden de ervaring dat je met de tijd moet kunnen morsen om creativiteit te kunnen laten gebeuren. Uiteindelijk zit het voor mij besloten in dat kleine, witte miniknipseltje, dat met meer dan monnikengeduld ooit door ene Lily uit Amsterdam-Zuid voor de nationale tentoonstelling van de Gouden Handen gemaakt is.

Wie voortdurend rent met een netje om een vlinder te vangen, zal meestal ontdekken dat het vlindertje je te vlug af is en dan zie je niks. Maar wie gewoon stil blijft staan en rondkijkt, die zal het mee maken dat een vlinder vlak bij je kan neerstrijken, langzaam haar vleugels voor je opent in de zomerwarmte en haar schoonheid aan je ontvouwt.

zaterdag 13 februari 2010

Familiegeschiedenis

Voor de boekenclub heb ik in sneltreinvaart, maar met toenemende aandacht Het Pauperparadijs van Suzanna Jansen gelezen. Het is haar eigen familiegeschedenis die ze traceert en beschrijft, van het Drentse Veenhuizen naar de Amsterdamse Jordaan. Als ik met zo'n soort boek begin, ben ik me altijd bewust dat het niet mijn geschiedenis is.

Er gaan geen oorspronggenen kriebelen, mijn familiegeschiedenis gaat niet verder dan mijn grootouders en het verhaal dat hun ouders uit China naar Indonesie zijn geëmigreerd. Ergens was er een timmermansclan van vaders zijde die bij een rivier woonden en vier zonen zijn de wereld ingetrokken, naar Singapore, Amerika, Australië en Indonesië, dat is alles wat ik weet. En van moederszijde is helemaal niks bekend.

Het boek beleefde dit jaar zijn 31-ste druk en ik begrijp wel waarom: ze schrijft , dat iedereen wel ergens moet kunnen aansluiten bij dit verhaal. Het begint in het Drentse Norg, in haar verhaal een afschrikwekkend oord van armoede, maar Norg heeft bij mij een liefelijke associatie, omdat de ouders van P. hier hun eerste dominees zendingplek hadden. Ja, pure armoede, water moest uit een put gepompt worden, maar o, zo gelukkig. Maar dat was een domineesgezin en Drente was voor 95% protestant.

Dan de beschrijving van het dienstbodeschap van haar grootmoeder in Amsterdam. Hoe je als vrouw geheel ingekapseld was, een moderne slaaf, zonder vrije tijd, afhankelijk van de grillen en grollen van de gegoede familie, waar je inpandig was. Nu begrijp ik het verhaal van mevrouw S. ineens veel beter, die uit dezelfde generatie kwam en ooit vertelt heeft hoe ze als meisje jarenlang seksueel misbruikt was door de dominee, maar niet weg kon.

En het verhaal over de kloosters waarin het in ieder geval mogelijk was om een dak boven je hoofd te hebben, wat eten, hygiëne. Een overzichtlelijke wereld, net zoals die van de armenbedeling, maar met status. Ik dacht aan de oude Capucijnen, die met emotie konden vertellen, de armoe van thuis te zijn onstegen en de vele treden omhoog die de familie dan als geheel maakte, op de maatschappelijke ladder. Logisch dat roeping en spiritualiteit bij sommigen maar een heel kleine rol speelde.

De standenmaatschappij en de scheiding tussen katholieken en protestanten en hoe echte armoe je tot uitschot maakte; ik wist niet dat nederland zo'n standenmaatschappij was! Zelfs haar ouders waren bijna niet getrouwd omdat haar moeder er armoedig uit zag: het bleek de enige jurk te zijn die ze had, vertelden haar ouders in hun moderne serviceflat, ze kon zich niet in een andere gedaante voorstellen aan de ouders van Suzanna's vader.

Ik begrijp de drive en de vanzelfsprekendheid van werk en carrière van mijn eigen leeftijdsgenoten ook ineens veel beter. Alle autochtone Nederlanders delen die geschiedenis: waar Drente het Siberie was van het noorden en overgrootouders in de modder op de koude grond woonden en alleen hard werken je de mogelijkheid gaf om op te schuiven naar een andere plek in die samenleving. En dan dat verdomde geloof, dat nog eens een extra scheidslijn in de Nederlandse samenleving legde, logisch dat velen daar nu definitief van af willen.

Ik realiseer mij, dat de familie van mijn ouders in ieder geval helemaal niet tot de armoelijders hoorden. Integendeel: hun referentie en gesprekspartners in een koloniaal Indonesie, waren de kerk en het burgelijke establishment. Er zijn foto's van grootvader aan moeders zijde die sigaren aan het roken is in een tropenpak met hoge geestelijken aan wie hij zijn handbesneden houten meubels leverde. Zijn grootste meubelzaak in Surabaya heette Toko Liberty. En aan de ander zijde had mijn grootvader de hoogst bereikbare functie voor een 'inlander' in het koloniale onderwijs. Ook daar foto's van mijn oma als exotische schone in sjieke jurken in een tropische galerij.

Al die ingrediënten hebben mij weer gemaakt tot wie ik ben. Geen wortels in Nederland, al is het wel dankzij de katholieke kerk dat Moeders in Nederland is komen studeren. Rechtvaardigheid als belangrijke waarde meegekregen, maar wel vanuit koloniaal perspectief. Geen negatieve associaties met armoe, dus zelf nooit bedacht dat het van belang zou zijn om iets hoogs te bereiken op de maatschappelijke ladder. Enzovoort.

Knap boek, van Suzanna Jansen, dat het zelfs voor iemand met een totaal haaks staande familiegeschiedenis, zoveel nieuwe uitkijkjes levert.

vrijdag 12 februari 2010

Weg is weg

Hoera! Dit is de eerste keer dat ik echt alleen maar enthousiast ben over de medische wetenschap! Tevoren is mijn ervaring alleen, dat het je voor dilemma's plaatst: doorbehandelen of niet, leven onnodig rekken, nieuw leven met toeters en bellen laten maken ja of nee, antidepressiva die je toegediend ziet krijgen bij anderen en je je niet aan de indruk kan onttrekken dat er toch iets van die andere verdwijnt... enzovoort.

Maar nu? Oké! Vrijwilliger R., die geen kasplantje wil worden, heeft namelijk te horen gekregen, hoe het nu precies zit met zijn hart. Via onderzoek is men erachter gekomen dat hij een heel klein gaatje in zijn hart heeft. Er is niks aan te doen, maar wel mee te leven. Stel je het voor als een gaatje in je fietsband dat heel langzaam leegloopt. Welnu: bij iets te veel inspanning gaat het hart zó hard pompen, dat het lijkt alsof het uit je lijf spat.

Remedie: 'gewoon' even 30 seconden halverwege de trap wachten en dan pas weer doorlopen. Alles gedoseerd doen. Maar het is geen hartspier die het aan het begeven was, zoals de cardioloog bekende, daar inderdaad bang voor te zijn geweest. En zo leef je anderhalve maand in doodsangst en kun je dankzij de medische wetenschap weer opgelucht adem halen: meten is weten.

Nu weet R. wel, dat hiermee te leven is, maar het neemt niet weg dat hij wel even geregeld heeft, even tussendoor, dat er op papier komt dat hij never-nooit-niet gereanimeerd wil worden. Zijn vrouw weet hier niks vanaf. Want: 'Je moet de vrouw nooit alles vertellen, anders krijg je alleen maar heel veel gezeik aan je kop. Dit is mijn beslissing, klaar uit. Ik heb ook gezegd: gooi me als het voorbij is maar in de groene klikkobak, maar goed als zij dat anders wil, dan respecteer ik dat natuurlijk.Maar kom me niet vertellen dat ik iets moet bedenken hoe ik het dan wil hebben. Is er geen lied dan, of iets anders, wat je wilt, als het zo ver is, vragen ze weleens. Schei uit, man, weg is weg, ik ben daar heel nuchter in.'

Eigenlijk ben ik het met hem eens. Ook ik kan geen behoefte voelen, wat ik wil dat er gezegd, gesproken of gezongen wordt op mijn uitvaart. Wat je dan wilt, is eigenlijk een leuk visitekaartje achterlaten. Mensen mogen zeggen wat ze willen, dan. Zoveel perspectieven, zoveel zinnen, laat maar komen! Misschien kun je dan nog verrast worden, als je van boven, of zo, alles meemaakt en neerkijkt op dat rare, gekke, leven.