vrijdag 30 maart 2012

Armoede?

Ik had woensdagmiddag leesgroep rond de eerste brief van Clara aan Agnes. Het ging over wat het 'loflied op de armoede' wordt genoemd: 'O, gelukkige armoede, wie haar liefhebben en omhelzen, ontvangen eeuwige rijkdom, O, heilige armoede, wie haar bezit en liefheeft, geeft God het rijk der hemelen en eeuwige glorie en het zalige leven, O liefdevolle armoede; Jezus zelf heeft die omarmd...'

De middag cirkelt dan rondom de vraag wat die armoede dan inhoudt. Zuster M. wilde wel graag kwijt dat dit voor gasten toch meestal het onbegrijpelijkste struikelblok is. Wie kan de armoede nou gaan loven, denk aan al die uitgehongerde kinderen, het gebrek, de ziekten door armoedige, onhygiënische omstandigheden. Dat heeft niks prijzenswaardig. Ook al koos zij er voor om aan de kant van de armen te staan.

'Wat is dat dan?' vroeg ik haar, een beetje advocaat van de duivel spelend, 'hóe je ook leeft, hier in het westen, het blijft een paradijs.' Daar kwam ze ook niet uit en ze noemde dat 'heilige onrust' in zichzelf. Voor de overigen aan tafel was zonneklaar duidelijk dat de armoede waar Clara over spreekt iets met een geestelijke gesteldheid te maken heeft: met kunnen loslaten, zachtmoedigheid, geduld. Niet je wil ergens opleggen, maar zoeken naar lege ruimte waar dingen kunnen ontstaan en vrij kunnen ademen.

Dus woensdagmiddag was ik niet in het wijkcentrum. Gisteravond vertelde het vaste clubje, dat het DRUK was geweest! O, wat zal Mirjam blij zijn, als ze dit hoort, hadden ze al tegen elkaar gezegd. Er was voor het eerst gebiljart door drie mensen. Er werd gelegpuzzeld, die moest naar het andere zaaltje, want die ligt anders op het biljart. En er waren zomaar mensen binnen gekomen en hadden aan een tafel gezeten en zitten kletsen met elkaar. Toen zij, de sjoelers, het vaste clubje klaar was, waren al die anderen nog gebleven.

O, wat was ik blij! Ik kraaide bijna van plezier. Zou dat schelen, al die gekleurde papiertjes op de ramen met vlindertjes erop en aankondigingen van: biljarten- boekenruilen -puzzelen? Ik liet me nog net niet ontvallen dat dit wel een leuk verjaarscadeautje was, want dan was bekend geworden dat ik jarig was. Zoiets is het dus voor mij, die armoede: ik wil niks hebben maar ervaar het als een gigantische rijkdom als de lege ruimte in het wijkcentrum gevuld wordt met mensen die het zomaar gezellig hebben met elkaar.

donderdag 29 maart 2012

Dreamcatcher

Ach, en toen kwam Nichtje langs, onverwacht. Met een zelfgemaakt cadeautje waar ze heel lang mee bezig was geweest. Verpakt in een kartonnen doos zonder deksel, maar met een mooi cadeaupapiertje eroverheen gespannen. Zusje had al aan haar gevraagd, 'wat moet je toch met die veertjes?' Ze heeft een dreamcatcher voor me gemaakt. In mijn lievelingskleuren: het midden is van paarse draadjes en daaromheen zijn roze draadjes. Meteen opgehangen aan het raam en het lijkt alsof het daar altijd al geweest is.

Haar eerste dreamcatcher, geleerd uit de Taptoe, daar stond de maak-instructie in. Knap hoor. En ik heb er altijd al eentje willen hebben, maar vond die in de winkels te groot en te protserig en een beetje overdreven. Maar deze is precies goed! Met witte en blauwe kraaltjes die voor het water staan. En bruine en groen kraaltjes voor de aarde, de natuur, het zand. En geel, voor de zon en het licht. En dan was er nog een kleur: donkerblauw ofzo. Waarvoor? Voor de wind misschien, zei ik, de geest die waait. Ja! Zo was het. En daaronder dezelfde veertjes als in al mijn hoeden.

De dromenvanger.... Kon je je dromen maar echt vangen en vormgeven, denk ik soms. Dat je gedachten, de tere en mooie, zomaar waar worden. Maar 'tussen droom en daad zitten praktische bezwaren', zei een Nederlandse dichter ooit. Dus waait de dromenvanger mee met elk briesje en zuchtje wind en bewaart je dromen, want ook de dromen zelve, zijn voedsel voor de geest.

Volte (54)

Zal ik er aandacht aan besteden, of niet? Aan wat? Dat ik jarig ben, vandaag. Heb ik er dus toch aandacht aan besteed, hier in het blog, want anders had ik het niet gemeld. Maar ja. Het blijft zo'n dag, die toch speciaal is omdat ik elk jaar welbewust iets dóe met de dag. Maar vandaag niet. Vanmorgen heb ik de telefoon verborgen, de deuren achter me gesloten en ben lekker gaan schilderen. De uurtjes vlogen om. Ik leef tenslotte toch al een bijna kluizenaars bestaan en dan is mijn verjaardag een mooi moment om dat te onderstrepen. En de rest van de dag, de middag en de avond werk ik. Geen verjaardag dus.

Dus iets heel anders: gisteren was ik getuige van een wreed tafereel. Midden op het fietspad lagen twee padden, de ene op de andere, met een vers bandspoor midden over hen heen. het bloed, nou ja, slijm, want padden zijn koudbloedig, dus hebben geen bloed, spatte vers eruit. Ik kon er niks aan doen: ik heb ze opgeraapt en bij mijn vijvertje gelegd. Laatste rustplaats bij een natuurlijke biotoop. Ik dacht eerst dat het een moeder met kind was. maar ik vergis me natuurlijk. Dit zijn twee padden die midden in hun paringsmoment zijn gegrepen. Zielig, toch.

Ik snap niet veel van de natuur. Ik had in mijn achtertuin héél veel tulpenbollen gepland en dat wat er niet meer paste, van de 30 ofzo, in mijn voortuin. Tien dus. Hoogstens. En nu blijkt het geheel stuivertje te hebben gewisseld. Achter steken ongeveer tien stugge bladen de grond uit en voor zijn er al rode en gele tulpen in de knop te zien. Die elkaar verdringen. Het lijkt wel of die zich onder de grond vermenigvuldig hebben. Kan dat bij tulpenbollen?

Ieder dus zijn eigen feestje. De ene wil wel, maar het mag niet meer en ik wilde een feestelijke achtertuin, maar krijg een feestelijke voortuin. Het leven laat zich niet dwingen en controleren. Mooi motto voor mijn komende levensjaar. Leven en laten leven en overal waar groei en bloei mogelijk is, de kans grijpen. Grijpen klinkt zo hebberig. De RUIMTE geven, zal ik maar zeggen. Lege ruimte voor volheid van leven.

woensdag 28 maart 2012

Licht-lente-groen

De natuur blijft voor mij een grote bron van genoegen, vreugde, heerlijkheid. Gisteren ging ik naar de rivier en daar waren zowaar al vier rode kalfjes bij de kudde rode oerossen en er liep al een veulen bij de wilde paarden. De rivier zelf was pastellerig blauw, het zand pastellerig lichtbruin, er hing een waas van zonnige vriendelijkheid en mildheid. Ik schreef er de volgende woorden, alvast voor de aankomende maandagochtendmeditatie:

De waas van
licht-lente-groen
rondom
de waterwilgen
lijkt bijna
een product van de verbeelding.

Pas wanneer ik bij
een stam zit,
omhoog kijk,
mijn aandicht richt,
zie ik 't miniem
ontbottend blad.

Zo is het ook met de stilte
rondom
mijn bestaan.

Pas wanneer ik stil zit,
mijn aandacht richt
ervaar ik subtiele stromingen,
iets streelt mijn
aangezicht,
en raakt mij.

Iets of iemand is nabij,
ik ontbot,
alles wordt licht.

's Avonds laat verwonderde ik me, de tweede nacht op een rij, over de maan. Heb je het al gezien? Die maansikkel met vlakbij haar, als een schoonheidsvlek een heel heldere lichtpunt. En vlak daaronder nog een iets zwakker lichtje. Wat is het? Gisteren dacht ik nog dat het een sateliet ofzo was. Je bent eerder geneigd te geloven in de techniek, dan dat dit werkelijk een verschijnsel van de natuur zelve is. Maar dat is het wel: de grote heldere, dat is Venus. En daaronder is Jupiter: twee vriendjes van de maan, nu dus. Hoe lang het te zien is, weet ik niet. Vanavond ga ik weer kijken.

Selexyz

In Trouw vanochtend reacties van lezers wat zij van een boekhandel vinden. Dit omdat Selexyz, een van de grote boekenketens, op instorten staat. Is dat erg of niet? Hoe moet het verder met de boekhandel, wordt het langzaam maar zeker voornamelijk bestellen bij bol.com? Toen ik pas vertelde aan iemand daar voor het eerst wat besteld te hebben zij ze bezwerend: dat is helemaal niet goed voor de boekhandels! Om me daarna de tip te geven dat je er ook heel goed kunt zoeken naar tweede handsboeken. Bij bol.com dus.

Mijn laatste ervaring met Selexyz was negatief. Helaas. Ik zocht het boek dat de Nobelprijs van literatuur gewonnen had in 2011, Tomas Tranströmer dus, maar de naam was me ontschoten. Degene aan wie ik het vroeg wist van niks. Nou zijn mijn eisen helemaal niet hoog. Dat je niet alles kunt weten, logisch. Maar als een boekhandelaar of iemand die daar werkt niks weet van de Nobelprijs Literatuur, dan ga je toch denken. Overijverig ging ze in de computer kijken, maar dat wil je niet. Mijn hersentjes zelf hadden eerder dan haar de naam toch gevonden. Bleek het niet in de schappen te staan. Maar ze kon het wel bestellen. Dat wil je ook niet.

Ik dus naar de concurrent, boekhandel Roelants, voorheen de Oude Mol, die ook genomineerd was voor de beste boekhandel van het jaar. Niet gewonnen, geloof ik, want ik heb ze er niks over zien melden. Daar stond de dichtbundel tot 2 keer toe, gewoon in de schappen. Ik besloot het nog niet te kopen en te wachten tot de Boekenweek. Die wil je dan belonen met een aankoop, maar die waren nu weg, die verkópen dus boeken!

Lang geleden heette die grootste boekhandel in mijn stad nog geen Selexyz. Ze hadden toen wel deskundige verkopers. Ik weet nog dat een medewerker van de Feeks, de vrouwenboekhandel, de overstap maakte. Men sprak er schande van, intern. Zij had de stap gemaakt naar het groot kapitaal, in plaats van voor het idealistisch-feministisch collectief. Ik begreep het wel: ze zou daar de inkoop van een hele afdeling verzorgen, ze had ineens een betaalde baan en was ook af van al die ellenlange emotionelerige wekelijkse vergaderingen, waar subtiele hiërarchie het voor haar ook niet echt mogelijk meer maakten om nog door te groeien in het boekenvak.

Ik vraag me nu af waar ze gebleven is. Al reconstruerend lijkt het erop dat ze zo ongeveer verdwenen is, toen die boekhandel in handen van Selexyz kwam. Toen er ineens een koffie en drankjes en gebakcirkel midden in de boekhandel kwam. Waar weinig mensen zaten. Tja, als Selexyz zou verdwijnen, ontstaat er wel een ruimtelijk boekengat in mijn stad. Maar ik weet niet of ik die boekhandel zelf zou missen.

dinsdag 27 maart 2012

Uien en gebed

Het prikkelende van in-het-klooster zijn vind ik dat de alledaagse, banale werkelijkheid rakelings langs of naast de verhevener, 'goddelijke' werkelijkheid staat. Zo is het niet voor de gasten. Die zien een aantal serene, rustige, wellicht verstilde kloosterlingen, die rustig eten en drinken en zingen en bidden. Maar zo is het niet, achter de schermen. Hoe kan dat er dan uitzien?

Nou, op de zaterdag is er om 19.30 een vigilie-viering in de veertigdagentijd. De avondboterham is om 19 uur klaar. Er waren alles bij elkaar 30 mensen aan tafel. In dat half uur moet én de tafel afgeruimd en schoongemaakt, én de hele afwas gedaan worden én de tafel weer gedekt voor het ontbijt van de volgende dag. De broodzuster moet al het brood en beleg weer herschikken op de schaaltjes en kiezen wat ze de volgende dag op tafel wil. Als er jam is, moeten er jamlepels gedekt worden, is er vleeswaar, dan de vorkjes. In datzelfde half uur komen er mensen van buiten aanbellen voor in de kapel en het is de tijd om ook alvast wat voorbereidend te koken voor de warme maaltijd de volgende dag.

In de keuken, terwijl ik de afwas doe de volgende interaktie: zuster R. tegen zuster M die op schoot op een krukje uien aan het snijden is en even weggeroepen werd, dat kan ook nog, de telefoon kan bijvoorbeeld voor jou zijn,
- M! Kun je alsjeblieft die uien toedekken met een deksel! Het gaat er overal naar ruiken door de hele gangen door!
- Nou, zusje, rustig maar, rustig! Die geur wappert wel naar buiten!
- Nee, dat is niet waar! dat gaat niet de tuin in, dat gaat naar binnen!
Beide kijken daarbij om beurten lachend naar mij, met de blik van: die ander begrí'jpt me niet.

Dan begint de vigilieviering. Ik kwam samen met G., de broodzuster als laatste de kapel in, want de medetafeldekster had gezien dat ik het al van haar had overgenomen, ook die werd even weggeroepen en zuster H. had twee plaatsen voor ons gereserveerd, in de koorbanken in het midden van de kapel, terwijl zuster R. en M. onder me zaten, op meditatiebankjes. Zij zitten naast elkaar, ze zijn de voorzingers. Ik zat diagonaal boven zuster M. maar ik vergiste me niet: volgens mij rook ik een vage uienlucht. Laat staan wat zuster R. rook, naast haar, die van zichzelf zegt dat ze een heel scherpe neus heeft en die dus nog geen 10 minuten geleden zuster M. aan het verstand probeerde te brengen dat er een déksel, potverdorie, op de hele bak uien moest.

En zó is dus het kloosterleven. En daarin zit dus de persoonlijke uitdaging: je ruikt de uien naast je en tegelijk hef je samen zuiver en volmaakt het zingen aan. Zit je samen in de kapel en hoop je dat God, het goddelijke, Jezus, het licht, de eeuwige, de levende, de liefde, de levende, you name it, daar waar je je leven aan hebt gegeven, je nabij is. Jou en zuster M. en zuster R. en elke aanwezige in de kapel, waarvan ook nog eens geloofd wordt dat het bidden voor de wereld aldaar, de wereld ook beter zal maken.

Ik doe er graag de afwas. Ik doe er altijd de afwas. De zusters rekenen er al op. Ik verstoor daarmee een beetje hun orde, want een ieder heeft een taak , op het juiste moment, afgepast tot de minuut. Een van de afwaszusters heeft dan vrij. Als de afwas klein is, zijn beide afwaszusters vrij en doe ik alleen de afwas, in stilte. Op het geraas van de volautomatische afwasmachine op krachtstroom, na. Ik geniet van het moment dat ik de droogdoek weer over het drooghek te drogen leg en de trappen bestijg, naar de kapel.

maandag 26 maart 2012

Blauw slotakkoord

Wat was het een gedenkwaardige week en weekend. Een ochtendritueel van wakker worden van de vogeltjes, gedichten van Tranströmer lezen en daarna een essay uit de catalogus van Dreams of Nature en vervolgens mijn geest verplaatsen naar Venetië: o.a. Der Tod in Venedig van Thomas Mann, en gisteren als slotakkoord De Passie van Jeanette Winterson herlezen. Wat kan zij schrijven! Het was nu rondom Nieuwjaarsdag in 1805, precies de periode na Een liefde in Venetie van Robilant, dat ik daarna uitgelezen heb.


Een onderthema bij Winterson is altijd het levenwekkende van het verhaal, het verhalen vertellen, de vele werkelijkheden die er naast elkaar geschapen worden en die er dus ook zo zijn. In De Passie is het prachtig om te lezen dat de stad Venetië voor haar de stad is, die dat als het ware heeft gematerialiseerd. Venetië is er om in te dwalen en te verdwalen, om in verloren te raken en je elk moment opnieuw uit te vinden. Niet drijven op controle, maar bereid zijn om je plannen omver te gooien als de labyrint-achtige steegjes en bruggetjes je onverwacht ergens ander brengen, naar iets wat je tevoren niet had kunnen bedenken. Precies wat het verhaal ook voor je doet.

Gisteren in de zon met uitzicht op mijn lente-park, waar de treurwilg in de verte in een waas van lichtgroen stond te dromen, zondagse mensen met kinderen die leerden rolschaatsen, een peuter op een driewielertje, stevig omarmde stellen voorbij flaneerden, voltooiden die hele week lente en gedichten en Venetië zich in een cirkel, toen ik in het essay Stille steden in de catalogus van Dreams of nature las, dat Venetië een van die steden was: de ultieme stad van de stilte. Voor schilders als Whistler en Monet is Venetië de stad waar landschap, droom, geheim, het mijmeren over de tijd en de kleuren die elke keer verstrijken in het altijd spiegelende water bij elkaar komen.

Zoals het voor mij ook is. In de catalogus een afbeelding van het Pallazzo Contarini, geschilderd door Claude Monet. Blauw, zo blauw als blauw kan zijn: een doorgang naar het geheim van verlangen, het onbekende en de stilte.