donderdag 15 maart 2018

Stemmen in het landschap

Het mooie van een cultuurlandschap, wat Nederland heeft, is dat er verschillende stemmen uit het verleden met je gaan spreken. Zo liep ik in het Sallandse land en daar bleken bunkers te zijn, verscholen in het bos. Als je het niet zou weten, zou je denken dat het tussen de bomen wat heuvelachtiger was en dat was ook precies de bedoeling:de Russen moesten dat denken en daarom is de IJssellinie gebouwd.

Ik was het al eerder tegen gekomen langs de IJssel zelf: toen waren het tanks, begroeid met gras. Het idee was om het water van de IJssel te regelen met stuwen en zo, als de Russen dan kwamen, een gebied onder water te zetten. De vrouw die ons langs de bunkers leidde, vertelde hoe in haar jeugd het geheel met geheimzinnigheid was omgeven. Je mocht niet in de buurt komen en haar vader werkte er ook aan: ‘Voor als de Russen komen’.  Ik herinner me die stem ook: 'De Russen komen’, dat klonk vervaarlijk, maar ook een beetje fijn spannend. 

Een heel ander iets, was een ‘follie’ bij een havezate, dat is dus een nep-ruïne, eind 18e eeuw gebouwd door de rijke eigenaar van een groot landgoed. Dat roept de stem op van het dromen en mijmeren in een romantisch landschap van ridders en jonkvrouwen, waar paarden het vervoersmiddel zijn, beschutte weiden, kabbelende beekjes en grote oude bomen ...

Dat allemaal gaat op zeer korte termijn veranderen, begrijp ik van Zusje. Elke gemeente moet mee in de ‘energietransitie’, alle fossiele brandstoffen vervangen door milieu-vriendelijke: windmolens en zonnevelden. We kunnen het niet meer voor ons uitschuiven en bijvoorbeeld denken : laat al die windmolens maar op zee, want ook de zee staat al vol. Of: wij willen alleen maar zonne-energie. Want het zal gaan om vele, vele hectares wil een gemeente voldoen aan de internationale eis om klimaatneutraal te zijn. Het zal gaan om een mix van windmolens en zonnevelden, overal.

Het Nederlandse landschap zal dus drastisch veranderen, men spreekt al van een ‘energielandschap’. Dat zijn nieuwe stemmen die tot ver in de volgende generaties zullen spreken, misschien zelfs als over een eeuw ofzo, alweer door de vooruitgang van de techniek, een deel weer afgebroken is. Die stem zegt: kijk, toen maakten de mensen zich zorgen over klimaatverandering en de opwarming van de aarde, dit hebben ze voor ons gedaan, zó dachten ze het te verhelpen. Dit is een optimistisch scenario...

Want op korte termijn zal ik, als ik nog lang leef, een landschap voor me zien vol windmolens en zonne-energie velden, die allemaal zo goed en zo kwaad als het kan, zijn ingepasd in het landschap...Waar blijft de stem van Etty Hillesum, die ook sprak op de wandeling in Salland? Zij heeft daar ook gewoond, vandaar. Een heel aantal borden met woorden van haar op zwart wit foto’s van het IJsselgebied bij hoogwater, enkel wat knotwilgen,bomenrijen, hoge struiken  en rimpelend water in beeld. 

Het is de stem die ik dan moet verplaatsen naar mij herinnering of naar andere plekken op de aarde, een stem, zo vitaal en wier fluisteringen in het hart altijd troostend zijn. Op 11 juni 1941 schreef ze: 
Mijn innerlijk landschap bestaat uit grote wijde vlaktes, oneindig wijd, er is nauwelijks horizon, de ene vlakte gaat over in de andere.  En op 20 februari 1942 schreef ze: Ik heb weer eens gewandeld langs de grenzen van het innerlijk rijk, weer eens helemaal vertoefd in de stilte  -nog lang niet stil genoeg-  en gevoeld hoe broodnodig ik dat heb.

dinsdag 13 maart 2018

Spijbeldagje, Murakami

Vanochtend keek ik naar buiten: grijs dus, en regen, en dan hoef ik niet in de buitenlucht nat te worden. Dus ik belde op en sprak een voicemail in, maar dik een uur later werd het toch droog, nou ja niet helemaal? ... Van die akelige nevel en fijne druppels waar je toch na een kwartier al nat van wordt, en een heel koude wind. Maar wellicht was dat niet zo in de speeltuin, die in een kuil in het bos ligt en aan de andere kant van het kanaal: misschien regende het daar wel helemaal niet? Dus ook nog een mail ertegenaan: ‘Zal ik toch nog komen, hoe is het daár? Mail even!’

Ik had me dus toch maar in mijn werkkleding gehesen, met name in het lange thermisch ondergoed, voor de warmte en ging uitgebreid de krant lezen. Er kwam geen mail terug. En bij mij blééf het onaangenaam buitenwerk-weer... Nu kon ik het boek van Murakami, De moord op commendatore. deel 1, Een idea verschijnt fijn uitlezen, die kon niet verlengd worden en moet morgen terug zijn. Anders was ik verplicht geweest om het vanavond uit te lezen.

Een echte Murakami: dat de dagelijkse wereld en je binnenwereld en een surreële wereld een heel gewoon, bijna nonchalant verband met elkaar aangaan. Een kunstschilder van portretten wordt na zes jaar door zijn vrouw verlaten, gaat tijdelijk wonen in het huis van een bekende oudere kunstschilder die alzheimer heeft, een huis in de bergen, hij woont er in afzondering als in een kluis en bijna alles zou gewoon wellicht ook zomaar zo kunnen gebeuren, alleen verschijnt er een klein wit mannetje van  dertig centimeter ofzo, de idea, die hij als enige ziet.

Je moet zijn boeken eigenlijk niet beschrijven, het is een leeservaring. Murakami houdt van muziek en  vertelt ook altijd wat zijn personages beluisteren. Voor mij werd de leeservaring enorm geïntensiveerd, door  de muziek die genoemd werd, meteen erbij te zoeken.  De moord op de commendatore verwijst naar de opera van Mozart Don Giovanni. Oei, best heftig, die muziek van de moord, donker en duister, waar de kunstschilder naar luistert omdat hij een schilderij op zolder vindt met deze titel van de vorige bewoner, zeer zorgvuldig ingepakt: wat doet het daar, wat voor een verhaal of geheim zit erachter, vraagt hij zich af.

Kunstschilder ontmoet de steenrijke bewoner van de grote villa aan de andere kant van de bergen waar hij op uitkijkt: hij maakt op zijn verzoek een portret van hem en dineert in het prachtige huis met een vleugel en een telescoop en dan klinkt er Schubert. Als kunstschilder zich wil ontspannen dan luistert hij naar  jazz, naar Thelonious Monk. lAl lezend leerde ik zo drie nieuwe muziekstukken kennen en dat maakte het lezen deze keer extra gelaagd. Misschien toch eens al zijn ander boeken overlezen, met de muziek  die dan genoemd wordt, erbij.

Ondertussen voelt dit dagje wel aan als een spijbeldagje. Ik ging naar de bieb en de winkel in werkkleding, polste tussendoor eens of ik dan 's middags alsnog zou gaan, maar nee, de natheid en de wind bleven en er kwam ook geen mail om eventueel te overleggen. Pas om twee uur in de middag deed ik, thuis, mijn Wansie maar weer aan, behaaglijk binnen.

maandag 12 maart 2018

Wie is de Mol en de verteller?

Gisteren werkelijk een prachtige wandeling gemaakt door het Sallandse landschap van Olst naar Deventer. Het was de geboortegrond van de vrouw die de route had uitgezet, dus we liepen over sluipweggetjes en olifantenpaden, door moerasachtige gebiedjes, stille rommel-boerderijtjes  en over brede zandlanen en langs landhuizen en havezaten. Onderweg op een korrelig zandpad lagen er zo leek het, een kikker met een pad bovenop elkaar, oogje op oogje, hun ding te doen.

Het leek precies op een foto uit de verhandeling van Kees Moeliker, de avond ervoor op het Boekenfeest. Over allerlei parende dieren en hun deviant gedrag: een kikker met een pad kan in feite niet, maar de natuur laat zich niet dwingen, een homoseksuele eend die aan necrofilie doet, een stier die vol overgave het bronzen beeld van een buffel van achteren neemt, allemaal gortdroog verteld. 

Vroeg in de nacht thuisgekomen, moest ik de ontknoping van 'Wie is de Mol' gaan zien. Ja, ook ik, voor het eerst, ging heerlijk mee in het nationale groepsgedrag, geïntroduceerd geraakt in een nieuwe wolk van woorden: Zusje en ik hadden een eigen TUNNELVISIE omtrent de vermeende m=Lol en je wordt er bijna een MOLLOOT van: uitzendingen nog eens bekijken op vermeende hints en clues. Ik viel dit seizoen met mijn neus in de boter, want het schijnt het spannendste en enerverendste seizoen ever geweest te zijn, waar de kandidaten voor het eerst in vijf verschillende steden in Oost Europa startten.

Geen enkele van de tien kandidaten heeft Jan Versteegh, programmamaker, die de Mol bleek, ooit genoemd als Mol, behalve Ruben Hein, muzikant, de winnaar: ook de groep zelf zat als geheel in een tunnelvisie, ze waren allen overtuigd dat Ruben de Mol was. Ik zat ook even op Ruben, maar als kijker, die een gemonteerd verhaal achteraf voorgeschoteld krijgt, kan het niet anders dat logisch redeneren je toch bij Jan brengt. Dit was ook de tactiek van Olcay Gulsay, modeontwerpster en zakenvrouw, die wél finalist was en juist dikke maatjes was met Jan en hem nooit heeft gewantrouwd. Zonder waarheidsbevinding kun je dus heel ver komen...

Logisch redeneren: bij Olcay was dit kansberekening: je hoeft de eerste tijd helemaal geen Mol te zoeken want als jij consequent je antwoorden spreidt op wie de Mol is en de anderen doen dat niet, dan blijf je in het spel. Psychologisch heel interessant: dat zij de beste maatjes was met de mol, beide fanatiek, doortastend, dominant en ook innemend en enthousiast, en zij de hele groep in de tunnelvisie richting Ruben bracht, en Jan, de mol haar daartoe heeft kunnen brengen. Zo gaat dat in het échte leven dus ook...onrecht onbedoeld veroorzaakt door de elkaar versterkende tunnelvisies van degenen die voorop lopen en anderen kunnen laten volgen.

Ja, ik zat ook even op Ruben als de mol. Maar als kijker zie je meer dan de groepsleden: zijn reactie op de vraag van Jan: waar zit jij in Kiev? , kon  in den tweede keer kijken, niet gespeeld zijn en daarmee was mijn verdenking meteen op Jan: logisch redeneren zei me, dat Jan het dan moest zijn, want héél snel in het spel, waar de kandidaten maar twee uur de tijd hadden om elkaar te vinden in de vermeende zelfde stad, moet vrij snel duidelijk worden dat ze ze verspreid zitten en dus is het de opdracht van de Mol om dit na korte tijd te gaan lekken.

Eenmaal op Jan, wordt wanneer je dan het geheel analyseert vanuit het perspectief van de verteller van dit epos, het evident dat Jan de Mol is: de aanjager van de juiste acties, Jan vaak in beeld als voice-over, de ruimte krijgend te zeggen dat hij zo blij is dat er weer meer geld is in de pot, mooie spannende beelden creërend om hem in de laatste minuut de maan te laten vinden, enzovoort. Als kijker word je door de programmamakers ook gemanipuleerd en op zijsporen gezet... ook dit is psychologisch dus, onthullend. Heel Nederland zit in verschillende tunnelvisies met bij behorende theorieën van het eigen gelijk. 

Je verplaatsen in de verteller van het verhaal dat tien hoofdstukken duurt is dus niet mogelijk voor  de kandidaten zelf,  maar wel voor de kijker. Dat houdt je in feite weg van elke vorm van tunnelvisie. (Dat is ook de kracht van de roman, het verhaal, de mythe.) Als kijker van Wie is de Mol word je uitgenodigd om deel van het verhaal te zijn, zoals één van de kandidaten. Mede-verteller worden van het geheel is wellicht saaier en minder gepassioneerd, want logisch, maar daarmee wel efficiënter. 

Dan dwaal je niet over kronkelige paden en kijk je ietwat onbewogen naar de natuur met al haar aparte zijkronkels... Ergens is het een keuze die ik elk moment in mij zelve zo leef: kijk ik vanuit het grote geheel en het best mogelijke verhaal dat de mensheid over zichzelf zou kunnen vertellen? Of verlies ik me in al die passies, die kleine groepjes in de eigen bubbel en eigen tunnelvisie? Mol-zijn is fantastisch, zei Jan Versteegh. Want ja, ook de Mol, naast de verteller, elke Mol waar dan ook, is heerser van een eigen koninkrijk.

donderdag 8 maart 2018

Klimop, gas, badkamer, vogels

Vandaag gaat het dan gebeuren. Over nog geen half uur komen ze met groot materieel een deel van de mussenkolonie wegsnoeien. Alle klimop die tot over het dak groeit gaat weg tot een meter onder de dakrand. En de breedte gaat terug naar maximaal veertig centimeter vanaf de buitenmuren. Ik ben bang dat ook de mussen zullen verdwijnen. Maar de heel vriendelijke en natuurminnend wijkbeheerder met zelf een hoveniersachtergrond, die weet bijna zeker dat ze zullen blijven. O, ik zie de bus al komen van tuinhart-hoveniers...

Twee joviale jongens die nu van alles uit de bus gaan trekken. Ik heb ze meteen een rondleiding gegeven rondom het huis, de mussen waren flink aan het tjilpen. De een heeft nu een koptelefoon op en er komt een verreiker of verwijder, ik weet eigenlijk niet wat ik me er bij voor moet stellen.

Ondertussen is het ver in de avond en de grote gele verreiker denderde de straat in, er werden wit-rode verkeerskegels omheen gezet, auto’s moesten omrijden. Een ver-reiker dus: zo’n ding waar men ook straatlantaarnlichten mee repareert, een zwenkbaar podiumpje met een lange uitschuifbare arm die ook alle kanten op kan.Vier uur lang snoeien, een grote aanhangwagen met een groene berg, voller en meer kon er niet op, was het eindresultaat.

En... laat op de middag keerden de mussen terug in de tuin en verzamelden zich in de laatste pluk klimop die gemengd is met bruidssluier, aan de rand over de dakpannen naast het eerste tuimelraam waaraan ik boven lees. Ik ga er van uit dat ze nu ook weer nestjes gaan bouwen.

Verder was het een zoete inval aan huis. Want ook een ander technisch beheerder kwam aan, nu om naar de gasmeter en de kranen te kijken, want mijn gasverbruik kan nooit drie keer zo veel zijn als andere jaren. Het onderzoek loopt nog. En toen kwam de aannemer de badkamer opmeten, ik heb een lekkage en ik krijg een helemaal nieuwe badkamer, dat duurt 8-9 dagen aan verbouwing en dan kan ik niet douchen en ook geen wasmachine aanzetten. Misschien moet ik maar gaan proberen om die dagen gewoon weg te zijn, een reisje?, en hun de sleutel te geven. 

En ik hoorde onderwijl dat er nog een zoete inval was geweest, toen ik niet thuis was: zwermen spreeuwen zaten in de heel hoge laurierkers op de schuur, die nu ook ongeveer bijna weg is, en die hebben de hele buurt en alle auto’s wit ondergescheten. Heeft twee dagen geduurd nadat het zo koud was en ik juist op zoek was gegaan naar het oer-Hollandse tafereel van schaatsende mensen op de oude Waal en de Haterse Vennen. Schaatsen maakt alle mensen gelijk, dat vind ik leuk, je ziet onder de dikke jassen, dassen mutsen, niet goed want de rang en stand is, net zoals de sauna.

Ik snapte al niet wat al dat losse laurierkersblad en takjes ineens in mijn tuin deden, toen ik weer thuis kwam. Die spreeuwen moeten wel flink, met geweld,  hebben huis gehouden. Twee  onbekende dames in hun autootje vroegen in onvervalst Nijmeegs of dat grote gele gevaarte waar ze niet langs konden, er was om de spreeuwen weg te jagen. Nee, dus, ze zijn er om de mussenkolonie een nieuw soort verblijfplaats te geven, zei ik.
Leuk uitgedrukt van mezelf, dacht ik nog, typisch gevalletje van een glas half vol houden... het kan net zo goed gebeuren dat zo meteen, op het einde van de exercitie het glas hartstikke leeg is.  Maar dat lijkt  niet gebeurd te zijn, hoera! Morgenvroeg bij het ontwaken weet ik het zeker. Als dan de mussen lustig tjirpen, dan is alles goed gekomen.

maandag 5 maart 2018

Mijn heldere afgrond

Ik las mijn eigen artikel uit een special van Franciscaans Leven uit oktober 2004, waar ik in de redactie zat, zo lang geleden alweer... Het nummer heette:’ Zij die geloven, haasten niet’ en ik schreef iets over Simone Weil. Weil zei over Franciscus van Assisi: ‘hij was volmaakte poëzie in actie’. Ik las het over omdat de dichter Christian Wiman heel veel had met een metafoor van Simone Weil, als het gaat over de verhouding tussen  God en mens. Als er al een verhouding is...kun je dan denken, dan moet je eerst in God geloven...Wiman zelf komt uit een milieu van Baptisten, maar noemde zich tot zijn 39 ste jaar een atheïst.

Dat veranderde schrijft hij, in een essay Gazing into the Abyss uit Juni 2007, dat hij later uitwerkte tot het boek: My bright Abyss. Dat is God dus: Wiman noemt God zijn heldere afgrond. Dat is de metafoor waar hij op komt na die van Simone Weil. Die maakt de vergelijking van twee gevangenen en tussen hen in is een muur. Langzamerhand na veel tijd gaan de gevangenen op die muur krassen en schrijven en dan....? De ene gevangene is de mens, de andere God. De metafoor helpt Wiman verder, maar voldoet toch niet, uiteindelijk.

Ik snap dat, wanneer je zo lang niks met God hebt, je met het beeld van God als een gevangene die je niet kunt zien, want er is een muur, die tenminste weer wat werkelijker maakt, zo. Beide, mens en God, gevangen in wie ze zijn, en dat is totaal verschillend van elkaar, proberen elkaar te bereiken, te communiceren, ieder op een eigen wijze. En hoe doet God dit dan? Misschien in alles wat je ziet? Simone Weil zegt dat er eerst een ervaring van pure vreugde moet zijn, alvorens je ook de omgekeerde ervaring, die van pijn en lijden kunt toelaten, als zijnde van God. Ja, ook van God dus: door dat zo te ervaren wordt het laatste dragelijk, en ben je niet als een beest eraan overgeleverd, zeg ik nu in mijn woorden. God is aanwezig in alles, als we zelf ook aanwezig zijn.

Christiae Wiman heeft drie ervaringen gehad, die hem een weg naar God wezen. Eerst lukte het hem niet meer om te dichten. Zijn dichterschap was lang de wijze om zich als mens te kunnen handhaven, menselijk te zijn, zou je kunnen zeggen. Toen werd hij onverwacht verliefd: zijn wereld stond op de kop, zijn eigen zelf kwam ermee in een volkomen ander licht te staan. Tenslotte, na een jaar vol jubel en vreugde werd er bij hem een zeer zeldzame vorm van kanker geconstateerd. Het kan decennia in je voort blijven woekeren, maar je kunt er ook snel aan doodgaan. En toen vonden zijn net getrouwde vrouw en hij zichzelf terug in een kerk. Een jaar eerder wilde Wiman nog niet echt naar binnen en meedoen en toen gebeurde het van zelf. Sindsdien gaat hij elke week en rationeel blijft het voor hem onbegrijpelijk.

Ik zelf spreek in dat artikel over de tijd van de uren en de mystieke tijd. De eerste tijd wordt bepaald door nut en controle, je denkt dat je alles zelf kunt organiseren en regelen. En dan breekt er iets anders door, en vaak is de trigger daarvan verdriet, ziekte en pijn. Je blijkt helemaal niet alles te kunnen, je hebt jezelf maar over te geven aan...? Daar ontspringt wellicht het woord God en als dat niet zo is: er ontstaan andersoortige ervaringen van ... schoonheid en gratie ondanks en door het verlies en de pijn heen. Je snapt er eigenlijk niks van, maar in het zicht van een naderend einde, gebeurt het aan mensen dat zij zich daarmee kunnen verzoenen... hoe kan dat toch? Omdat er aan de andere kant van de muur iemand is die op je wacht?

En juist daarom voldoet de metafoor van de muur niet meer. Er wacht daar niet een God, die op een mens lijkt.  Wat overblijft is: een heldere afgrond. Ieder mens staat in feite in elk ogenblik     van het leven, bij die heldere afgrond, een afgrond is het, zo onbekend en onkenbaar, maar wel helder, ‘bright’ in het Engels, niet duister en angstaanjagend en dat is ... omdat ... God het is. Ik zou zeggen: je geraakt in een andere tijd: de mystieke tijd, of de tijd waarin er ruimte is voor meditatie, waar de stilte meer zegt dan alle woorden en waar Christian Wiman ook weer een nieuwe grond onder de voeten kreeg voor poëzie. Zijn woorden vonden een nieuwe ruimte om in te leven en te ademen.  

Heel mooi vind ik de anekdote over zijn dochtertje in een essay uit 2016: I Will love you in the summertime. Het naar-bed-gaan-ritueel eindigt altijd dat hij zegt: Ik hou van jou, en er dan automatisch terug komt: ‘Ik hou ook van jou.’  Maar op die dag zegt zijn twee jarig dochtertje ineens niks. En dan na aandringen: I will love you in the summertime... 

De exacte betekenis ervan is ongrijpbaar. Ik denk erbij: Er is een tijd van volte en warmte en daar kan ik met heel mijn hart van alles houden, dan zijn de woorden van liefde wáár: voor alles en een ieder op deze aardbol...die tijd komt, maar is er nu nog niet... je gelooft dat er een tijd komt dat je louter zult liefhebben, dat alles elkaar omarmt en voor elkaar zorgt, een verlangen dat diep in elk mens leeft en misschien dichtbij komt en levend blijft, als je in elk moment van je leven tegelijk vreugde en verdriet, pijn en het ontstijgen ervan kunt ervaren. En bij Wiman gaat het ook over zeer reële lichamelijke pijn. Uitstaan naar alles wat er op je pad komt, je niet afsluiten, je er volkomen aan overgeven.

I will love you in the summertime: ja, dat wil ik ook wel elke dag als geloofsbelijdenis uitspreken. Zo’n houding maken de woorden in het nu volgende gedicht van Wiman tot werkelijkheid. Het gedicht, geschreven na zijn zich toewending tot God, wordt, schat ik in, het meest geciteerd, want ik heb het op het internet gevonden:

To Every riven thing
God goes to every riven
thing he’s made
sing his being by simply being
the thing it is:
stone and tree and sky
man who seeks and sings and wonders
why

God goes. Belonging to every riven. 
 thing he’s made,
means a storm of peace,
Think of the storm inside the stone
Think to will himself into a stillness
where

God goes belonging. To every riven
 thing he’s made
there is given one shade
shaped exactly to the thing itself:
under the tree a darker tree;
under the man the only man to see.

God goes belonging to every riven
 thing. He’s made 
the thing that being him near,
made the mind that makes him go.
A part of what man knows,
a part from what man knows,

God goes belonging to every riven
thing he’s made. 

vrijdag 2 maart 2018

Superorganism

Ik zit al twee dagen lekker warm binnen. De ijskoude wind giert rondom het huis. Gisteren was ik toch echt van plan om 's avonds naar het verkiezingsdebat te gaan in het wijkatelier, nog geen honderd meter verderop, had daar ook op tijd voor gegeten (ik ben een late avondeter), maar toen het puntje bij paaltje kwam bleef ik toch lekker thuis op de bank. Vanavond is er weer een Taizé-viering, maar ik geloof dat het er niet van zal gaan komen. Ondertussen zag ik een filmpje van een besneeuwd Venetië en Terschelling met besneeuwde duinen en zou daar wel even willen zijn...

Vandaag heb ik een nieuwe band ontdekt door een artikel in Trouw:  Superorganism. Vandaag komt hun eerste cd uit, met dezelfde titel. Hun logo of vignet of beest dat ook telkens in de videoclips verschijnt is de reuzen walvis. Het grootst levende dier op aarde en die zwemt nu door het internet heen en alle gekleurde deelwerkelijkheden die ze maken. Zij zijn dat:  een superorganisme, acht jonge mensen die elkaar via het internet hebben leren kennen, sommigen al tien jaar geleden,  in verschillende continenten: Nieuw Zeeland, Australië, Japan, Zuid-Korea. London en daar wonen ze nu tezamen in een rijtjeshuis: 'Acht breinen die zijn samengesmolten', zeggen ze erover.

Ik was meteen verkocht. Misschien ook wel omdat het gezicht van de band Orono, Japans en klein van stuk, zij kent bandleden al vanaf haar vijftiende online en wordt binnenkort achttien, op een nichtje, toen ze jong was, van me lijkt. Zo totaal zichzelf: verlegen, zingt vanachter een petje bij een van de eerste live optredens in New York, met zijn allen zittend op een vloerkleed, ritmes trommelend met de handen, een gitaar en een computer-keyboard met appels voor de neus waarin ze later smakelijk happen en je denkt dan aan Apple, het internet, zonder welke ze nooit hadden bestaan, maar ze houden ook gewoon van fruit.

Hun eigen ego telt helemaal niet, zeggen ze in interviews, daar zijn ze helemaal niet in geïnteresseerd, ze zijn de hele dag bezig met zelf dingen verzinnen, dat brengen ze dan bij elkaar op het einde van de dag, kijken of het werkt en of het wat wordt. Orono is dat echte meisje, maar tegelijk dat beeld op internet en zo kenden ze elkaar tenslotte allemaal eerst ooit : als beelden op het internet, dingen delend met elkaar, dat is het enige dat telde. Dus de cd beschrijft in liedjes een dag uit het leven van Orono, van de wekker die gaat in de ochtend totdat ze weer gaat slapen, in hun eigen huis. Ik hoor in meerdere liedjes het getjirpt van vogeltjes.

Hun muziek, ‘bliebjespop’ noemt het artikel het,  is beïnvloed door werkelijk van alles, want de ene houdt van metal en de andere van jazz enzovoort, maar wat ze vooral delen is dat via Spotify ze muziek, ook van tijden geleden en van over de hele wereld al sinds hun eigen mensenheugenis tot zich hebben genomen. Land, continent, eigen cultuur is secundair. Ik hoor ook van alles. Soms een heel oude melodielijn van Lindsey de Paul, of Middle of the Road, weet ik veel?

Dit gaat dus niet meer over globalisering, want globalisering veronderstelt op de bodem culturele en religieuze eigenheid, werelden die ooit los en gescheiden van elkaar ontstaan en gegroeid zijn. Maar er komen nu breinen die van jongs af aan razendsnel over de wereld en door de tijden heen hebben gesurft, connecties met elkaar makend,  waardoor er een superorganisme ontstaat, waarin het geheel veel meer en beter is dan de delen. Ik verwacht in de nabije toekomst nog heel veel van dergelijke superorganismen.

donderdag 1 maart 2018

Weer een mens geworden

Ik was aan het bladeren harken rondom de skelterbaan, zie ik in de verte een lange dunne gestalte met een witte wollen muts met een grote bolle pompon daarop naar me zwaaien en dichterbij komen. Ik herkende haar zo niet, dus ik blijf dan kijken zonder meteen terug te zwaaien, maar de lange arm met de witte want hield niet op met bewegen. Het bleek de leidinggevende J. te zijn.

‘Mirjam, wat fijn dat ik je zie, ik denk al elke dinsdag en woensdag dat ik langs wil komen en het kwam er steeds niet van, maar nu heb ik de auto meegenomen en straks ga ik door naar Lindenholt. ‘ Ze vroeg hoe het met me ging en ik zei haar dat het me nu uitstekend beviel, al heb ik, zoals ze wel weet, eerst moeten wennen aan het idee. En dat ik nu weer elke nacht ononderbroken sliep. Ze reageerde exact zoals ik dacht: 'O, daar ben ik zó blij om', en ze schudde met haar hoofd heen en weer van plezier. 

Ze noemde nog eens het nadeel: dat het wel wat ver was van mijn huis, maar ik zei dat het reisje met de bus me wel beviel en dat ik genoot van de locatie en het bos. 'Het is zeker weleens lawaaiig nu, met die werkzaamheden?’ Ze doelde op de bouw van het Romeinse ford. En ik vroeg haar of ze er al eens met haar kinderen was geweest, nee nog niet echt uitgebreid. Mart, de oudste was nu vijf en was wel een keer mee geweest toen ze er een korte bespreking had. En we wisselden nog wat ditjes en datjes en wetenswaardigheden uit.

Ik zei dat ik blij was, haar even gezien te hebben en ik meende het. Want nu was ze weer een mens geworden en niet meer die ontzielde schim op het einde van de  ondertekeningsbijeenkomst. Dat zei ik er  natuurlijk niet bij. Ik ontdek dat mijn blik langzaam opschuift: met de acceptatie dat de meeste mensen nou eenmaal meerdere rollen hebben te spelen in hun leven, gaat het er me uiteindelijk alleen maar om dat het gewone gelijkwaardige contact en de ontmoeting van twee mensen mogelijk blijft.

Vroeger zou ik het allemaal eerder hypocriet vinden, dit op-en-neer en het now you see me, now you don’t. Nu denk ik: honderd keer liever dit, dan mensen die zomaar niet meer thuis geven, terwijl je dacht dat er een vriendschap was of echte verbondenheid. Ik heb daar een nieuw woord voor: ik noem dat een kloosterstreek. Nee, dat is niet flatterend voor het reilen en zeilen binnen kloosters, maar helaas is dit wat ik er heb meegemaakt: mensen die zich onbereikbaar en ongenaakbaar maken in hun eigen heilige wereld... Met God aan hun zijde om je achter te verschuilen. Terwijl  ‘God’ voor mij juist het ultieme woord is dat opent en je bevrijdt van je eigen kleine waanideeën van almacht.