zaterdag 7 februari 2009

Celebrate!

Woorden zijn vreemde dingen... Ze roepen werelden op en in een paar woorden verandert soms zomaar het universum in iets wat je niet eens begrijpt als je het werkelijk probeert te visualiseren. Neem nu het volgende uit Leaves of Grass van Walt Whitman (1819-1892) uit het beroemde gedicht Song of Myself:

What do you think has become of the young and the old man?
And what do you think has become of the women and the children?

They are alive and well somewhere,
the smallest sprout shows us there is really no death,
And if ever there was it led forward life,
and does not wait at the end to arrest it,
and cease the moment life appeared.

All goes onward and outward... and nothing collapses
and to die is different from what any supposed, and luckier.

Is hier iets van te snappen? Walt Whitman evoceert een wereld na, naast, boven of onder de wereld die we kennen. Een wereld waar dood, iets anders is dan wat wij denken of kunnen weten. In die andere wereld wordt een sfeer, energie, visioen gecreëerd, die niks met onze begrippen van tijd en ruimte te doen heeft.

Het lange, lange gedicht begint wél bij het waarneembare:

I celebrate myself
and what I assume you shall assume,
for every atom belonging to me as good belongs to you.

I loaf and invite my soul...

Als je je in deze stroom van woorden kunt begeven en je mee kunt laten stromen, dan gebeurt er iets met je. Ergens begin je te voelen dat het leven er is,om gevierd te worden, dat je intens en met volle overgave van jezelf houden mag en dat zó elke atoom van jezelf dezelfde is als die van ieder ander.

De anderen: de levenden. En de doden. Al je veronderstellingen verdwijnen. Niets weten en toch meegaan in dat onbekende, ongrijpbare, oncontroleerbare proces: Voort-Durende Metamorphose.

donderdag 5 februari 2009

Stoofpotje Mariakasih

Gisteren is het concept 'troosteten' bij me binnengekomen. Het was grijs en koud weer, ik ben Albert Heijn ingedoken en heb er appeltaart gekocht. En slagroom en nootjes. En riblappen voor een stoofpotje. Thuisgekomen, een hele sloot olijfolie in de pan gegooid, riblappen met vers gemalen peper, zeezout en paprikapoeder erbij, verse laurierblad uit de tuin, rozemarijn en basilicum en knoflookteentjes. Een beetje kaneel en een beetje cacao, water, rode wijn... en sudderen maar.

O. Ik vergeet de wortelen in stukken en de knolselderie in dunne schijfjes en nog een oude koolrabbi uit het groentenpakket. De oude sangria uit de koelkast met de donkerrode, bijna zwart geworden stukjes appel erin en de oude salami en de al bijna beschimmelde bierworstjes die ik rondom de Kerst uit het wijkcentrum had meegenomen. Wat een heerlijk, vredig, genoegzaam geluid, die deksel op de pan en erbij zitten met een boek tegen de verwarming.

Warme chocomel met slagroom, taart, een glaasje whisky, de kruidige geuren van het stoofpotje die intenser en indringender het huis bewierookten... Ik denk dat ik het maar 'stoofpotje Mariakasih' noem. Gemaakt uit resten oud eten: Vader zou daar wel lol in hebben gehad. Die nam alles wat los en vast zat mee uit een vliegtuigcabine en die maakte 's ochtends vroeg altijd nasi goreng van de oude overgebleven rijst. Veel ketjap, suiker, ei en peper, dat was het zo ongeveer.

Ik knapte er werkelijk van op. Voordat je het weet stouw je je huis en je maag vol met steeds weer nieuwe zoetigheden en lekkernijen. En dan het liefste gemaakt van 'scharrel-eten', her en der bij elkaar geplukt, gratis. Als ik het in huis had gehad, dan had ik me tenslotte nog in één van de vele vliegtuigdekentjes gewikkeld, die hij standaard in zijn handbagage het vliegtuig uitsmokkelde. De theelepeltjes waarmee ik mijn koffie roer, komen uit het vliegtuig. Zelf meegenomen. Van Vaders voorbeeld moet je het hebben in het leven!

Dertig cent

Soms wil je van jezelf niet weten wat voor harteloos wezen je bent. Nu even wel, dus. 'Hebt u dertig cent alstublieft, hebt u dertig cent alstublieft?' Ik hoorde en zag haar al van verre aan komen leuren. Die dikke Surinaamse dame, die vijftien jaar geleden al om een kop koffie kwam vragen in cafés, later om guldens vroeg en nu om het uitgekiende bedrag: dertig cent. Net niet teveel, wel twee muntjes, dat wel.

NEE, zei ik, toen ze voor me stond. Ze herhaalde gewoon nogmaals haar vraag en weer zei ik: Nee. Hoe koud en harteloos. Alle rationaliseringen zijn natuurlijk paraat: in het buitenland zeg je ook altijd nee, want je kunt er niet aan beginnen, anders komt er een horde van 'dit soort mensen' op je af. In Nederland hoef je niet te bedelen en ze trekt er een kroket voor, dat heb je al eens eerder gezien.

Ze gaat maar door, houdt het dan nooit eens op ? Nu krijg ik de herinnering, dat ze ooit een door mij meebetaalde kop koffie omstootte en met daze ogen er een beetje om ging lachen hoe de koffie richting mij van de tafel lekte en daarna om een nieuwe kop koffie vroeg. Zou dit mijn antipathie tegen haar te verklaren? Waarom is ze potverdorie, ook nog eens een buitenlandse? Ze draagt bij aan de stigmatisering rond bruine velletjes.

Enfin. Misschien had ik het helemaal langs mij af laten glijden, ware het niet dat ze de vraag na mij stelde aan een blond meisje met lange haren van een jaar of zestien. 'Dertig cent?' vroeg die verwonderd terug... 'Ja.' En het meisje diepte met een dromerige blik haar portemonnee uit haar spijkerbroek en overhandigde de dertig cent.

O,o,o, de jeugd... de onbevangenheid en onschuld daarvan. Ik word oud.

woensdag 4 februari 2009

Woestijngarnalen

Zonet zag ik een prachtig plaatje vanuit de bus, die bij een drukke bushalte stopte, zodat ik er nog langer van genieten kon. In de mist stonden marktkraampjes met blauwwit en groenwit gestreepte tentzeilen, er stommelden wat vage figuren rondom in een soort besloten witte onscherpe winterwereld. Maar er schenen warme lampen op de sinaasappels en appelen, bolletjes rond van glanzende kleur, oranje en geel, felgroene groenten daar weer naast. Alles straalde en vibreerde onder die lampen, in een toverachtige gloed.

Wat kan voedsel toch een enorme bron van troost zijn, dacht ik. Al die smaken en sensaties, die kleuren en vormen. Moeder had voor elk kind uit het beste Chinese restaurant van Rotterdam, volgens velen, een witte plastic tas met 'woestijngarnalen' gekocht. Heerlijk. Grote garnalen waarvan je de kop moet breken en die moet uitzuigen, het krakerige velletje pellen, een scherpe smaak van gedroogde pepertjes gemengd met warme rijst en een korrelige substantie die ik niet thuis kon brengen.

Dat zal wel de woestijn zijn, van die woestijngarnalen. Een onmogelijke combinatie: garnalen wier habitat het water is, geassocieerd met de zanderige vlakten van de woestijn. Zulk voedsel heeft een grote symboolwaarde, vind ik. De cultureel antropoloog Claude Levi Strauss heeft daar veel aandacht aan besteed. De westerse keuken, zo betoogt hij, kent gangen: je eet het ene na het andere en dat zegt iets over het lineaire tijd bewustzijn van de westerse mens.

De oosterse keuken daarintegen eet alles door elkaar heen: zoet en zuur, vlees en vis, nat en droog. Het Oosten kent dan ook een cyclisch tijdsbewustzijn, men denkt aan keer en wederkeer, aan dat wat vergaat en toch weer terugkomt.

Woestijngarnalen... prachtig voedsel dat aan Vader doet denken. Grensganger als hij was tussen meerdere culturen en landen. Hoe passend dat Moeder elk van hun kinderen zo'n portie toebedeeld heeft.

dinsdag 3 februari 2009

Togetherness

Als ik iets van mijn stemmingen en gevoelens zou begrijpen... dan zou het leven wellicht heel saai worden, want voorspelbaar. Ik had een beetje 'last' van een huilerige stemming, nou ja niet zo gek als je Vader drie weken geleden begraven hebt, dacht ik zo. De Tarot gaf ook de kaart Bekers Vijf en de associaties vlogen me om de oren. Ziedaar: de rivier, mijn thuisgrond en daar sta je dan aan de ene oever, gehuld in een zwarte cape. Inkeer, tijd van de rouw.

En dan ineens, zomaar in de bus werd mijn stemming plotsklaps licht. Ik dacht aan een foto van Vader in zijn laatste week, volkomen vermoeid, haren verward, op een hoge stoel, alsof zijn lichaam de zwaarte van een kolossale olifant had, log, aan hemzelf vreemd en ik zei tegen hem: nou... daar was je er toch ook niet helemaal .. en waar ben je nu dan?

Ineens hoorde ik zijn stem, zag zijn olijke blik en de regels die hij vroeger in mijn poëziealbum had geschreven:
Lach en lach
en lach een keer,
als jij lacht, lacht een ander weer
en men lacht menig, menig keer,
het leven is niet moeilijk meer,
omdat jij lachte, op die keer!

HA! Daar kun je mee vooruit. Uit de bus gestapt begon ik spontaan It's a wonderful life te zingen van Louis Armstrong: I see fields of green and skies so blue... and I think of myself, it's a wonderful life...

Vader voelt weer even aan als dichtbij. Als ik mijn ogen sluit, dan kijkt hij weer schuin achter mij mee: Don't worry be happy. Veel Togetherness, wenste hij een poos lang op elke kaart die hij schreef. Ik antwoord maar even terug:

Weet je wat ik graag zou willen zijn,
een bloemetjesgordijn, een bloemetjesgordijn,
lekker hangen aan het raamkozijn, een bloemetjesgordijn!

maandag 2 februari 2009

Nu

Gisteren een halve dag in Rotterdam doorgebracht. Eerst zag ik 'Kabouter Buttplug' (zie blogje Let's play! 1 dec 2008) en ik vond het des te onzinniger dat hij daar zomaar stond, gesponsord door de winkeliers rondom het pleintje. Zwart is hij, met dreigende, kwaadaardige ogen, alsof hij al het licht absorbeert. Dit is geen gezellige vent met een kerstboompje in de hand en een jinglebell in de andere. Er luidt een noodklok, maar de winkeliers aldaar hebben dovemansoren.

Vervolgens naar het Nederlands Fotomuseum op de kop van Zuid, vlak achter Hotel New York, waar vroeger de Holland-Amerika scheepsdienst van vertrok, voor de tentoonstelling Questioning History: de verbeelding van het verleden. Hé, daar komt een mens weer van bij. Fijn toch, dat er mensen zijn die vragen blijven stellen bij van alles wat vanzelfsprekend lijkt.

Meteen geraakt was ik: Ik hoorde Pie Jesu, van Fauré, gezongen door een vrouwelijke sopraan. Op de begrafenis van Vader werd dit ook live gezongen. Een opmerkelijke keuze bij de videofilm die daarbij hoorde: The Three Failures ( 2006) van Michael Blum. Je ziet een man lopen in een rode overal en een soort eskimojas, door besneeuwde straten van Riga en Malmö, die weer naadloos overgaan in de straten van New York. Hij vertelt hardop zijn sprookje dat de ondergang verhaalt van achtereenvolgens het communisme, de sociaal-democratie en het kapitalisme.

Een heel andere ervaring gaf de donkere kamer van David Claerbout, die Venice Lightboxes (2000) heette. Je stommelt de donkere ruimte in en pas na enkele minuten, als je ogen wennen aan het donker verschijnen aan weerzijden twee afbeeldingen van het St Marcoplein van Venetië in de nacht en de 'skyline' van Venetië. Het langzaamaan van deze lichtgeelgrijze beelden laat je voelen in welk schril kontrast de stortvloed van schreeuw-en-kleur beelden je zinnen meestal doen afstompen en verstommen.

Ook huiveringwekkend was de installatie van Dennis Adams, Making Down (2004/2005) geheten. Op een video zie je een man zijn legerschutkleuren van zijn gezicht afschminken met de papieren kopieën van het portret van een beeldschone vrouw. Achter je een glazen bak met frommels van al die af geschminkte portretten, besmeurd met groen en bruin. Het blijkt het gezicht te zijn van een terroriste, die doordat zij haar zwarte sluier af heeft gelegd en te verschijnen als een moderne westerse vrouw, een geslaagde zelfmoordactie heeft kunnen ondernemen.

Iets heel anders waren twee geconstrueerde foto's met daarop een bijna levensechte oogende lopende band en detectieapparautuur op een vlieghaven en een piepklein keukentje met alles daarop en daaraan, van boordkarton. ( Thomas Demand; Gate, 2004 / Kitchen 2004). Blijkt het een reconstructie te zijn van de keuken in het schuilhol van Saddam Hoessein en de poort waardoor Mohammed Hatta van de Twin Towers met levensgevaarlijk spul heeft kunnen doorlopen...

Grappig was het teruggedraaide filmpje van een evenement in een zomerpark, waar een standbeeld van Lenin werd omgezaagd en van zijn sokkel werd getakeld. Mensen juichen en lachen en Lenin zwaait met een hand naar een ieder en het is alsof hij verschijnt in plaats van verdwijnt. ( Deimantas Narcevicius; Once in the XX century, 2004)

Ook iets om over na te denken: de gebroeders Lumiere staan erom bekend dat zij het bewegende beeld hebben uitgevonden, maar het blijkt al jaren daarvoor te zijn bedacht door ene meneer Le Prince. In detail wordt verteld hoe hij erop kwam dat beelden konden bewegen door ze achterelkaar te plakken, een paar seconden bewegend beeld maar, van een brug ergens in een Frans stadje. Onderwijl zie je in een loop, ratelend afgedraaid op oude filmapparatuur op een oud verkreukeld laken, beelden van dezelfde brug, nu. Ineens realiseer je je, hoe anders de wereld moet zijn geweest en daarbij het bewustzijn van mensen, toen er nog geen bewegende beelden waren! (Matthew Buckingham, False Future 2007).

Ach, het zijn maar wat voorbeelden van een tentoonstelling die je bewust maakt dat er niet zoiets bestaat als geschiedenis, of hét verleden. Alles is een voordurende interpretatie en een selectie van talloze feiten, meningen, individuen, perspectieven, enzovoort , enzovoort. Zo kom ik weer terug bij mijn thema van de laatste tijden: dat alles en iedereen in Metamorfose verkeert. Niets blijft zoals het was, alles wat was blijft veranderen, alles wat komt wordt in het heden: Het Verleden is Nu en de Toekomst is Nu.

Thuisgrond

Dood ben ik pas, als jij me bent vergeten... Dit lied van Bram Vermeulen draaide men op de crematieplechtigheid die ik zojuist heb bijgewoond. Voor stond dezelfde kist als die van Vader en ik kon het handvat bijna voelen toen ik hem mee de kerk indroeg. Ik kreeg natte ogen. Ik ben niet echt dood, moet je weten...

Vreemd natuurlijk, dat Bram dat liedje ooit schreef en hij niet zo lang daarna ook dood is gegaan. Hoe kom je erbij, om zo'n liedje te schrijven? Is dat emphatisch meevoelen met de nabestaanden? Eerlijk gezegd denk ik: als ik dood ben, ben ik dood. Of jij me zult herinneren, dat is aan jou. Het heeft toch ook iets van een direktieve opdracht: dood, ben ik pas, als jij me bent vergeten... Met ander woorden: vergeet me niet!

Het is niet anders: je sterft tijdens je leven vele malen. Hoeveel mensen zijn jou niet vergeten? Zo beleef je tijdens je leven ook de verrijzenis: al ben je ooit dood verklaard door een ander, jij leeft voort en een nieuw leven ontvouwt zich weer in jou en door jou, rondom jou. De phoenix rijst op uit de as.

Dood is dood. Na de crematieplechtigheid ging ik even buurten op het kerkhof, waar Vader ligt. Ik haalde alle oude bruine verwaaide eikenblaadjes van zijn verse graf af en plukte ze uit de bloemstukken die er nog aardig bijlagen. De vijf roze grote cameliabloemen waren doorzichtig dun wit geworden en uit de vijf twijgen van de katjes bloeiden groene blaadjes. Dood is dood, maar zijn vijf kinderen bewonen nog de aarde. Nu kun je de structuur van het bloemstuk van Moeder beter zien: twee grillige takken aan elkaar gebonden, overladen door de 57 rozen van hun jaren samen.

Zo was het ooit: twee mensen die elkaar niet kenden ontmoetten elkaar en er onstond nieuw leven. Ook Moeders familie is verstrooid over de vele windstreken: Canada, Amerika, België , Nederland. Op de verjaardag van Tante M. zag ik deze tak. Een andersoortige tak en volgens meerderen leek ik op Vader, de tak die niet de hunne is.

Terwijl ik de aarde bij Vaders graf met mijn vingers wat harkte dacht ik: ook daarom is deze plek aan de rivier voorgoed mijn thuisgrond geworden. Niet alleen omdat mijn familie hier is ontstaan, maar ook omdat hier het leven van een van die takken voltooid is. Hier ligt Vader, dit is de plek die nu van hem is en dat blijft voorlopig zo.