vrijdag 20 november 2009

Fantoompijn

Vandaag voelde ik me net een oud dametje in een kuuroord. Ik geloof dat in de film De tweeling, die twee zussen elkaar ook in een zonnige, koude tuin van een kuuroord, na een leven lang weer ontmoeten. Ik zat namelijk in mijn tuin met een dekentje over mijn benen en een dik vest aan, in de lage zon die nu weer de hele ochtend op het terrasje scheen, omdat de boom van de buurman kaal is geworden. Ik las Veranderend licht van de Deen Jens Christian Grondahl uit. God, wat een prachtig boek!

Het boek legt minutieus bloot wat in het boeddhisme het 'web van de onderlinge afhankelijkheid' heet. Alles, alles heeft met elkaar te maken, zowel alles wat er in je binnenwereld woelt en de wijze waarop dat van invloed is op alles en alles in de buitenwereld. Hoe het besef dat alle mensen dit gelijk met elkaar delen, je ook weer laat zien hoe jij je wel of niet met al het andere verbonden hebt.

Een citaat maar: Andere mensen. Je kent ze niet, ze leiden hun onbekende leven, en toch, denkt Irene, is er in elk onbekend leven iets waarnaar je herkennend zou kunnen knikken. In elk leven vind je waarschijnlijk af en toe een gevoel van onvermogen, de resten van een oorspronkelijk verwonderen. Als een fantoompijn, een vage maar pijnlijke herinnering aan een gemiste kans, iets wat je verzuimd of domweg verloren hebt.

Hier gaat het om. Je dit realiseren. Dat er ergens als onderstroom in het leven het mogelijk is om authentiek te zijn, dicht bij jezelf. Dat dit kennelijk niet altijd kan en niet voortdurend. Dat je jezelf hervinden kan en dan weet dat je jezelf ontrouw was en daarmee ook ergens ontrouw bent geweest aan het leven zelf en alle mensen daarin. Dit klinkt gauw zo vaag en het is gaan horen bij het terrein van het zweven, de taal van de spiritualiteit, maar in dit boek is het ingebed in een allerdaags verhaal, zo'n levensverhaal dat het jouwe had kunnen zijn.

Op het einde van het boek, nadat Irene een ontmoeting heeft gehad met haar biologische vader, een joodse musicus en cellist die in zijn ervaring van Muziek dezelfde verbondenheid deelt met elk andere, dus ook met Irene, zijn ineens opgedoken dochter, die desondanks een vreemdelinge blijven zal, neemt Irene in haar auto terug naar huis van Slovenie naar Denemarken een lifter mee.

Pagina's lang, zolang als de reis duurt, leeft Irene zich in deze lifter in, met wie ze niet spreken kan, ze kennen elkaars taal niet. Hoe deze vreemdeling net als haar een leven wilt met geluk daarin, vervulling. Op het einde begrijpt ze dat hij illegaal het land in wil komen en laat ze hem plaatsnemen in de kofferbak van haar auto. Ze zet heel hard Mozart op en hoopt dat hij het ook hoort. We zijn allebei op weg, jij en ik. Voor jou is alles nog onbeslist, voor mij is het al aan de late kant.

En dan volgt de laatste alinea van het boek: Het is aldoor hetzelfde begin. Het leven verandert constant, en er is geen plek ter wereld waar we thuishoren. Een begin heeft geen aankomst, geen eindbestemming. De hoop is dakloos, maar niet klein te krijgen, stromend onder een zonnescherm in het veranderende licht van de kalme waterspiegel. Naakt en fijngeslepen, glanzend van vochtige hars. Een hart van populier en spar, zo licht en iel dat het kan trillen en weerklinken van alles wat er passeert.

Ik geloof dat ik in de winter geen bloemen meer kan kopen. Want vlak voordat ik me in dit boek begaf, las ik in de krant over de bloemenstad Naivasha in Kenia. Daar werkt Irene Julia Anyango, 32 jaar, weduwe en moeder van vier kinderen. Voor 27 euro per maand plukt ze en knipt ze bloemen: 500.000 per maand vervoert de firma Maaskant die naar de Nederlandse bloemenveiling en met hem nog twintig andere Nederlandse teelers.

Haar handen hebben een groene aanslag op een schubachtige huid met droge zwarte puntjes. Ze mag geen handschoenen dragen want die beschadigen de bloemen. Haar handen staan dus aan het begin van dat bosje dat jij voor de gezelligheid in een vaasje duwt in je mooie, warme geriefelijke huis. Voor de fleur en kleur. Het wordt tijd voor een fairtrade keurmerk, maar of dat zal lukken met hét exportproduct van Nederland, de Bloem?

In het web van de onderlinge afhankelijkheid is er ook altijd fantoompijn. Maar ik weet niet of ik me dit met bloemen wil laten zeggen.

donderdag 19 november 2009

Sinterklaasje

Het is wel grappig om te zien hoe Nichtje omgaat met het gegeven dat ze nu weet dat Sinterklaas niet bestaat, maar dat hij toch afgelopen zaterdag in het land kwam. Eerst had ze aangegeven dat ze wel bij Oma boven wilde kijken, 'met andere ogen', had ze daarbij gezegd, hoe de Sint aan De Waalkade aankwam. Maar uiteindelijk zijn ze toch naar de vertrouwde aankomstplaats in hun dorp gegaan.

Vorig jaar zeer verlangend om Sinterklaas zelf een hand te kunnen geven, maar nu maakte het haar niet uit en had ze zich gestort om zo dicht mogelijk bij de Zwarte Pieten te komen, om zoveel mogeljk pepernoten te scoren. Sinterklaas bestaat niet, maar hij hangt wél in de lucht.

Met haar verzon ik een nieuw Sinterklaasliedje, een walsje en inhaakliedje:
In een Spaanse villa, op een Spaans terras
daar zat Sinterklaasje, lekker in zijn sas
en ook alle Pieten, die waren aan het genieten
In een Spaanse villa, in de Spaanse zó-o'-o-o-o-o-o-n!
Zon zo lang mogelijk aanhouden, totdat je geen adem meer krijgt. Wij hadden bijna geen adem meer, van het telkens herhalen van dit liedje.

Had dit liedje vorig jaar ook gekund? Nee, want toen zong ze naár Sinterklaas toe en nu zingt ze óver hem en is hij notabene ook nog in Spanje. Maar je moet toch wat, met een tijd waarin er iets in de lucht hangt en het harde feit dat het er niet is, blijkt dan maar gedeeltelijk waar. Het is zoiets als love is in the air, dan is er tegelijkertijd niks en van alles. Dat zat ook in de film die ik gisteren zag: New York, I love you.

Wat zat ik heerlijk met een glimlach in het donker in mijn bioscoop stoel! Door het camerawerk lijkt het net of je meewaait met een geest door New York, soms net boven ooghoogte, soms daal je neer en volg je wat mensen, soms streelt-ie langs gebouwen, bankjes in Central Park, de Brooklyn Bridge, een zonsondergang aan de Hudson.

Het is onmiskenbaar een goede geest: eentje van liefde, tederheid en mededogen. Hij daalt neer en je maakt anekdotisch wat levensmomenten mee van willekeurig wat mensen. In de Joodse gemeenschap, Italianen, er komt een Puertoricaan voorbij, taxichauffeurs, jongeren in de kunstscène. Van alles wat, met bijdragen van verschillende regisseurs, al miste ik achteraf een verhaaltje met Negers. Er zijn geen Zwarte Pieten in dit NY.

Die levensmomenten zouden écht kunnen zijn, maar de mogelijkheid dat het alleen in het hoofd zit als fantasie, of als herinnering of dat er een menselijk engel even praat en zo het lot van iemand even verandert; dat kán ook. Vandaar mijn glimlach, waarschijnlijk. Ik geloof namelijk heel erg in het tussengebied, waar de geest kan waaien en je mogelijkheden en ervaringen geeft die er anders niet zouden zijn. De werkelijkheid is zo gelaagd: er bestaat zoveel tegelijkertijd wel en niet en wel, heel engelachtig, heel sinterklaasje.

woensdag 18 november 2009

Veranderend licht

Het houdt me deze week bezig: de verhouding tussen vorm en inhoud. Vanochtend las ik in Trouw een bericht over de 500.000 vergeten Australiërs, die als kinderen tussen 1930-1970 in kindertehuizen in een soort kinderslavernij leefden. Ze werden gedeporteerd, zoals een slachtoffer dat noemt uit o.a. Groot Brittannië omdat dat goedkoper was dan ze in eigen land op te vangen. En jawel: de kerken waren de spil hierin.

Over de fraters van de Christian Brothers getuigt een kind: 'We werden ook seksueel misbruikt. De broeders kwamen 's nachts naar onze bedden en namen ons mee naar hun slaapkamers. Ze gebruikten ook grof geweld. Ik had op een dag met zes andere jongens druiven geplukt in de tuin. We hadden honger.' De overste kleedde hem als straf naakt uit en ranselde hem af in het bijzijn van de andere iongens. En deze lui zitten dan overdag regelmatig te bidden: de vorm ziet er mooi en hemels uit maar de inhoud is de pure hel.

En ik lees van Jens Christian Grondahl: Veranderend licht. Daarin ontdekt de 56-jarige Irene dat haar man Martin een ander heeft. Dat zet haar aan tot zelf onderzoek en ze komt er tot haar eigen ontzetting achter, dat ze wellicht nooit van hem gehouden heeft. Dat Martin wellicht zo hoffelijk is, om nu de schuld van de scheiding op zich te nemen, terwijl de liefdeloosheid uit haar zelf komt.

Ze bezoekt haar moeder. ' Irene kijkt naar haar moeder. Zij heeft haar hele leven doorgebracht met de zorg voor het uiterlijke kader van het leven; ze ging erin op, verfraaide het, administreerde de betrouwbare, regelmatige onveranderlijkheid ervan. Ze had het zo druk met dat kader dat Irene soms de indruk had dat haar moeder helemaal vergat wat erin zat. De inhoud, de inhoud van het leven. Maar kun je onderscheid maken tussen het leven en de inhoud daarvan?

Dat is voor mij de vraag: leven en inhoud hebben met elkaar te maken maar hoe? Een klooster, de uiterlijke vorm van het leven in broeder of zusterschap, kan net zo goed de façade zijn van een hel eronder. Een huwelijk dat dertig jaar duurt en een onveranderlijke rots lijkt in de branding, kan hol, leeg en kaal blijken. Wanneer ik me bezig houdt met het schrijven van een mooie meditatie, dan kan de vorm en de inhoud wel helemaal kloppen, maar tegelijk niet gelijk lopen met hoe ik me verder gedraag.

Ook ik heb de neiging om het ene in mijn leven als belangrijker, dieper, en mooier te beschouwen dan het andere. Mijn gedrevenheid is eerder gericht op het lezen en genieten van mooie boeken, kunst, de natuur. Ik mediteer liever dan me druk maken over het feit of ik de biljartballen heb opgeruimd in een wijkcentrum dat tussentijds wordt afgesloten en waar niemand meer komt totdat de volgende dienst heeft.

Maar stel dat dit voor een collega nu heel belangrijk is? Dan behoor ik zijn behoefte daaronder, van aandacht en serieus genomen willen worden wel serieus te nemen. Liefdeloosheid is zo geschiedt. In een liefdesrelatie kun je niet voortleven op de macht der gewoonte, in een klooster kun je je niet verbergen achter heilige teksten en het samen bidden. Zo wordt onverwachts, een biljarttafel een plek van gebed, waar vorm en inhoud samen kunnen vallen. Merkwaardig toch; Het Leven. Zoals in het boek van Grondahl: het licht verandert.

dinsdag 17 november 2009

Leerzaam

Vroeger heette dat: werken aan jezelf. Met slimme strategieën en theorieën was er winst te halen voor jezelf als je ánders leerde handelen en ander over jezelf leerde denken en voelen. Dan kom je op een leeftijd dat je dat allemaal wel gehad hebt. Denk je. Na vanochtend, na een training met collega's om de werkverhoudingen te verbeteren en ik daar moe vandaan kom, valt niet te ontkennen dat je altijd wel weer wat kan leren.

De theorie van de Jakhals en de Giraffe. Ik besteedde er al ooit eens een blogje aan omdat ik me doodergerde dat deze theorie werd uitgestort onder leidinggevenden en interieurverzorgsters, tegelijk. Ik heb er zelfs een brief over geschreven aan de organisatie. Die cursus is ook niet doorgezet. Dus ik had wel een beetje gelijk. Maar mijn ergenis van toen, zegt ook dat het me ook wel raakte: Dat wat irriteert, daar moet je wat mee, dus oké.

Het is best wel Zinnig om naar je eigen communicatie te kijken of en wanneer je een jakhals bent of een giraffe. De jakhals valt aan, beoordeelt en veroordeelt en de Giraffe heeft een groot hart en richt zich daarmee met gevoel naar anderen. Volgens mij ben ik in het laatste aardig goed, behalve als er een jakhals naar mij gericht wordt, zo leerde ik vandaag.

Een Jakhals naar mij doet me ofwel dichtklappen onder het mom van: de wijste zwijgt. Ofwel het maakt de Jakhals in mezelf wakker en dan ontstaat er een woordenstroom. Niet helemaal in balans, want dan blijf ik schieten en kan bijna niet ophouden. Héél leerzaam. Nog interessanter is de Jakhals die je op jezelf richt: ik kom er niet door, ze moeten me niet, ik sta met lege handen. Die Jakhals kan de verpakking hebben van een Giraffe.

Dit laatste is echt een eye-opener voor me. In kerkelijke, christelijke kringen komt deze jakhals heel veel voor. De verpakking is lief en vriendelijk, maar daarin zit een gigantisch oordeel over het doen en laten van anderen besloten. In alle levensbeschouwingen sluipt deze Jakhals-Giraffe binnen: Laat los, dat gepeupel en al die onrust. Waarmee je ook kunt zeggen: ik wil een ander niet serieus nemen. Heel leerzaam. Vanavond maar eens laten sudderen bij een goed muziekje of een dvd.

maandag 16 november 2009

Kerk(er)

De kou slaat me om het hart als ik de kop in de ochtendkrant lees: Rector Arienskonvikt uit functies ontheven. En de inleidende kopzin die eindigt met: 'Zo gaat dat in de kerk.' Voor niet-ingewijden: het Arienskonvikt was de enige katholieke opleiding voor priesters die met opzet ooit in de stad is neergezet zodat priesterstudenten met twee voeten in de wereld zouden kunnen blijven staan.

Ik ben er ooit een hele dag geweest. Midden in de binnenstad van Utrecht. Vriend E. werd priester en er was een open dag. Ik ging er als het ware ook op antropologisch onderzoek uit. Hoe is het daar binnen de muren, hoe kijkt men er tegen aan als een goede vriendin, een vrouw dus, meekijkt, wat lopen daar voor soort mensen? Het veel me helemaal mee. Binnen de muren hing een vrijzinnige, milde. speelse sfeer, waar je tussen de regels kon voelen dat hier enigzins verborgen voor de orthodoxie van Rome, aanstaande priesters gewoon zichzelf konden zijn.

Dat lag ook in de handen van de rector: Norman Schnell. Eergisteren in Trouw uitte hij op eenzelfde wijze milde kritiek over het kerkelijk beleid dat dit konvikt gesloten zou worden. O, 0.0. dacht ik al: kan dat zonder repraisalles? Dat kan dus niet. Op staande voet wordt hij overgeplaatst en dat terwijl er 5 miljoen via fondsen beschikbaar was om het Arienskonvikt voort te laten bestaan.

Maar zo gaat dat in de kerk: zoals 'Gods Grondpersoneel' zelf weet te melden. De katolieke kerk wil geen vrije speelruimten meer, wenst geen kritiek, kijkt met minachting naar andere geluiden, want dat is niks in het licht van de eeuwige waarheden die ze denkt te representeren. De kerk creëert verwrongen mensen, die persoonlijk vaak anders denken en voelen dan er in de rigiditeit mogelijk is, maar met de paplepel meekrijgen dat men moet buigen voor dat wat van Hogerhand, via mensen en dus ook zijzelf, maar uiteindelijk van God, bedoelt is.

Ik heb dit nu zelf mee gemaakt. Hoe ik eenzijdig, als een barse verordening stante pede uit het klooster kon vertrekken. Hoe dezelfde me trachtte te troosten en aanbood om met me te wandelen naar de bushalte, dwars door de velden... Uiteindelijk had ik met hem te doen: vastzitten in het kerkelijk-kloosterlijk kader. Deze cultuur, deze kerk: ik hoop dat die snel verdwijnt, zichzelf overbodig maakt omdat iedereen uitsterft en er niemand meer is die luistert. Dit is geen kerk, maar een kerker.

zaterdag 14 november 2009

Stilte a.u.b.

Alhoewel mijn huis naar mijn gevoel al uitpuilt van de boeken en ik soms geneigd ben om alles de deur uit te doen en helemaal opnieuw te beginnen, uitgezonderd de gedichtenbundels en sommige kunstboeken, kan ik het toch weer niet nalaten om voor 1 euro twee afgeschreven prentenboeken uit de bieb te kopen. Beide gaan over doodgaan en rouw en met Vader regelmatig in mijn gedachten, zijn dat dan weer kostbare kleinoodjes.

De ene heet Derk Das blijft altijd bij ons, van Susan Varley en die heb ik al eens cadeau gegeven. Het valt meteen met de deur in huis: Derk Das was een goede vriend van alle dieren in het bos. Hij hield van iedereen en iedereen van hem. Maar hij was oud, héél oud. Hij was zo oud dat hij wist dat er gauw een eind aan zijn leven zou komen. Derk Das blijkt niet bang om dood te gaan. Hij verlaat dan alleen zijn lijf en komt dan in een lange tunnel waardoor hij zweeft, heel vrij en licht. Alle vrienden in het bos treuren, wanneer het zo ver is, maar halen mooie herinneringen aan Derk Das op.

Michieltje Mol wandelt in de lente weer op de heuvel waar hij Derk Das voor het laatst gezien heeft en hij wou Derk nog eens bedanken. 'Dank je wel, Derk! riep hij in de wind, dank je wel!' Zou Derk het horen? Ja... hij voelde het... Derk had het gehoord. Einde boekje. Dit alles in fijne pentekeningen met pasteltinten.

Het andere boekje heet: Stilte a.u.b. ik denk aan de kip. Verhaal van Hans Hagen en prenten van Harrie Geelen. Van de laatste ben ik wel fan. Hij heeft veel kinderboeken geïllustreerd, ook van zijn levenspartner Imme Drost. Geverfde tekeningen in heldere kleuren met hetzelfde soort jongetje of meisje, het lijkt met schwung op het papier gekladderd met snelle verfstreken, maar het klopt toch ook in het detail en het is zo fris en raak en grappig, ook.

In dit verhaaltje gaat kip dood en het jongetje met de naam die je ook kunt omdraaien Onno Ebbe, stopt het laatste ei van kip in een doos en zet de doos op tafel, onder de lamp. "Kip is weg' fluistert hij. 'Kip woont nu in mijn hoofd'. Haan tikt op het glas. 'Onno Ebbe kom toch naar buiten?'. 'Sst', zegt Onno Ebbe,' ik heb bezoek...' 'Bezoek? waar?' 'Hier.' Onno Ebbe wijst naar zijn hoofd. 'O sorry', zegt haan, 'dat kon ik van buiten niet zien.' Onno Ebbe schrijft een briefje: Stilte a.u.b. ik denk aan de kip.

Heel leuk gevonden. Later gaat jongetje nog dromen en gaat op reis naar het land van later, waar kip is, maar besluit toch maar terug te keren naar huis, naar hier-en-nu. Hij weet ook ineens de weg. Thuis: Onno Ebbe loopt naar de deur. 'Hallo, wie is daar?' 'Ik!.' 'Ik wie?' 'Nou ik...' 'Kip, kip, lieve kip. Kom ik help je uit de doos.' Einde boekje, er is een kuiken uit het ei gekomen.

Beide boekjes geven dus andere oplossingen over de wijze van verzoening met de dood. De een suggereert een leven na de dood, de andere verwijst naar het leven nu en dat dit telkens weer opnieuw begint. Gelukkig hoeven we niet te kiezen tussen beide opties. Ze kunnen rustig naast elkaar bestaan.

Wat zou het fijn zijn als ook de religie zichzelf zou presenteren als deze prentenboekjes. Kleurig, fantasievol, zonder waarheidstreven. Je vertelt gewoon een verhaaltje. En dat troost: als woorden en beelden je mee kunnen nemen. Dan sla je de boekjes dicht en denkt: Stilte a.u.b.

vrijdag 13 november 2009

Bill Viola

Gisteren ben ik een halve dag uit de tijd gevallen. Ik ging naar Tilburg, naar museum De Pont voor een tentoonstelling met het videowerk van Bill Viola Intimate Work geheten. Bill Viola (New York, 1951) wordt volgens het begeleidend boekje gezien als een van de belangrijkste kunstenaars van deze tijd. Door hem is video een volwaardige vorm van hedendaagse kunst geworden. Terecht, helemaal terecht, vind ik.

Bill Viola neemt je mee en voert je naar je eigen ervaringen van vergankelijkheid, het verstrijken van de tijd, verlies. De wijze waarop een ieder in de tijd staat, los geweekt van de rollen die je hebt te acteren en die eigenlijk een soort coating vormen van je innerlijke leven. Hij biedt je geen andere wereld aan waarin je kunt verwijlen, maar verwijst je middels zijn bewegende beelden helemaal terug naar jezelf.

De eerste video en tevens de oudste die je achtereenvolgens kunt zien in de oude wolhokken van De Pont dat hiervoor een wolfabriek was, heet The Reflecting Pool. Hier komt een geklede man lopen uit de bossen tot aan de rand van een vierkant zwembad. Hij maakt een enorme sprong de hoogte in en alvorens hij plonst in het water bevriest het beeld en blijft hij hangen in het loofblad van de bomen. Onderwijl zie je gespiegeld in het water dat het leven gewoon doorgaat. Er lopen wat mensen langs, het licht verandert. De contouren van de bevroren man verdwijnen onderwijl; hij wordt ook blad. Als hij geheel is opgelost, gaat het water bewegen, er stapt een naakte man uit het zwembad en die verdwijnt weer in de bossen.

In die eerste video uit 1977-1979, zit al alle thematiek van zijn latere werk. Water als verborgen kracht, zowel scheppend als vernietigend, aanwezig in bijvoorbeeld The Lovers (2005) waar twee geliefden in lichte kleding staande proberen te blijven terwijl er een gigantische waterstroom hen omver dreigt te werpen. In Acceptance (2008) waar een naakte vrouw alleen in het donker zich tracht te verhouden tegenover het water dat over haar heen stroomt en haar bijna vervaagt.

Er zit ook een associatie met een bovenwereld en een onderwereld. In Heaven and Earth (1992) kom je de kleine ruimte die zo'n wolhok is in, en is er een houten zuil die vanaf de grond komt met daarboven een tv scherm gemonteerd met daarin de zwartwit beelden van het gezicht van een baby. Daartegenover een tv scherm met het gezicht van een tandenloze oude stervende vrouw, aan dezelfde zuil die doorloopt tot aan het plafond. Het begin van het leven en het einde, kijken elkaar aan en lijken op elkaar.

Er zitten veel connotaties in Viola's werk die verwijzen naar verbeeldingen uit de christelijke traditie. Twee vrouwen zitten bij een soort graf te treuren. Er komt, alweer, water uit de tombe en er verrijst een lijkbleke jongeman uit het water. De oudere vrouw vangt hem zoals in zoveel piëta afbeeldingen op, de jongere vrouw legt een doek over hem. In een andere ruimte zweeft iets wat op een doek lijkt, waarop een lijdend mannenhoofd, korrelig beweegt; een associatie met Veronica's zweetdoek.

In Small Saints (2008) staan als het ware zes fotolijstjes op een zwarte plank en loopt er in ieder een mens af en aan. Ze krijgen kleur en worden scherp als ze frontaal in beeld zijn en opnieuw is het water dat over hen heen plenst, hun wit en grijs maakt en hen naar de achtergrond, uit beeld doet verdwijnen. Zes willekeurige mensen, Kleine Heiligen, noemt Viola ze. Dat zijn we dus allemaal.

In het wolhok ernaast is een zwartwit scherm met hoofd van Bill Viola zelf. Hij kijkt je aan en dan ineens komt er een dierlijke schreeuw uit hem. Je schrikt je dood.Twee meisjes begonnen te gillen alsof ze in een spookhuis waren. Als je langer kijkt, de video duurt meer dan 18 minuten en heet Nine Attempts to Achieve Immortality (1996), dan realiseer je je ineens dat wat Bill Viola doet is, de adem inhouden zo lang als hij kan. Als hij het dan niet meer houdt on staat er een beestachtige explosie, naar adem snakkend en happend. Indringend kijkt hij je onderwijl stil aan en dat is bijna intiem, als je alleen tegenover hem staat in het donker. Hij zegt: dit ben ik, dit ben jij en wij zijn niet on sterfelijk.

Het is écht een ervaring om elke video te bekijken en op je in te laten werken. De slow motion beelden , levensgroot in Observance (2002) : mensen van allerlei nationaliteiten lopen een voor een naar voren en zien iets wat hun intens verdrietig maakt en verdwijnen dan weer naar achter in de rij. En The Greeting (1995): drie vrouwen die elkaar zien en begroeten: 45 seconden uitgerekt tot 10 minuten. Deze zijn weer zo fysiek gefilmd, dat je sterk ervaart hoeveel er eigenlijk gebeurt in elk mens. Hoeveel, teveel, te snel, het leven gaat.

Slow Motion; Langzame Beweging intensiveert het leven vele duizenden malen. In Tai Chi gebeurt dat en op elke stille plek die je zelf creëert. Doe eens 1 minuut over 1 hap eten. Kijk een ander eens meer dan 1 minuut aan. Je alleen al voorstellen dat je dat met elk ander doet, met name met degenen waarmee je het niet zomaar goed kunt vinden, eng, hoor. Het verwijst naar een potentie in je, die je bijna niet aankan.