woensdag 19 februari 2014

Wij zijn de verhalen

Onlangs was ik in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. Daar was een tentoonstelling met een tot de verbeelding sprekende titel: De Melancholieke Metropool. De tentoonstelling bracht me nog eens te binnen, hoezeer mijn bewustzijn ook gekoppeld is aan de stad en steden. Maar niet alleen die van mij dus: de stad heeft in ene keer zeer veel nieuwe sferen gegeven waarin je je kan begeven, waar je kunt dromen en kunt verdwalen. Er waren heel veel zwart-wit filmpjes te zien die tussen 1925 en 1950 gemaakt waren: de stad als bron van vele verhalen.

Ook een andere tentoonstelling aldaar liep qua sfeer en mijmering er naadloos in over: drie filmpjes van de kunstenaar Hans op de Beeck: Metropolitan Scenes. Een video heette Staging Silence. Daar bouwen twee keer twee handen aan weerzijden van een grote waterbak landschappen, die veranderen in een stad met wolkenkrabbers, met omgekeerde waterflessen en later gestapelde suikerklontjes. Ik zat te kijken met een opa en zijn twee kleinkinderen, zo schatte ik in. Een jongetje was helemaal verrukt: Nu is niks meer! Nou smelt alles weg, hoe kan dat nou, een stad van suikerklontjes! Leuk, dat verfrissende kommentaar.

In een zaaltje verder was er een video die Dance heette. Het jongetje bleef enthousiast. Je zag een hele groep mensen in een grote fabriekshal in bruin-blauwige, grijze kleding. Ze lopen vooruit, pakken grijze koffers en tassen op, ze spreiden dekens uit en gaan op de grond slapen, en dan op het einde komen ze in een grote doucheruimte, kleden zich uit en staan nakend klaar. Het jongetje vond het gezellig en leuk, al die mensen samen, en dat ze ook nog samen onder de douche gingen! Opa zei niks.

Iedereen met een beetje historische kennis, die ziet ook iets anders. Die denkt ook aan de jodendeportatie, die krijgt er ook een gevoel van beklemming bij en die vraagt zich af wat er uit de douchekoppen komt.

Zo lopen er dus tenminste twee belevingen en verhalen pal naast elkaar. En ze zijn allebei waar. En dat is precies de kracht en het prachtige van het boek Stikvallei van Frank Westerman die ik afgelopen weekende achter elkaar op een dag uitlas. Ergens in Kameroen is er een plek bij een meer, waar alles dood is gegaan, 1700 mensen en alle dieren. Westerman vertelt minitieus alle verhalen die daarover zijn onstaan, allemaal gedocumenteerd, geen enkele heeft hij daarvoor verzonnen.

In drie delen, die achtereenvolgend Mythedoders, Mythebrengers en Mythemakers heten, gaat hij eerst langs de wetenschappers, die wereldwijd een strijd leveren over de wetenschappelijke verklaring van wat er gebeurd is. Is het een gas? En welke dan? Komt het door de vulkaan onder het meer? Enzovoort. Haarscherp laat hij zien dat er in wetenschappelijke theorievorming ook persoonlijke machtstrijd meespeelt. En ook hoe wellicht het temprament van de wetenschapper mee bepaalt, waarom hij het ene gegeven opblaast tot hoofdpunt in de theorie en andere zaken verontachtzaamt.

In Mythebrengers beschrijft hij wat er in de hoofden en harten van de christelijke missionarissen rondom het meer afspeelt. Hoe iemand, die het wel overleeft, zich sindsdien geroepen voelt om priester te worden, als het ware uitverkoren voor een grootse taak. Hoe ook de straf van God in het verhaal de ronde gaat doen. In Mythemakers tenslotte komt het Afrikaanse perspectief aan de orde. Daar speelt het waargebeurde gegegeven een rol, dat er ooit, zonder medeweten van de bewoners, de prikpil is uitgdeeld, zodat men onvruchtbaar werd. De dood van al het leven daaromheen kwam er vanuit dat perspectief nog eens bovenop.

En zo ervaar je weer eens, hoe de hele wereld een constructie is van verhalen die we aan elkaar vertellen. Hoe mensen elkaar vinden omdat ze hetzelfde verhaal willen vertellen. Hoe mensen elkaar nooit kunnen bereiken, omdat ze alleen hun eigen verhaal voor het ware houden...Ach, wat zou de wereld toch mooi zijn, als we alleen maar zouden LUISTEREN naar elkaars verhalen, en daar de ruimte voor scheppen.

maandag 17 februari 2014

Sweet Surrender

Op de wegen in de Achterhoek was het helemaal uitgestorven. O, ja er is schaatsen op de tv, geen mens die de behoefte heeft om zich te verplaatsen. Maar vriend E. en ik gingen weer op pad. Ditmaal had E. de cd Back Home Again van John Denver mee. Nou ja, zeg: in die liedjes zit het hele levensprogramma van je leven! We wisten dat helemaal niet van elkaar: dat we beide die LP grijs hebben gedraaid in de zelfde tijd en dan vooral dat ene liedje: Sweet Surrender.

Elke keer opnieuw dat ene liedje, dat hielp tegen alle pijnlijkheden, als je het helemaal niet meer wist, als je dacht dat je er nooit meer uit zou komen:

Lost and alone on some forgotten highway,
traveled by many, remembered by few,
looking for something that I can believe in,
looking for something that I like to do with my life.

O, wat is dat dan ook een liedje dat hoort bij een levensfase, waar er nog veel meer toekomst is dan verleden, waar je je nog kan afvragen wat je met je leven wilt gaan doen. Hoe anders is dat nu. Er is al zoveel geleefd, zoveel ingevuld.

There is nothing behind me and nothing that ties me
to something that might have been true yesterday
tomorrow is open and right now
it seems more than enough to just be here today.

Kijk zo was dat inderdaad wél al: Je had al dingen meegemaakt waarvan je wist dat je daar afstand van moest nemen. Als je in het verleden zou blijven hangen, dan zou je daarin kunnen verzuipen. En nu weet je, dat het ondanks dit inzicht toch nog wel een heel leven kan duren, om wer-ke-lijk anders met dingen om te gaan... En dan is er die ene zin die als een soort van mantra wel altijd durend geldig blijkt te zijn: It seems more than enough to just BE HERE TODAY

Nou, en dan komt het refrein: meeblèren maar: dit is het enige wat er elke keer weer te doen is:

Sweet, sweet surrender,
live, live without care
like a fish in the water,
like a bird in the air.

There is a spirit that guides me
a light that shines for me
my life is worth the living
I don't need to see the end.

Die laatste vier regeltjes: daarop kun je theologie gaan studeren. Of niet en het simpel houden: Het zijn van die woorden die verwijzen naar overgave: je doet het alleen en je doet het niet alleen: iets van overgave... aan...? Het leven, het Leven, gewoonweg op pad blijven; leven dus!

donderdag 13 februari 2014

Diepteboring

Het houdt me wel bezig: iemand zei onlangs tegen me, dat ze het helemaal niet erg vond om af en toe een rouwperiode te hebben. Want al rouwend is het leven er in alle puurheid, je kunt je niet verstoppen, alle oppervlakkige lagen worden van je afgepeld. Zeg ik nu in mijn eigen woorden. Bovendien kun je niet anders; er is niks te controleren, het gebeurt aan je, je wordt erin geworpen, en dat heeft ook wel wat.

Ik reageerde met: Nou, nee, ik vind rouw verschrikkelijk. Al dat verdriet en die pijn, die je niet in de hand hebt, die onverwacht in vlagen komt. Nou ja; wel mooi is om dan te ervaren dat er ook altijd iets anders is. Desondanks kun je dan ook wel doorgaan en soms daar tussen door gewoon blij zijn, enzo. Ja, dat blijft wel bijzonder: alles is er in lagen. Maar dat ervaar je ook als je mediteert: en dat is een aangename bezigheid, die je zelf kunt kiezen om te gaan doen. Dus rouw kan voor mij de deur uit.

Ik vind het een vrucht van ouder worden, dat je steeds meer die gelaagdheid in het leven ervaart. De lagen zijn als aardlagen: aanslibsels, grondsoorten, fossielen die in de loop van de tijd in je ervaring zijn neergedaald, laagje voor laagje. Maar er lijkt ook iets anders te onstaan dan een dwarsdoorsnede, waar je al die laagjes zou kunnen bekijken. Er is ook iets mogelijk van elke keer een diepteboring. Alsof je in één enkel moment, kort en strak al die lagen tegelijkertijd kunt ervaren.

Vreugde en verdriet. Een wond die schrijnt en een gave huid die straalt. Balsem op de ziel en bijtende balsemico-azijn in één. Zout en zuur en zoet.... allemaal tegelijkertijd. De lagen hoeven niet meer te strijden met elkaar. Een boventoon is niet nodig meer: langzaam begin je de mogelijkheid te ervaren van een harmonie. Of een symphonie van kleur en geur en smaak tegelijk.

Die diepteboring, die is er voor mij als ik mediteer. In de stilte boort het hele leven een bron in je aan, zoekt het naar licht en ruimte. Ja, ik geloof wel, dat dit ook gebeurt in een rouwperiode. Maar het is zoveel zachter en milder als je het ervaart in meditatie.

woensdag 12 februari 2014

Trots en blij

Er lopen steeds beelden door mijn hoofd: een diep oranje wand, helemaal van voor naar achter door het gebouw. Witte skai-banken om de pilaren en bij een wand in een hoek. Daar is nu een moderne café-uitstraling, met een gigantisch grote leestafel met een tijdschriftenbak helemaal door het midden van het tafelblad heen,van licht eiken. Veel glas, zodat je dwars door het gebouw kunt kijken van voor naar achteren en diagonaal, voor helderheid en transparantie. De boeken van de bibliotheek aan een wand, als grote, hoge boekenkasten, met daartussen met al die boeken rondom je een plekje om te zitten. Het plafond, voor een deel zilverachtig waar je de buizen en de elektriciteitsdraden ziet lopen, en daarboven iets wat op witte donsveren lijk: voor de juiste akoestiek.

Dit is het nieuwe wijkcentrum dat Broer van binnen helemaal ontworpen heeft aan de Ratelaar in Nieuwegein. Alles: het hele gebouw is gestripd op de dragende muren na. Het meubilair: overal witte kuipstoeltjes, de lampen, de grijze vloer van grote stenen vierkante tegels, alle nieuwe muurtjes, overal, alles, is van zijn hand. Tevoren een saai,grijs gebouw met een ingang aan de drukke straat met in het midden een binnentuin vol onkruid. Nu heeft het een glazen dak, met een ingang aan de andere zijde, naar de buurt toe, en een grote brede trap en een glazen lift, alwaar boven aan de ene kant de fysiotherapeuten zitten en aan de andere kant de huisartsen. Hun gesamenlijke koffiekamer betreedt je door een helgele deur, met gele wanden, even pats! een stoot van energie, en dan hebben ze een vergezicht: het spoor van de sneltram die vanuit Utrecht daar stopt.

Wat is dat toch een apart gevoel. Om daar een beetje trots op te zijn. Dat broer dat ontworpen heeft en dat ik denk dat het gaat werken: een gebouw waar welzijn en zorg samen komen, dat uitnodigt aan bewoners om zomaar binnen te lopen en er iets te drinken. Je ziet mensen van alle kanten door het glas heen, koersballen of creatief bezig zijn en hij ontwierp een soort van open witte kubus waar vier mensen midden in de openbare binnenruimte even met elkaar kunnen vergaderen of ZZP-ers, die hun computer daar binnen kunnen aansluiten en dan kunnen gaan werken.

Iets van familiebloed ruist er dan door me heen: ik zit zelf natuurlijk in dat wijkcentrumgebeuren: de soort mensen die op de open middag kwamen kijken, zaterdag, ik herken ze. Maar daaronder ruist wellicht dat andere familiebloed: het willen creëren van plekken waar het aangenaam toeven is, waar mensen zich thuis voelen. Zus ontwerpt tenslotte het groen en de natuur mee, in Nederland. Ook toen datzelfde gevoel van trots: zíj heeft meebepaald dat die sauna De Veluwse Bron, zo uitstekend ligt en kijk, dát knooppunt van wegen nabij Schiphol heeft zij overzichtelijk gemaakt, door er brede stroken van riet daarheen te laten weven.

En ikzelve...? Ik doe het concreet, met woorden, in een wijkcentrumpje: 'mensen kom binnen, hier is het leuk!' En in een klooster: heel eventjes maar, van korte duur, zo heel anders dan een heel gebouw: even hopen dat mensen geraakt worden en werkelijk stil worden en het mooi vinden. Mooi! zeiden mensen bij wat er lag aan stenen, takken en klimop en een rode en witte bloem uit het plantsoen geplukt. 'Dat was mooi, ja dat kun je wel', zei zuster C. achteraf. Trots voel ik me dan niet. Wel dankbaar. Alles is zo weer verdwenen, alle sporen zijn zo weer gewist, maar het maakt wel blij.

donderdag 6 februari 2014

Burgerparticipatie

Het is me toch wat. Om weer eens te beseffen hoezeer het de omstandigheden om je heen zijn, die bepalen wat jouw status in het leven is. Als dit werkelijk zo is, dan is het dus de kunst in het leven om díe omstandigheden om je heen op te zoeken en daar te blijven, waarin jij floreert. Alsof je het zomaar voor het uitzoeken hebt...Want omstandigheden zijn als het weer: denk je dat het bewolkt en regenachtig is, en dan gaat plots de zon weer schijnen. En omgekeerd.

Deze week was er zo'n besef rondom mijn werk. Want de politiek verzon vorig jaar ofzo die term Burgerparticipatie en nu ineens is 'mijn' wijkcentrumpje hét voorbeeld geworden van een geslaagde pilot rondom burgerparticipatie in de stad. Dus is er verzonnen dat Nijmeegse ambtenaren die op het stadhuis werken, de beleidsmakers, smaakmakers en zij die de geldstromen mede kunnen bepalen, een bezoek aan De Grondel mogen komen brengen.

Dat gebeurd in het kader van de Caroussel-ochtenden en het woord zegt het al: iedereen mag mee op de Caroussel en meedoen aan het thema van die tweewekelijkse ochtenden: Of het nu gaat over de nieuwe brug over de rivier, het nieuwe wooneiland, of... juist ja. En, zo kregen we te horen op de voorbereidingsvergadering: Uniek, wat er nu gaat gebeuren: want de plannen en ideeënmakers brengen geen bezoek aan het stadhuis om alles nader uit te leggen, daar: Nee, zij dalen uit hun pluche stoelen en kleine ivoren torentjes af. Ze gaan naar de mensen toe. Ze komen in het wijkcentrum.

Spannend hoor, zeiden enige leidinggevenden van de wijkcentra, en hoe druk het zou worden: géén idee. Tenslotte is het een experiment, dat zij zich moeten verplaatsen. Naar de burgers toe. Ja, ja, daar begint burgerparticipatie, ook. En vergeet jezelf niet: ook jij bent een burger, naast het werk dat je doet met andere burgers.

En zo ben je dan in ene keer een voorbeeld, van hoe het zou kunnen. Opvallend, hoe er tegen de burgers, die vrijwilligers dus, wordt gepraat: 'Jullie nemen nu taken over die de overheid eerst had, onbetaald, uit je goede hart, je krijgt er niks voor, waarom zou je eigenlijk, wat hebben jullie nodig om gemotiveerd te blijven?'

Mijn insteek is een totaal andere: deze plek, dit wijkcentrum is van iedereen. Dit is onze plek. Ik doe mijn bijdrage met mijn ervaring en know-how, jullie met die van jullie. Je kunt hier doen en laten wat je zelf wil. Er is heel veel mogelijk: ik ben er maar 19 uurtjes per week, jullie kunnen hier nu in feite dag en nacht zijn, als je zou willen. 'Topvrijwilligers' zijn ze, omdat ze cursussen gedaan hebben, om alleen in het wijkcentrum te mogen staan. En ik ben in ene keer een 'topbeheerder' omdat ik ze zover heb weten te brengen. Enfin.

Straks is 'burgerparticipatie' weer uit en dan ben je in een ander licht in ene keer weer de uitbuiter of degene die op zijn luie gat anderen het werk heeft laten doen. Alles is relatief.

woensdag 5 februari 2014

Yi, yi, rood geluk

Ik heb een dvd uit de bieb meegenomen omdat ik op de hoes viel. Het is een film uit Taiwan en heet YI YI. In de vertaling A one and a two. Wat de betekenis is van die Engelse titel: ik weet het niet. Hoogstens dat het past bij de poëzie, die door de film ademde. Het gebeurde bij mij dus, bij de hoes: je ziet een kind in het zwart en die loopt in een rode ruimte, richting een rode trap. Rood is in de Chinese cultuur de kleur van voorspoed en geluk, maar de trap, die je-weet-niet-waarheen leidt, suggereert iets: een-niet-zomaar-vanzelfsprekendheid.

Zo'n klein figuurtje in een lege ruimte. Een beetje zelfbewust in houding doet hij een stap voorwaarts. De regisseur is Edward Yang en vertelt over een grootfamilie in een moderne stad, in Taiwan. Het begint met een huwelijksfeest, een 'moetje', met een hoogzwangere vrouw en de datum was ver naar voren geschoven omdat de bruidegom de beste dag van het jaar wilde hebben, volgens de chinese horoscoop. Op de bruiloft ontmoeten oud-geliefden elkaar: 'waarom ben je '30 jaar geleden niet gekomen? vraagt een betraande dame, aan de man, die de vader blijkt van het jongetje dat de trap nog moet bestijgen, op de hoes.

Dat jongetje toont zich vanaf het begin eigenzinnig. Hij eet geen hap van al dat heerlijke chinese eten. Tot zijn vader hem naar Mc Donalds meeneemt en hij, met zijn benen bungelend, van alles wegschrokt. Dit jongetje: die maakt de film. Om hem heen zie je de volwassenen worstelend leven: moeder huilend op bed, zich afvragend wat de zin van haar leven is. Dat alles zo leeg is. Als kijker weet je dat haar gevoel weleens zou kunnen kloppen: want haar man bekend onderwijl, dat hij inderdaad zijn grote liefde (de vrouw op het feest) heeft laten gaan. Ook hij op zijn beurt is dus in strijd met zichzelf: wat heb ik van mijn leven gemaakt?

En dan zie je dat jongetje. In zijn eigen wereld. Eigenzinnig zijn weg gaand. Hij heeft een fototoestel en hij lijkt lukraak foto's te maken de lucht in, richting muren en plafonds. 'Het zouden wel, abstracte schilderijen kunnen zijn", zegt een van de volwassenen om hem heen. Hij blijkt muggen te willen fotograferen. Omdat de volwassenen om hem heen ze niet lijken te zien. 'Ik wil laten zien, wat jullie niet zien', zegt hij, telkens opnieuw. Zo gaat hij ook achterhoofden fotograferen. 'Dat ben ik, van achteren!. 'Ja! zegt ie, maar dat heb je toch nog nooit gezien? En nu wel!

Dat jongetje, die ontroert me. Omdat hij een queeste heeft, die je iedereen wel gunt: zien wat niet vanzelf sprekend is. Willen zichtbaar maken, wat niet zomaar waar te nemen is. Op een gegeven moment loopt hij met zijn schoolrugzakje en zijn broodtrommeltje bij een zwembad. Heel zorgvuldig zet hij alles aan de rand ervan neer. Hij doet zijn schoenen uit. En dan laat hij zich in het water vallen. Je hoort een plons en gegorgel. Héél even dacht ik: O, nee toch! Hij laat zichzelf toch niet verdrinken? Voelt hij zich zozeer anders dan anderen, heb ik toch zelf niet goed gekeken?

Maar dan, in een volgende scene, komt hij met natte kleren thuis. Zijn familie besteedt er nauwelijks aandacht aan, behalve dat hij zich snel om moet kleden. Ze vragen waarom hij zo nat is, maar wachten het antwoord niet af. "Omdat ik wilde voelen hoe dat is", zegt het jongetje, vooral tegen zichzelf. Dat is toch mooi, omn dat te willen en te doen in het leven? Niet mee met de gebaande paden, maar de sensatie van natte kleren, de achterkant van je nek, muggen die rondzweven: aanwezig zijn bij het kleine en onbeduidende. En dan voelen hoe dat is: dan loop je in een lege ruimte vol geluk en is elke stap een avontuur. Zoals de dvd-hoes toont.

maandag 3 februari 2014

Gezegend

Vanochtend las ik voor bij de ochtendmeditatie:

Zonlicht, kaarslicht,
innerlijk licht,
jij zegent het,
het zegent jou.

'Mooi', zei M, na de meditatie. De woorden kwamen gisteren zo in mij op, gezeten in het zonnetje bij het onbijt. Een zon overgoten dag; Heerlijk gewandeld in het op-en-neer, klimmem en dalen rondom Beek.Daarna naar het klooster: na de vespers werden de kaarsen gewijd. Dat is een katholiek riteeul, jaarlijks terugkerend, waar alle kaarsen die in dat jaar gebruikt worden, zo ongeveer, worden gewijd. Gezegend dus. Een mooi ritueel, waar ik graag aan meedoe, door op het einde ervan de Lichtdans te dansen, met een aangestoken kaars in je hand.

De zorgvuldigheid van het ritueel heeft iets bekoorlijks. Iets dat je in bekoring brengt: om de kaarsen alvast te zegenen en daarbij specifieke kaarsen, waarvan de een, elke vrijdag wordt aangestoken: voor de zieken, verdrietigen, hen die pijn lijden aan armoede en gebrek...dat je van tevoren iets zegent, dat later licht brengt: Zo zegen jij het, en íets' zegent jou, dan ook...gratie en bekoorlijkheid komen dan over je heen.

Het leven als gezegend ervaren: heb je daar dan een God voor nodig? Nee, helemaal niet. Daar waar je je eigen innerlijk licht vermoedt en aansteekt, er je zegen over uitspreekt: dan ervaar je van binnen uit, dat jij ook gezegend wordt. Door God? Door levenskracht en levensenergie? Door de ruimte en de liefde in je, die daar huist? Door je eigen essentie? Door de leegte, zoals een boeddhist het zou uitdrukken? Door de Tao? Ja, allemaal waar en niet waar... het blijven woorden die om hetzelfde heen cirkelen...

Ik was bij een uitvoering van de Nelson Mis van Haydn en het Requiem van Mozart, in de overzichtelijke, kleine Petruskerk in Woerden. Zo prachtig! Uitgevoerd door het Christelijk Oratoruimkoor Woerden, amateurs die hun 95 jarig bestaan hiermee vierden, en het Dudok-ensemble. A. die in het koor zingt is helemaal niet christelijk. Dat hoef je ook niet te zijn. Het gaat om de bewegingen van het hart, de emotie die via al die muziek een uitdrukking vindt.

En ja, de aloude christelijke woorden zijn soms tegelijk toch ook de dragers van wat in het hart leeft. Ik raakte lyrisch van het Benedictus: Benedictus, qui venit in nomine Domini. Ossana in excelsis: Gezegend die komt in de naam van de Heer. Hosanna in de hoge. Nee, vraag me niet wie er dan komt. Ik heb geen idee.