woensdag 7 oktober 2020

De meester in je wakker maken

Hoe om te gaan met onrust, angst en bestaansonzekerheid? In deze corona-tijd voor velen dagelijkse kost. Omdat je inkomsten of je baan verliest, omdat corona om je heen grijpt, je niet weer eenzaamheid wilt voelen zonder contact of enige ontmoeting, omdat je niet weet of een mondmasker je zal beschermen in een klaslokaal of achter de kassa, je niet weet of jezelf iemand kan besmetten omdat je nog geen klachten hebt, je ziet dat de reguliere gezondheidszorg door druk aan kwaliteit inboet, omdat je al weet hoe vreselijk het is om van een gestorvene, al dan niet door corona, afscheid te moeten nemen, zonder de troost van mensen om het graf... enzovoort.
 
Je kunt twee wegen inslaan: je wordt een positivo, zoals Maurice de Hond die meent dat de regering nu onnodige paniek zaait en het absolute karikatuur daarvan is natuurlijk Trump die zich op heroïsche muziek terug laat  vliegen naar het witte huis met een nieuwe boodschap: wees niet bang, ik ben u als uw leider voor gegaan in deze beproeving en je komt er sterker uit terug. Ik kan mij niet voorstellen dat ook hij geen momenten kent van angst, toen hij dan daadwerkelijk zuurstof nodig had...

De andere weg kan er alleen maar één zijn, waar je de angst en ongerustheid niet ontwijkt maar deze benoemt en je elke keer weer in die anderhalve meter cirkel van je eigen bestaan wikt en weegt wat verstandig en mogelijk is om te doen. Op een bepaalde wijze moet je de meester in jezelf wakker maken, die kracht in je die wél in staat is om zelf het roer in de hand te nemen en te varen, hoe woelig en woest de zee ook is. Niet kopje onder gaan in jezelf sussen, de werkelijkheid om je heen voor lief nemen en negeren...

Deze gedachten ontstaan in mij door de volgende woorden:
 
Ze komen bij hem,
wekken hem en zeggen:
meester, meester, we vergaan!
Maar eenmaal wakker gemaakt
bestraft hij de wind
en de woestheid van het water,
en die houden op,
en wat geschiedt, is: stilte.

Het is een regel uit het evangelie van Lucas, hoofdstuk 8, vers 24 uit de Naardense  Bijbel. De meester in dit verhaal is Jezus die in slaap valt op een boot en er een storm op het meer ontstaat. Het was nog in een tijd dat het heel gewoon was om meesters te hebben, mensen die zeiden wat je het beste kon doen. Plato, Jezus, Boeddha: mensen die verhalen hebben gegenereerd, waar leerlingen en volgelingen gesprekken met hen aangaan en zij raad en steun of een oplossing kregen met redevoeringen of door een bepaalde wijze van handelen.

Ik denk dat die tijd van de levende meesters voorbij is. We kunnen wel putten uit al die boeken omtrent hen en we kunnen elke schrijver of liedjeszanger of influencer of kunstenaar of gewoon de buurvrouw die je tegen komt, zien als meesters die je op je weg begeleiden... maar je bent het zelf die de zeilen bij kan zetten en de stem van ‘we vergaan!’ kan keren. Soms door je zelf streng toe te spreken, maar bovenal door een horizon, die altijd ook weer wijken zal, in het oog te houden, achter de woestheid van het water. En wat er dan geschiedt is: stilte. Een plek van ruimte en vrede in je, die op de bodem ongeschonden blijft. 


dinsdag 6 oktober 2020

Godsdienstwaanzin en theater

Ik keek vroeg in de ochtend op YouTube naar de documentaire Agony and Ecstasy a year with English National Ballet. Het gaat over het oefenen voor de première van het Zwanenmeer met een heel jonge verlegen opkomende ster van 20, een jongen zó onhandig in het dagelijkse leven, maar met een krachtige fysieke dans-beheersing en uitstraling en sinds zijn zevende al aan ballet. Zijn tegenspeelster is een danseres uit Rusland, die maar geen visum krijgt en hij bekijkt haar op film, maar oefent het geheel in met een oudere ballerina, die helemaal geen hoofdrol meer wil spelen, wegens de stress. 

Je ziet wat een gigantisch bedrijf zo’n Nationaal Ballet ook is, waar 20 nationaliteiten aanwezig zijn,  je ziet ook besprekingen over de fondswervingen, de talloze artistieke directeurs en regisseurs en producers en al die dansers die buiten de sterrollen om, ook hun verhaal hebben over fysieke klachten , doorzettingsvermogen en hun diepgevoelde passie dat dit tóch is wat hun levensvervulling is. En ik dacht onderwijl: dit alles is nu dus gestopt, wat doen al die mensen nu?

Een jaar Agony and Extasy: de Russische prima-ballerina is niet op tijd voor de première, de oude danser moet toch invallen, uiteindelijk zal de Russische toch haar visum krijgen en met de jonge danser Swan Lake dansen en zij worden het nieuwe danspaar van de eeuw genoemd, en hij de nieuwe Nurajev. Maar nu zit hij dan toch ook thuis, neem ik aan, en hoe kunnen al die topprestaties ooit nog ontstaan, wanneer je ziet dat daar dagelijks met zoveel letterlijk bloed, zweet en tranen voor geoefend wordt? Existentie in de kiem gesmoord.

Daarna keek ik in de krant. Staphorst waar meer dan 600 mensen in de kerk mochten. Ik zag Sanne Wallis de Vries zich afgelopen vrijdag in Op1 heel kwaad maken, dat er geen enkele besmetting is geweest in de theaters, dat daar zorgvuldig en hard is gewerkt om creatief nieuwe veilige theaterruimtes te maken en dat de regel van 30 mensen alles de nek om zal draaien. Ik lees wat de voorzitter van de kerk in Opheusden beweert: ‘Het leven is een voorbereidingstijd voor de eeuwigheid, en de getrouwe gang naar het huis van de Heere is een wezenlijk onderdeel van de dienst aan de Heere. Het is voor ons dan ook van oneindig grotere betekenis dan andere bijeenkomsten. De vergelijking met bijvoorbeeld theaters gaat dan ook niet op’. 

Het spijt me, maar voor mij grenst dit aan godsdienstwaanzin. Wat een dedain, hoogmoed en wezenlijke gevoelloosheid naar anderen spreekt hier uit. De Heere als een grote blinddoek, om je als een mondmasker te beschermen voor de besmetting van het echte leven. Ik zie het volkomen geschminkte gebruinde gezicht van Trump voor me, die ook een sfeer van heilbrenger om zich heen tracht te creëren: wees niet bang voor corona, hier ben ik, zo’n beetje bijna uit de doden weer opgestaan. 

Ik ben voor de vrijheid van godsdienst, maar dan hoort deze in één lijn te staan met de vrijheid van theater. Dan zijn Trump en de voorzitter uit Opheusden theatermakers, met recht van spreken, tenzij ze met hun optreden de levens van anderen in gevaar brengen door een autoritje en 600 mensen op een klein oppervlakte: weg daarmee. En waarom komt Joe Biden niet met een voorstelling waar hij presidentieel het volk toespreekt? Zo kan theater wellicht werkelijkheid worden. 


maandag 5 oktober 2020

Grasmaaimachine. Één stem per dag

Het was een heel ouderwets gevoel, ik achter de grasmaaimachine, duwen in het gras en dat die dan stopt omdat het gras ertussen zit. Ook wist ik meteen dat ik moest draaien aan de witte knoppen om het gras zo hoog mogelijk te laten. Het is exact dezelfde grasmachine, die je duwt en dan rolt hij over het gras, rood met plastic handvatten, die wij vroeger thuis ook hadden. Er kwam een vage herinnering dat de kinderen taken hadden en dat dit er eentje van mij was. 

Daarvoor weer de dagelijkse wandeling, dat wordt het; elke dag minstens één wandeling door het bos. Het stikt er van de bredere zandpaden en de olifantenpaadjes, ongeveer alle kanten uit. Dus ik liep maar wat, ontdekte een hoogteverschil zodat je ineens naar de toppen van de dennenbomen keek. Later kwam ik mensen tegen en vroeg of zij wisten waar het pad heenging, Ja, naar de achterkant van het park waar ook de supermarkt is. Dat is mooi om te weten, zo kan ik ook lopen, en niet over de ‘grote weg’ alhoewel daar nauwelijks auto’s rijden, want het loopt voor automobielen dood, tot waar ik zit.

Ik krijg steeds meer het idee dat ik hier blijf, de hele herfst en wintertijd van de corona overbruggend. Het is hier helemaal oké, optimaal. Het enige wat ik wellicht ga missen, is struinen in mijn eigen boekenkasten. Nu mis ik nog niks. Ik las een  essay van Montaigne: Over Eigendunk en las er dingen die ik letterlijk ook zo heb gedacht. Daar leefde dus een man, in het midden van de zestiende eeuw, die een stem in je vertolkt. Elke dag één stem waarin je je geborgen kan voelen in de universele menselijke geest, dat is voor mij genoeg. 

zondag 4 oktober 2020

Dierendag

Vandaag zag ik het tafereel van twee jonge mannetjesherten die met de koppen tegen elkaar duwen en hun geweien in elkaar laten verstrengelen, het leek geen wapengekletter of grootse strijd, eerder een aftasten van elkaars kracht. Toen keken ze op, beide met de koppen naar links, dus ik ook met mijn verrekijker. Er kwam een groot edelhert aan met een groot gewei die meteen naar de jongemannen stormde en ze wegjoeg. Daarna ging hij achter oudere vrouwtjesherten aan, die allemaal wegsprongen. In dit hele tafereel graasden onderwijl wel veertien vrouwtjesherten, onverstoorbaar en kwam er ook nog eens een heel groot donker everzwijn, die verder door iedereen genegeerd werd.

Ja, het is dierendag en ik heb mijn portie dus wel meegekregen. Het gekke was dat ik onderwijl de hele tijd dacht: het lijken wel mensen. Die interacties, dat gedoe, dat om elkaar heen draaien, elkaar ontwijken, een vreemdeling negeren. Dierendag of ook wel het feest van Franciscus... en ook daar was ik mij van bewust bij het ontwaken en de boswandeling in de ochtend, waar af en toe wat wielrenners achter elkaar, in eendere kleding doorheen jakkerden. Ik zie ze aan, zoals het wild in de late middag:  andersoortig wezens en waarom zijn het alleen maar mannen? Is dat het fameuze testosteron dat een uitlaat moet vinden op een wielrennerszadel, zoals het paraderen met een gewei op je kop?

‘Je wordt hier zó in de groep opgenomen, maar het is net een middelbare school’ zei een buurvrouw van verderop, die ineens voor mijn raam stond te gebaren. Ze vroeg of ik een oude grasmaaimachine wilde hebben, (Ja, graag!),  die ze weer gratis had zien staan bij haar achterbuurman, die na 23 jaar vertrekt; hij is te oud geworden. Het blijkt dat er anders feestjes en bingo en klaverjassen en BBQ’s worden georganiseerd, en alle bewoners worden daarvoor per mail uitgenodigd. Er blijken ook heel wat families verspreid hier te zitten, zussen, ouders en kinderen en dus ook opa’s en oma’s. Voor je het weet wordt je een deel van een kudde die hier aan de bosrand woont...

Ach, ik vind het wel grappig, ik heb niet voor niks met plezier in de wijkcentra gewerkt, ik wil best wel weer eens de polonaise doen of aan de andere kant van de bar aan tafels klaverjassen. Ik vermom me dan als hert, maar ga dan ook onverstoorbaar mijn eigen gang, zoals dat everzwijn. Maar nu kan de middelbare school niet doorgaan, wegens Corona. ‘In de winter, dan zijn er maar vijf of zes mensen’, zei ze, ‘dan hoor je alleen je eigen voetstapppen’. O!, daar verheug ik mij heel erg op’, zei ik, ‘De stilte!’ 

zaterdag 3 oktober 2020

Hoge Veluwe, Museonder

‘Nu is de cirkel volledig rond’, dacht ik toen ik het Nationaal Park de Hoge Veluwe in fietste. Ooit, veel meer dan een halve eeuw geleden, zo oud als dat ik nu ben, kwam ik hier voor het eerst, als kleuter achter op de fiets bij Moeder, mijn twee broertjes voor en achter bij Vader, vanuit een bungalowhuisje in Hoenderloo. Ik zong heel hard ‘Hansje Pansje Kevertje die klom eens op een hek’, met armgebaren erbij ,om broertje te vermaken tijdens die lange zit in dat ijzeren fietsstoeltje voor op het stuur. Daarna is het park mee gegaan met het familieleven: met vijf kinderen in de auto, waar twee zich elke keer moesten verstoppen onder een dekentje bij de ingang omdat het gezins-jaarabonnement misschien maar drie kinderen verstond, onder het woord ‘gezin’.

We zijn er voor het laatste als hele familie geweest, met aanhang en kleinkinderen met Vader, fietsend en picknickend, terwijl hij al slecht sprak en aardig immobiel was door een hersenbloeding en met Moeder en  haar tweede dochter voor het laatst vier jaar geleden, zij zou vier maanden later sterven. Wij zagen er veel herten en fietsten naar het Monument van de Wet en Moeder keek er onder de schaduw van een boom intens rond: het weidse landschap deed haar denken aan één van haar Safari-reizen...

Ik fietste er nu heen, ook met een rekensommetje: ik had nog acht kilometer op de e-bike, moest de hele accu leeg rijden, dat hoort bij het inrijden, en wilde daartoe de dag beëindigen bij het Museonder om daar dan kort op te laden voor de terugkeer naar Hoenderloo. Ook wilde ik graag nog ergens naar herten kijken, maar de Wildbaan midden in het park haalde ik niet. Toevallig was ik al een andere wildkijk-plek tegen gekomen, en daar zag ik door mijn nieuw aangeschafte verrekijker haarscherp zes herten grazen met vachten in de kleuren van roodachtig naar aarde-bruin en toen kwam er ook nog een mannetje uit de bossen met een héél groot en breed vertakt zwaar gewei, dus dat deel van mijn missie was geslaagd.

Ik was al bij museum Museonder in Otterlo geweest, niet om daar alles te gaan bekijken maar om een pasje te laten maken van de ticket waarmee ik een Beschermkaart kocht die een kalenderjaar geldig is. Maar na vier keer een bezoek heb ik dit al eruit en ik wil toch niet wachten tot 2021 om het Kröller-Müller Museum te bezoeken. Het Museonder is een relatief klein museum met smalle wandelgangen, want het idee is dat je ondergronds de aarde in daalt om te zien wat zich daar allemaal al sinds mensenheugenis in de Hoge Veluwe afgespeeld heeft. Nu dus met een verplicht mondkapje en om de max van dertig mensen te waarborgen kreeg je op speelse wijze een stuk afgezaagde boomstam aan een dik touw mee, dat je bij de uitgang weer moest inleveren. ‘Wel een beetje zwaar’, zei ik lachend, terwijl ik mijn handen desinfecteerde.

Ik kwam dus niet verder dan de balie, wat een gedoe, ik mocht niet rechtsomkeer, maar twintig meter ofzo, maar moest toch het zigzagpad naar de uitgang volgen... Het resultaat is, dat ik eenmaal buiten ergens mijn mondmasker verloren ben. Wachtend bij de balie op de aanmaak van mijn pasje, het lukte de oudere vrouw niet automatisch achter de computer, ik herken dat geklungel en de lichte paniek wel, bedacht ik dat het nergens op slaat, die vaste aantallen mensen die genoemd worden die er maximaal mogen zijn in theaters, restaurants, musea enzovoort. In Museonder zou dertig mens veel te veel zijn, de ruimte is toch niet te vergelijken met bijvoorbeeld het Stedelijk Museum in Amsterdam? Men kan er beter vanuit gaan dat elk mens pakweg zes meter om zich heen nodig heeft en zo rekenend bepalen hoeveel mensen er veilig kunnen rondlopen en in grote hoge ruime lichte zalen is dat ook nog eens een ander verhaal dan in dit kronkelende donkere Museonder...

Enfin. Het was een mooie dag met nostalgie en terugkijken naar een voorgoed voorbij familieleven, gemengd met het verheugen van wat er allemaal nog komen gaat, nu ik het park onbeperkt kan gaan bezoeken.

donderdag 1 oktober 2020

Eerste volle maan; hier

Vanavond maak ik mijn eerste volle maan mee, hier. Het licht ervan is zo fel, dat ik in de lange schaduw ben gaan staan, die een stam van een eikenboom in mijn tuintje werpt. Druppels regen vallen uit de bomen. In de verte hoor ik zacht de snelweg; sporen van mensen in de stilte. 

De gaskachel

Ik stond op het punt om mij naar de receptie te begeven. Of iemand mij kon helpen met het aansteken van de gaskachel, het zou een regenachtige dag worden en dat blijft het ook de komende week, dus warmte wordt wel nodig. Alhoewel  het met de warme fleece-deken op de bank nog aardig was om te doen; een beetje ‘ontbering’ zoals dat ook is bij kamperen houdt de zinnen scherp.

Toen verscheen het golfwagentje bij de kast die aan de voorkant van mijn terreintje ligt, een van de drie mensen van de technische dienst. Maar hij kon geen gaskachel aan maken, hij kwam de elektriciteit opmeten. Wél even van hem geleerd dat wanneer de elektriciteit het helemaal niet meer doet, ik dan dus naar buiten moet lopen en in dat kastje de schakelaar om moet zetten. Voor gedeeltelijke storing , zijn er ook schakelaartjes boven in mijn slaapkamertje, had ik al gezien. In dit huisje zit het er dus allang, in mijn huurhuis heb ik tot een aantal jaren geleden het gedaan met zo’n ouderwetse stoppenkast.

‘Vraag het Adri maar, die kan het wel’, zei hij, zij beide zijn hiernaast een nieuw terrein bewonersklaar aan het maken. Adri kwam, moest even doorzetten en toen kwam er dat ouderwetse geluid dat je de vlam hoort aangaan en een zuigend geluid uit de schoorsteen. Wat leuk: als hij vlammen geeft, dan zijn daaronder takken te zien, het geeft dan het idee van een haardvuur! Ineens is er dan een warmtebron binnen, van die behaaglijke warmte, die niet uit de centrale verwarming komt.

Ik dacht terug aan vroeger: wij hadden thuis een oliekachel met een grote olietank buiten en daartoe kwam de olieman die vullen. Het was de enige warmtebron in huis en de gevleugelde woorden waren: ‘Deuren dicht!!!’  Als we de huiskamer uitliepen moesten we de deuren naar de keuken en de gang sluiten zodat de warmte niet weg kon. En boven in de winter vroren de ramen dan dicht en stonden er ijsbloemen op de ruiten. In de badkamer hing er een hoge straalkachel: je zou zeggen dat dit met de huidige strenge brandvoorschriften als levensgevaarlijk zou worden beschouwd: een elektrische kachel, zó dicht bij het water. Ik ging met mijn twee broertjes gelijktijdig in bad. Samen spelen in het water en dan één voor één de haren wassen en dan eruit en afgedroogd worden, en dan met je rug zo dicht mogelijk onder de straalkachel staan. 

Hier heb ik juist alle deuren open gedaan; naar het slaapkamertje en het kamertje met het semi-bureautje, het opklaptafeltje waar zo lang, meer dan twaalf jaar, mijn permanente kerststal op stond. En ja, de warmte verspreidt zich ook daarheen en de kilte is overal aan het verdwijnen. Wat is dit heel erg aangenaam, terwijl de regen om mij heen tikt. Af en toe slaat hij aan, zoals een geiser, de eerste keer denk je: wat gebeurd er nu dan?

Op internet begint er een bericht dat een gashaard wel wat voor oudere mensen is, ook al hebben ze verder centrale verwarming. Omdat het zo fijn, vlug warm wordt. Mijn gaskachel blijkt een merk te hebben: Bocal A113 Millennium. Het energielabel is C, dus niet het aller-aller milieuvriendelijkst. Een middenmoot. Volgens ‘t Stokertje, een installatiebedrijf, heeft met deze kachel ‘de winter geen schijn van kans in uw huis. Heerlijke warmte en extra sfeer’.