zaterdag 17 oktober 2020

Schurken aan elkaar... Jerusalema

Dit is dus de eerste schoolvakantie dat ik hier ben: op de Veluwe, in mijn boshuisje. Het is er drukker dan ik het ooit heb meegemaakt. Gemiddeld lopen er op een dag twee keer mensen voorbij en soms een enkele auto, ook in de weekenden, maar gisteren was er van alles gaande. Er was iemand aan het verhuizen met een grote bus, losse kinderen liepen voorbij, meerdere auto’s en geklop of getimmer klinkt net zo dichtbij als door de muren van mijn nieuwbouwhuis. Richting het bos zag ik bij meerderen,dat terrasstoelen naar binnen waren gehaald of een buitentent afgebroken, een schuurtje open waar alles in moet.

Ook in het bos zelf zijn er ineens meerdere voorbijgangers of liepen er mensen voor mij. En er fietsen meer mensen op de fietspaden, ook in het park de Hoge Veluwe. Terwijl dus tegelijk het terras bij het bezoekerscentrum gesloten is en de weg ernaar toe met een touw versperd is... Dat centrum is overigens vernieuwd, de koning heeft het nog geopend, en het grote rieten dak is vervangen door modern beigekleurig kunststof met raampartijen, Vroeger heette het Restaurant de Koperen Kop, ooit was het er knus en besloten met een haardvuur, maar dat is nostalgie...

Bij de wildobservatie, waar ik tot nu toe met een paar mensen was of zelfs alleen en waar ik elke keer iets wilds heb gezien, met telkens weer andere scènes, stonden nu heel veel witte fietsen waarmee je gratis door het park kan rijden, Dus ik verwachte wel wat. Bijna alle bankjes waren bezet, zeker met de 1.5 meter afstand die betracht moet worden. Ik keek... en zag niks! Al die mensen tuurden daar naar het lege groen in de verte tussen de bomen, allemaal in anticipatie, vol verwachting dat het elk moment kon komen... Ook bij de Wildbaan hadden mensen hun telelens-fototoestel op poten neergezet naast hun auto en ook daar was niks te zien.

Het is het schurken van mensen aan elkaar, het spiegelgedrag, het creëren van een klein eigen universumpje, een bubble: als je het maar met meerderen doet, dan is het heel gewoon, dan is met zijn allen  wachten op niks heel werkelijk en zinnig en breng je de tijd goed door. En met de wijze waarop er met COVID-19 om wordt gegaan, is dat ook wellicht zo... Alle ogen gericht op een vaccin, schurken aan elkaar en in Nederland een werkelijkheid waar het virus de hele tijd onderschat wordt en het gesprek van de dag is waar je nu nog op vakantie kunt gaan en iedereen zoekt een eigen escape.

Koning Willem Alexander en zijn gezin, blijken hierin de doorsnee gewone Nederlander, gewoon menselijk binnen de eigen marges. Want voor hem is vliegen met een regeringsvliegtuig naar zijn eigen tweede huisje, vergelijkbaar met ik op de e-bike hierheen. Hartstikke veilig en je doet er niemand kwaad mee. Dacht hij, zoals Grapperhaus zich per ongeluk niet aan de corona-maatregels hield en die kroegbaas in Den Haag, die op het Journaal zei dat het over de laatste tien minuten ging en hij zich nu schaamt, hij kan zijn inwonende ouders bijna niet onder ogen komen...

Daar was een eerdere emotionele Grapperhaus in de Tweede Kamer en nu zal het de hele volgende week wel weer gaan over de schaamte van de Koning... Is dat de weg die het op moet gaan, in dat schurken aan elkaar? Shaming & blaming, steeds op zoek naar een nieuwe zondebok tegenover een virus dat onzichtbaar ook onbekende wegen gaat? 

Dan richt ik mijn ogen liever op al dat ziekenhuispersoneel, wereldwijd, in gangen en wachtkamers en operatiekamers die dansen op Jerusalema en kinderen in Afrika bij hun hutten, mensen op straat en in parken. Het is een van oorsprong Zuid Afrikaans liedje en door een DJ voorzien van een beat en toen belde hij zijn zus, ze gingen samen chillen, hij wilde het zo spiritueel mogelijk maken en plotseling was daar het resultaat: een liedje en dans die viral is gegaan. Als het des mensen is,  om te schurken aan elkaar, dan graag zo: een verbondenheid creëren in het hier-en-nu.

Louise Glück; The Red Poppy

De Amerikaanse dichter Louise Glück heeft de Nobelprijs voor literatuur gewonnen. Ik las dat bij NU.nl toen het 20 minuten geleden was gepost. Meteen ging ik op zoek naar gedichten en beeld van haar. De naam kwam me wel bekend voor, maar ik had nooit echt wat van haar gelezen. Wat ik tegenkwam beviel mij meteen: zij put uit de mythologie en veel gedichten spelen zich af in de natuur, rond haar huis en verkennen tegelijk minutieus alle lagen van het gevoelsleven. Ik zag een vrouw die liever helemaal niet in de belangstelling staat, die periodes heeft gekend dat zij totaal niet kon schrijven en dan maar doorleefde, in de hoop dat het wellicht terug kwam.

Toen kwam ik een gedicht tegen dat ik wél bijna uit mijn hoofd kende: hoe kan dat nou? Het blijkt dat ik het jarenlang op mijn wc had hangen, ontdekte ik door mijn eigen blog: 9 april 2015 heb ik het weer weggehaald. Iemand noemde haar ‘de dichter van de wanhoop’, maar ik geloof daar niks van, ik denk dat ze juist de dichter van de hoop is. Hoop en wanhoop zijn de twee kanten van hetzelfde vlijmscherpe mes en wie het ene kan verwoorden reikt daarmee precies ook naar die andere kant: dat doet dit wc-gedicht 'The Wild Iris' ook. Het is er een uit een bundel met allemaal bloemennamen.

Ik besloot meteen een gedichtenbundel te bestellen en zag een verzamelbundel voor een heel zacht prijsje, juist ja, meteen doen! Het was bij Bol.com in de outlet en ik dacht: hierbij is nog niet bekend dat zij Nobelprijs-winnares is, dus ik bof. Ook bij Booksdepository waren er veel boeken beschikbaar, haar laatste werk bestaat  uit essay-gedichten waarover zij aanstekelijk vertelde hoe deze waren ontstaan. Dus ik keek weer op beide plekken, het was enkele uren later. En toen bleek dat ongeveer al haar werk niet meer beschikbaar is. Zo snel gaat dat dus, wereldwijd, denk ik: een Nobelprijswinnaar is bekend en prompt willen velen wat van haar lezen.

Goede, snelle actie, zo prees ik mijzelf en het boek zou gisteren aankomen. Ik verheugde me er wel op, het leek me heel geschikt om daar in mijn boshuisje, terwijl het weer buiten kouder en guur wordt helemaal in te duiken. Maar nu heb ik het bericht gekregen dat de levering vertraagd is tot 28 november! Dus toch niet gelukt, die snelle actie. Bol.com moet dat boek ergens vandaan halen en moet waarschijnlijk nu wachten tot het herdrukt wordt...Dus nu moet ik het maar doen, eventueel, met gedichten van het internet. Maar dat is hap-snap, heel anders dan een bundel als geheel waar gedichten met elkaar gaan resoneren.

Ik vind The Red Poppy, de bloem wier rood, als ik het voor het eerst zie ergens in de berm, mij dezelfde verrukking geeft als de rood-met-witte paddenstoel in de herfst.De bloem waar ik veel later pas achter kwam dat deze het symbool is van The Royal British Legion die bijeenkomsten hield in het wijkcentrum waar ik toen beheerder was. Omdat deze bloem bloeit op oorlogsslachtvelden, iets in de compostering van het menselijk lichaam, daar vaart deze bloem wel bij...

Dus dan krijg je een gedicht, zoals ik verwacht dat deze de leefwereld van Louise Gluck bekleedt, een mengeling van donker en licht, vlakbij elkaar. Overigens ook een goede keuze in deze Coronatijd, want zo is het wereldwijde gemoed... Ik las ergens dat zij een veilige keuze is, waar niemand nu de handen aan brandt met Black Lives Matter of de zorgen om het klimaat die ook op de agenda staan, en haar voordeel is, dat zij een vrouw is, dat kan nooit kwaad, want vrouwen zijn natuurlijk nog flink ondervertegenwoordigd als Nobelprijswinnaars. Anyway, zij is bij mij in focus gekomen. De eerste regels van The Red Poppy luiden.

The great thing
is not having
a mind, Feelings:

Ja, die heb ik, zegt de rode klaproos, gevoelens  zij leiden mij, ik open het vuur van mijn hart naar de zon,en is dat niet het belangrijkst, het hart dat zich opent naar de zon? Waren jullie ook ooit zoals ik, voordat jullie, broeders en zusters, mens werden? En dan eindigt het gedicht met de woorden, die precies aangeven hoe het nu eenmaal is, als je een mens bent: gekneusd ofwel aangedaan ofwel gebroken, maar wel in staat om te spreken:

I am speaking now
the way you do. I speak
because I am shattered.

donderdag 15 oktober 2020

Met afval ‘de berg’ op

Dat is zó fijn aan het leven hier in mijn boshuisje: dat je na de eerste mok koffie met wat zoets een wandeling gaat maken, hier het bergje op, even waarnemen dat de berkenboompjes weer wat geler zijn geworden, op het hoogste punt alleen maar lucht zien en de toppen van dennenboompjes, weer afdalen, het donkere bos door en na drie kwartier weer thuis zijn. ‘Een rondje rond de berg’ noem ik het.  

Gisteren had ik er een speciale missie bij. Het emmertje met deksel waar Griekse yoghurt in heeft gezeten en dat nu dienst doet voor organisch afval op het aanrecht was bijna vol. Bij het klaphek naar het bos hing een bordje: Let op! Tuinafval en ander afval in de daarvoor bestemde afvalbak, hou het bos schoon! Maar... een heel klein beetje organisch afval, dat kan toch geen enkele kwaad? ... Dus ik hulde het witte emmertje in een bruinig boodschappentasje en liep de berg op. Daar groef ik met de hak van mijn rubberen regenlaars een kuiltje, gooide het afval erin en dekte het weer toe met dennennaalden. Zonet kon ik de plek, bij een dikke tak, niet eens meer terugvinden.

Het is een olifantenpaadje, te smal dat daar wilde zwijnen op gaan hobbelen. Want dat is waar ik dan aan denk, omdat je overal omgewoelde zwarte aarde ziet, dat zijn dus wilde zwijnen sporen, dat deze het afval ruiken en gaan opgraven en het zo een zooitje wordt. Ik hoef geen  eierschalen en uienschillen en oude theezakjes, enzovoort van buren te zien, dus dat begrijp ik. Maar ik denk dat dit met  mijn methode niet gebeurt. Dus dat zal ik zo blijven doen, totdat ik bewijs krijg van het tegendeel. 

dinsdag 13 oktober 2020

Le Saison des Fêtes van Pierre Huyge

Ik ben een verzamelaar van leuke plekjes. Zo weet ik in Venetië wel een paar plekjes waar het prettig toeven is; door het uitzicht of omdat het daar rustig is of omdat je er zo fijn met je voeten in het water kan bungelen, dat mag geloof ik niet, maar ergens achteraf, bij een bruggetje ziet niemand dat. Op Terschelling weet ik dat je, met uitzicht op de haven heel fijn in een golvend kunstwerk kunt gaan liggen, dat omdat het van ijzer of een ander metaal is, nee het is van steen denk ik nu, heel lang de warmte vasthoudt. Dus dan lig je er, met warmte in je rug, terwijl er een frisse bries waait.

Daar dacht ik aan, nu ik een plekje heb gevonden in de beeldentuin van het Kröller-Müller museum, midden in een kunstwerk van Pierre Huyge: Le Saisons de fêtes. Je betreedt het gebiedje langs kleinere zandheuveltjes en in het midden is er een betonnen cirkel met als eyecatcher een palmboom. Pal ernaast een kerstboom en een nu geel gebladerde Japanse kersenboom is het, geloof ik. Er bloeien nu roze rozen in en pompoenen, varens, hersftasters en nog veel meer. Om de cirkel is een vierkant ‘pleintje’ van beton en op de hoek ervan, bij de ingang, zeeg ik neer en dronk er thee en at een boterham.

Ideaal, het is er windstil door de zandheuveltjes en zonnig en ik zat helemaal in de sfeer van Pierre Huyges en dacht terug aan het gebiedje dat hij op de Documenta in 2012 heeft gemaakt. Een vergelijkbaar landschapje met heuveltjes en daar werd het midden gedomineerd door een beeld van een vrouw,waarvan het hoofd een zoemende, levende bijenkorf was. Er liep een hazewind-achtige hond rond met een roze poot, die Human heette, er was een stukje dat stedelijk van sfeer was door opgestapelde platen. Ook hier was er aan een andere rand van het ‘pleintje’  een soort abstract beeldhouwwerk dat geen  natuurlijke associatie had en eerder aan industrie deed denken.

Het blijkt dat de cirkel in 12 segmenten is verdeeld, die elk verwijzen naar iets uit de natuur dat aanwezig is bij een feest:  een kerstboom dus bij het christelijke feest, kersenbloesem bij het Japanse Lentefeest, pompoenen voor Halloween, rozen voor Valentijnsdag, asters voor Allerzielen, de varens deden mij denken aan het groene blad bij hindoeïstische tempeltjes.  En misschien dat de palmboom verwijst naar Palmpasen. Het zand blijkt bij het Kootwijkerzand in de buurt gehaald te zijn en wat verrassend was,  dat het zand aan de randen van het pleintje heel nat was, moerassig, zo dat je er met je voeten onverwachts inzakte, terwijl op de zandheuveltjes overal bordjes geplaatst waren dat je die niet mocht betreden.

Pierre Huyges weet je in een soort van tussenruimte te brengen; tussen natuur en cultuur, tussen wat beheersbaar is en daar waar de natuur haar eigen gang gaat.. En nu maar hopen dat ik in deze Coronatijd dit nieuw ontdekte plekje vaak kan opzoeken. Het zou mooi zijn als ik de seizoenen van Saisons de Fétes mee zou kunnen volgen, maar ik weet het niet... 

Zoals niemand nu veel weet, nu er in de persconferentie een gedeeltelijke lockdown is aangekondigd, de natuur gaat gedeeltelijk haar eigen gang, mits wij het nu met een ruige hamer de kop in kunnen drukken.  In het journaal kwam er een reportage vanuit het Sonsbeeckpark en dan blijft er toch één ding wel mogelijk: een man op een bankje in de zon zei: nou, dan voorlopig maar naar buiten! Ja, het feest van de seizoenen blijft wel gewoon overal waarneembaar, daar kun je van blijven genieten. 

zondag 11 oktober 2020

Notitie

Mars schijnt nu oranje pal voor mijn boshuisje in een heldere sterrenhemel tussen de bomen. De snelweg is afwezig op de Zondagavond en ook de buren zijn weer vertrokken, geen lichtjes meer om mij heen, ik ben weer de enige, waarschijnlijk tot vrijdag. Er vallen alleen af en toe eikels uit de bomen. Als ze op een aluminium  dak vallen geeft dat een harde klap.

Ik heb nu serviesgoed waarvan vier mensen tegelijk kunnen eten en drinken, bier uitgezonderd en twee gebakvorkjes te weinig en twee kommetjes die voor het toetje weer moeten worden afgewassen omdat daar eerder soep in zat. De boekenclub was op bezoek.

In Beekbergen is een ouderwetse Dorpsstraat die eindigt in de weilanden, waar ik bij de slijter de wijn haalde en toch maar niet de boekhandel inging die gevestigd is in een oud postkantoor (ofzo): een kleine ingang en door de lage ramen zag ik smalle gangen met ook tweedehands boeken.

Ik heb twee kleine dennenappeltjes meegenomen van onder de grote dennenboom die nu op instorten staat, met de laaghangende tak waar vroeger de Simca geparkeerd stond met het uitklapbaar picknicktafeltje, die ook de bodem van de achterbak was en de ouders lazen op campingstoeltjes en later de reiswieg in de schaduw kon staan, terwijl wij op de zandberg speelden. Nu platgewalst met dikke bandsporen en een naaldtapijt. Op de kaart is deze familieplek nu een officiële picknickplaats waar drie tafels staan.

vrijdag 9 oktober 2020

Illustrated Classics

Adriaan van Dis, die vertelde dat zijn belangstelling voor literatuur als kind gewekt was door The Illustrated Classics, gaf voor mij de doorslag: dat ik er toch twee bestelde bij Books Depositery. Daar had ik tot mijn verassing ontdekt dat deze herdrukt waren. Want ook voor mij is lezen begonnen met deze ‘boekjes’: Mijn opa had er op zijn studeerkamer een doos vol van en ik herinner mij daar op de grond, half onder een tafel, achter zijn leesstoel, ze te verslinden. 

Mijn acute neiging was om er een heel aantal van te bestellen, al die bekende titels en kaften, ik voelde me weer dat kind dat gretig in die doos dook en toen ik dat door had, bestelde ik uiteindelijk niks. Maar nu wilde ik er toch wel een paar als een soort van eerbetoon bestellen. Dat werden er uiteindelijk twee:  want eentje is zo mager en ‘een paar‘  werden er al snel weer veel méér, ik kon niet kiezen. Als het er één was geweest wist ik meteen welke: mijn absolute favoriet Around the World in 80 Days van Jules Verne. Daar greep ik bij elke logeerpartij als eerste naar en herlas het. Daar bestelde ik nu The Timemachine bij van H.G. Wells, omdat ik de oude film ervan wel kan dromen, maar ik herinnerde mij niet meteen het beeldverhaal, dus ik was benieuwd.

Gisteren kwamen ze aan, en ik deed de proef op de som: helemaal op het einde dat plaatje waar hij met zijn geliefde in de hand, een kwartier op tijd binnenstormt bij de vrienden waar hij de weddenschap mee had afgesloten, dat het hem zou lukken om in 80 dagen de wereld rond te reizen: Ja! Het was precies zoals in mijn hoofd gegrift stond! Wat een genoegen om hem weer in India te zien en bij de Indianen in een trein in the Wild West. Ik weet gewoon niet hoezeer dat boekje ook aan het begin staat van mijn eigen reislust.

Én aan het begin stond van mijn belangstelling nu, in de graphic novel: want dit waren de allereerste die ik las en bekeek, tegelijk met Donald Duck en Tina en pas later volgden Kuifje en Asterix & Obelix. Plaatjes en tekeningen hebben mij altijd meegesleept. Wat wel anders is en wat ik meteen ten zeerste miste: het oude papier met houtvezels en de slappe kaft. Dat fysieke aspect zit - zo blijkt - aan die leeservaring van vroeger verbonden: het buigzame papier dat precies paste op je schoot in kleermakerszit of open bleef als je met je buik op de grond lag, dat ritselen van het papier, het met je vingers natmakend om de bladzijden om te slaan. Ze zijn herdrukt op glad en stevig papier en het formaat lijkt kleiner dan die van toen. Of ik ben eenvoudigweg groter geworden. 

donderdag 8 oktober 2020

Héérlijk. Treurende man. Héérlijk

Héérlijk! Om na januari weer voor het eerst in Nederland in een museum te lopen. Ik werd me weer bewust dat de museale kunstruimte de enige andere is, naast een kerk of een kathedraal of een tempelcomplex, waar je in kunt wandelen en alles om je heen gebouwd is om je te omhullen en vrijuit te laten ademen in schoonheid, waardoor je een besef krijgt van alles wat het dagelijkse leven overstijgt, waar jubel en intensiteit aanwezig wordt; zowel de hoogtepunten en dieptepunten van het leven en alles wat er in je kan woelen.

Ik belandde door de uitgezette looproute in het Kröller-Müller Museum direct in de tentoonstelling Paint it  Black, vol zwarte objecten, een heel slim gekozen thema in het Black Lives Matter bewustzijn dat de wereld zoals de pandemie, over is gegaan. Zwart is voor sommige kunstenaars de meest volledige kleur, omdat het alle andere kleuren in zich herbergt. Ik werd vooral geraakt door de combinatie van zwart, verspreid in een ruimte, in allerlei vormen, terwijl door de grote ramen de bomen ook al geel met enige toetsen rood kleurden te midden van ademend groen.

Heerlijk ook, om dat pas in de middag te besluiten om te gaan doen, toen het weer opklaarde: nog even anderhalf uur naar het museum na een prachtige fietstocht door het Deelense veld, de uitgestrekte heide die ik op de heenweg naar Hoenderloo van de andere kant al heb bewonderd. En nu helemaal stil, geen fietser, geen enkel autogeluid... ook een ruimte om je heen die je zinnen verzet naar verte en onbepaaldheid en leegte.

De verzameling van Van Gogh was door de looproute nu als het ware in tweeën geknipt en voor het eerst werd ik de werkelijkheid in gezogen van de Treurende Man: een man op een houten stoel met zijn hoofd in zijn handen, gekleed in het blauw, terwijl achter hem een haardvuurtje flakkert. Dat blauw, die subtiele beweging, alsof je de man ziet snikken, door de golvende penseelstreek... alsof die hele coronatijd, een pandemie die de hele wereld schokt, in dit ene schilderij vorm heeft gekregen...

Nu zag ik pas helemaal op het einde, als afsluiter van dit museumbezoek, mijn allereerste schilderij dat indruk op mij heeft gemaakt: Een familie in een zomerse boomgaard van Theo van Rijsselberghe. Ik zie me weer dat kind zijn, die maar geen afscheid kon nemen van dit schilderij, mijn ogen er niet van af wilde trekken, ik hoor mijn moeder achter mij zeggen: Mirjam kom nou, we gaan! Het hing indertijd midden in de Van  Gogh verzameling in een apart zaaltje. Pas heel veel later, in mijn puberteit zou ik ook zo overdonderd raken door de schilderijen van Van Gogh: de zwarte kraaien die opstegen boven een korenveld met donkere luchten gaven precies mijn toenmalige gemoedstoestand weer. 

Nu moést ik iets in de museumwinkel kopen, al was het maar één kaartje om op te hangen in mijn boshuisje, om mijn eerste museumbezoek in Kröller-Müller te markeren, want ik verwacht dat er nog velen zullen volgen. Ik vond een heel klein dienblaadje met de afbeelding van die vrouwen in de groene boomgaard, dat op de rand van mijn bank past. Thuis zette ik daar een glaasje jonge jenever op, een drankje dat in mijn studententijd, hét drankje was en dat ik sindsdien, zo ongeveer, niet meer tot mij had genomen. Zo, een cirkel is weer rond, ik houd wel van volledige cirkels. Ondertussen vult het boshuisje zich met de klanken van een playlist met Choral Music van Spotify: héérlijk!