vrijdag 18 december 2020

Welpen. Kabouters. Mowgli. Pocahontas

Hoe de wereld in mijn jeugd nog strikt gescheiden was in een jongensdomein en een meisjesdomein, achter de schermen bestuurd door het katholieke, zie ik nu ineens. Broer zat als kind bij de Scouting, eerst bij de welpen en daarna werd hij verkenner tot op het einde van de middelbare school. De scouting is door Baden Powell opgericht en voor de jongetjes gebruikte hij het verhaal van Rudyard Kipling, Junglebook, over Mowgli die als een welpenjong opgroeit bij de wolven, hij is dus een welpenmens.

Broer welp was veel buiten en in de bossen. Hij leerde er pionieren; dat je kon bouwen om in de natuur te overleven, hutten, torens, bruggetjes, gemaakt van boomstammen en touwknopen. Ik herinner mij dat hij insignes kon krijgen, die dan op de arm van zijn blouse genaaid werden, hij liet mij verschillende sporen van dieren en allerlei touwknopen zien die hij dan moest kennen, het ging over kamperen en vuur maken.

Dat wilde ik ook wel, maar ik kon geen welp worden, maar wel kabouter. Vol verwachting ging ik er heen. Het bleek niet buiten in het bos te zijn, maar binnen op een hele grote zolder die was opgedeeld in vakjes, waar iedere kaboutergroep een soort van huiskamertje had en de kabouterleidster heette Oehoe ofzo en ze zongen een oubollig liedje. Eens maar nooit meer.

Later op de middelbare school werd hij verkenner en hij had een honk in de bossen waar hij elke week heenging en met oud en nieuw bakten ze oliebollen. Ik kon zoiets niet... ik richtte mij op jazzballet en later op dansles en deed aan klei-, tekenen- en schildercursussen. Ziehier de potentie van  een opvoeding tot een net representatief meisje, dat bij wijze van zeggen, een bal kan openen en enige kunstvaardigheden kende, en mee kon doen aan een onderhoudende conversatie. Voor meisjes waren er de laatste jaren  van de MMS, die afgeschaft werd, de Middelbare Meisjesschool en je kon naar Schroevers, waar je leerde typen: secretaresse worden was dan het hoogste doel. Op de lagere school, een meisjesschool, leerde ik ook breien en haken en borduren, ik had er een hekel aan en de broertjes op hun jongensschool, die hoefden dat niet. 

Van dansles heb ik, eerlijk is eerlijk, ook genoten. Voor het eerst verliefd op een jongen op A. die mij op zijn brommer ophaalde voor de zondagse dansavond en mijn broertjes en zusjes keken met hun hoofdjes boven elkaar in een dunne streep licht tussen de gordijnen, hoe ik achterop op zijn brommer stapte bij de straatlantaarn. Hoe interessant, hun oudste zus, door een jongen  opgehaald! 

Maar eigenlijk wilde ik ook tegelijkertijd  de jongen zijn, die Broer was. Het lag simpelweg niet in mijn mogelijkheden. Pas op heel late leeftijd heb ik dit uitgeleefd: een kampvuur maken, veel buiten zijn. En Broer leerde mij kamperen, de eerste keer niet voor een natuurvakantie, maar drie weken in Florence met H. de eerste echte geliefde. Maar zijn kampeerlessen klinken veertig jaar later nog in mijn oren.

Ode aan Mowgli en het buitenleven in de natuur:  ik kijk nog eens naar het liedje The Bare Necesities van Walt Disney uit Jungle Book, het liedje hoort voor mij bij de eerste tijd in lockdown en de quarantaine: het goed hebben met simpele dingen in je nabije omgeving. De film komt al helemaal uit 1967, wat lang geleden, maar hoe fris en tijdloos, en dat Mowgli een jongetje was, zo was het verhaal nou eenmaal uit die tijd,

Een ode dan ook, aan dat andere liedje uit een tekenfilm van Walt Disney Pocahontas, gebaseerd op een echt bestaand meisje uit de 17e eeuw, dochter van een stamhoofd die trouwde met een blanke. De film is uit 1995, toen was er wel al een bewustzijn van het belang van vrouwelijke rolmodellen in verhalen. Ik leerde het liedje Kleuren van de Wind kennen doordat nichtje L. dit loepzuiver en met veel gevoel , ontroerend prachtig, voor haar oma zong. 'Dat mag je zingen op mijn begrafenis' zei ik toen en dat geldt nog steeds... Hier een meisje, een jonge vrouw met een bruin huidje, een Indiaanse, die zingt naar een blanke man: jij denkt dat de aarde en de natuur er is, om deze te exploiteren en dat alles draait om jou maar kijk naar de diversiteit om je heen. Een liedje dat nu extra lading krijgt in dit jaar van Black Lives Matter.

donderdag 17 december 2020

De waterlelie. Abdij Sion

Al vanaf de middelbare school gaat het beeld van de waterlelie met mij mee. Het begon met een gedicht van Frederik van Eeden:

Ik heb de witte waterlelie lief/ daar die zoo blank is en zoo stil haar kroon/ uitplooit naar 't licht./  Rijzend uit  donker-groene vijvergrond/  heeft zij het licht gevonden en ontsloot/ toen blij het gouden hart/  Nu rust zij peinzend op het watervlak/ en wenscht niet meer....

Pas later ontdekte ik dat het een bekend beeld is uit het boeddhisme en hindoeïsme. Ik herinner mij dat ik hierover vertelde in klassen, ook weer op middelbare scholen,  waar ik stage liep om wellicht leraar levensbeschouwing te worden. Ik had een lescyclus gemaakt die ging over 'Geluk' en noemde daar enkele 'Geluksbrengers', daar zat van alles tussen, ook deze waterlelie. Alle klassen van een VMBO-klas waar heel veel jongeren last hadden van acne op hun gezichten, tot een HAVO- en een VWO-klas met gave huidjes, werden even stil van de waterlelie, dat kwam binnen. Toen ik in een eindles de opdracht gaf: 'Ik ga op reis en ik neem in mijn koffer mee...?' kwam de waterlelie dus ook overal weer tevoorschijn.

Het is een beeld dat over je eigen kracht en verlangen en potentie gaat om uit de donkere modder, die iedereen kent, te groeien naar het licht, tot een witte bloem, die alle smurrie achter zich laat, die heeft je uiteindelijk niet getroffen en geschaad, je bent heel en gaaf gebleven. 'Jij bent zo'n waterlelie', zei ik toen. 

Nu denk ik: het gaat er nooit over dat deze waterlelie ook weer verwelkt en verschrompeld en wat blijft er dan over? ... YouTube bracht mij vanochtend in Diepenveen: Rondleiding door de abdij Sion is een reis naar het verleden. Ik kwam daar jarenlang, één keer in de maand: we lazen er met een groepje waaronder de abt, de teksten van Cassianus, een woestijnvader, daar is het monnikenleven begonnen, alleen en afgezonderd leven in een cel in de woestijn. Het sterkste beeld dat mij is bijgebleven, is de aansporing om niet 'lauw' te leven, maar 'vurig' .Ik zou dit beeld en het leven bij jezelf en met jezelf nu toevoegen aan de lijst van Geluksbrengers. Mijn boshuisje is zo'n geluksbrenger.

Voor het eerst zie ik in deze rondleiding de werkplaatsen en monnikenverblijven. Ik herken degene die de rondleiding doet aanvankelijk niet en pas later denk ik: ik kén jou, jij was die springerige enthousiaste jongen met donkerbruin steil piekhaar, de voorzitter van de Stichting Ouderen-Jongeren '67 waar ik ook meer dan tien jaar actief in was. Weer een blijk van de tijd die alles verandert en veroudert, je kunt nooit de weg terug naar verjonging. 

Alles is weg: het ooit bloeiende kloosterleven, de vriendschap en de intense gesprekken rondom Sion, die springerige jongen met zijn piekhaar en het komt nooit meer terug. Hij hoopt op een bloeiende nieuwe levende geloofsgemeenschap aldaar. Doet het ertoe of deze droom ooit uitkomt? Zijn mijn eigen jaren toen ik in het Kapucijnenklooster een kamer bewoonde vergeefs geweest, toen die droom van een samenleven van Kapucijnen en leken uit elkaar spatte? Peter zegt op het eind van dat filmpje: 'Zij die geloven, haasten niet.'

Misschien is dat de kracht van het beeld van de waterlelie. Deze ontstijgt de tijd, dus ook haar eigen verwelking en vergaan. Elke jongere wordt niet meteen die waterlelie en velen wellicht nooit... Maar misschien is het accurater om te zeggen: iedereen wordt ergens, op een moment, op elke dag, zo'n waterlelie. Wanneer je de de haast, en dus de tijd even achter je laat. In het liefhebben van de waterlelie ontstaat kracht.

woensdag 16 december 2020

Bijbelboeken

Ik lees uit de Bijbel de boeken Prediker en Klaagliederen. Wat een besef van de vergankelijkheid van het leven spreekt hieruit, verdriet en rouw in zoveel beeldende taal, zuchten en rouwen. Daarna las ik de eerste en de laatste psalm van de 150 die er zijn en die ook alle lagen van het gevoelsleven bestrijken. In de kloosters worden ze dagelijks gebeden en gezongen, elke dag opnieuw.

In de eerste psalm dat beeld van de boom, hoe de mens kan zijn:

Wezen zal hij / als een boom geplant aan beken water,/  die zijn vrucht geeft op zijn tijd/ en zijn blad valt niet af: / al wat hij doet zal hem gelukken.

En de laatste psalm is één groot, nee eerder klein loflied, van zes verzen. Een loflied op de Ene, God, die in deze moderne tijden verdwenen lijkt, maar nog altijd in de muziek in leven wordt gehouden, zeker ook in deze adventstijd en niet alleen bij de christenen. Dat kan dus samen: tegelijk de gedachte: 'God, ik wéét het niet hoor, ik dénk van niet'  en tegelijk jubelend en half in extase over hem zingen.

Loven met muziekinstrumenten en een dans, daar spreekt vers 3-5 over:

Looft hem met een stoot op een ramshoorn/  looft hem met lier en harp/  looft hem met pauken en reidans, / looft hem met snaren en panfluit/  looft hem met klankrijke cimbels/ looft hem met schallende cymbalen.

Loven gebeurd dus niet met woorden en gedachten, filosofieën en theorieën, het gaat buiten het bereik om van het verstand. Dat geldt ook voor rouwen en klagen, alhoewel daarvoor wel veel redenen worden gegeven in de Klaagliederen en in Prediker. Loven is misschien iets waar je, zonder woorden je je zelf toch laat dragen in je eigen levensadem, het licht en lucht geven en dat toelaten...

Het laatste psalmvers is: Alle levensadem love de Ene: allélúiá! Kan dat tegelijkertijd samen gaan met rouwen en zuchten? Soms niet en soms wel.

dinsdag 15 december 2020

Sheets. Tijn Touber.

Ik las en bekeek een lieve, betoverende, grappige en ook wat melancholische graphic novel van Brenna Thummler; Sheets. Op de achterflap een foto van een jonge, schuchtere verlegen vrouw. Het gaat over een meisje dat de wasserette van haar overleden moeder die deze op 19 jarige leeftijd al opende, nu in haar eentje runt. Haar vader heeft zich opgesloten in zijn kamer van verdriet, haar jongste broertje snapt nog niet goed wat er allemaal gebeurd is. Ze wordt gepest en genegeerd op school en kan niet mee in het zorgeloze leven van haar klasgenoten. Het gaat niet goed met de wasserette, die op een toplocatie staat, vlakbij zee en er komt een gemene akelige man die het wel wil opkopen om er een yoga- en wellness-resort van te maken. Zij is eenzaam en in haar herinnering heeft ze eigenlijk maar één vriendje: een jongen van elf die haar geholpen heeft om de weg terug te vinden uit een maisdoolhof waarin zij achtergelaten is. Zij googled, zou ze het jongetje terug kunnen vinden? Ze ontdekt dat hij gestorven is, hij is verdronken.

Het is realistisch getekend, het doet me denken aan hoe je zelf vroeger zou willen dat je kon tekenen, gewoon je eigen omgeving, maar dat lukte dan nooit. De kleuren zijn zacht, pastelachtige, met een lichtgrijze waas er overheen. Al heel snel in het boekje komen er dan bladzijden, die helemaal in het lichtgrijs-blauw zijn. je wordt geïntroduceerd in het dorp en het land van de geesten, die wonen in kleine huisjes. Er is een kleine geest die woont in een caravan en die steeds naar de gewone wereld wil en dat mag eigenlijk niet, zeggen de ouderen in dat dorpje, want de mensen begrijpen er toch niks van en worden daar maar bang van. 

De wijze van zichtbaar worden  in de gewone mensenwereld is, door onder een laken te kruipen en die vindt hij in de wasserette van Marjorie. Ze sluiten een vriendschap, het 'spookje' en Marjorie en hij helpt haar, samen met andere geesten, die zien dat Marjorie niet bang voor hen is, de akelige yoga-meneer, die stiekem rode vloeistof in het wasmiddel gooit te verslaan en dan blijkt hij Wendell te heten, het is het jongetje dat haar uit het maisdoolhof hielp. Alles komt goed. Marjorie leert dus ook andere geesten kennen en vraagt of deze weten waar haar moeder is, ze zou haar zo graag willen ontmoeten en de geesten gaan wel navraag doen, maar komen terug met de boodschap dat ze haar niet hebben kunnen vinden; het land van de geesten is groot.

Een mooi verhaal om met de verbeelding een verbinding te maken tussen de levenden en de doden, dacht ik hierbij. Gek, dat zo'n verhaal ook troostrijk kan zijn , het zet zachtere krachten in jezelf in werking. Het kan bijna niet anders, denk ik,  dat Brenna Thummler hier haar eigen ervaringen van rouw en verdriet in verwerkt.

Vanochtend bracht YouTube mij bij Tijn Touber: Treur niet om ons, maar leef je leven,  vier dagen geleden gepost. Jaren geleden was hij bij mij even in beeld omdat hij een project startte dat Stadsverlichting heette. ( In januari 2012 heb ik er een blogje over geschreven.)  Hij wilde graag dat mensen zich aaneen sloten, om tezamen in de eigen huiskamer te mediteren en zo figuurlijk en letterlijk bijna,een lamp aandoen in huis tijdens de meditatie ,de wereld lichter te maken. Ik las ook een boekje van hem waar ik vond dat hij op een nuchtere, realistische wijze over de kracht van mediteren vertelde. Maar nu blijkt hij ook helemaal in het land van de geesten te zitten. Hij meldt dat de gestorvenen in een eigen wereld leven met steden en bergen  en rivieren en dat dezen graag zouden willen dat wij hen als dichtbij ervaren.

Nu heeft hij een uur geleden een filmpje geplaatst, waar hij de maatregelen van de totale lockdown perfect vindt want het kan ons dichter bij onszelf brengen. Want de hele wereld wordt geregeerd vanuit angst en leeft niet authentiek. Nu komen we al snel in het gebied wat de echte tegenstanders 'zweefteverij' noemen. Gaat dit richting Virus-ontkenning en de-mens-heeft-het-zelf-in-de-hand-om- ziek-of-gezond-te-zijn? 

Zijn filmpje kwam op nadat ik gekeken had naar de ex-claris Agnes Holvast, dat ook zomaar verscheen, die negen jaar in het klooster heeft geleefd en nu moeder is van twee jonge kinderen, Bij haar las ik het woord 'huidhonger' dat in deze Coronatijd een opmars maakte. Zij schreef het in haar boek: Leven met de Beminde, ja 'God' dus, maar die kon haar toch niet van de huidhonger, het verlangen naar aanraking en warmte, in een steriel klooster, genezen. Nog steeds voelt zij zich toch ergens een 'zuster', zegt ze nu.

Het hele gebied rondom 'God' en 'Geesten' en of er wel of niet 'íets' is na de dood en dus ook reëel wordt in het dagelijkse leven, veel zusters in de kloosters noemen zich 'de bruid van Christus' en dit huwelijk kan alleen volledig geconsumeerd worden na de dood.... dat gebied  blijft ongrijpbaar en met de ratio niet te vatten. Mijn beleid is: een oordeel opschorten en wel een gezonde allergie ontwikkelen wanneer er uit deze bubbles een morele superioriteit en een dedain jegens de 'gewone' wereld geventileerd wordt, terwijl er achter de schermen hardvochtigheid en wreedheid is, net als overal... Dan pak ik maar opnieuw het boekje van Brenda Tummler in de hand, waar zij dat gebied tussen hemel en aarde samenvat in dat ene woord, de titel, Sheets.

zondag 13 december 2020

Muziek en de verte

Ik fietste naar de familieplek. Daarachter is een wandel en ruiterpad naar het jeneverbesbos. Dat ik nog niet bereikt heb, ik nam te snel een afslag en wandelde uiteindelijk dezelfde weg weer terug. Wat is het er stil, weids en uitgestrekt. Ik hoorde ineens het getrappel van hoeven. Achter mij kwam er een donkerbruine kudde beesten voorbij die weer verdwenen in een bos daarachter. Zo snel weer uit het zicht verdwenen. Ik dacht aan de eeuwige jachtvelden.

Thuisgekomen keek ik naar het programma Podium Witteman. Het is live, met optredens waar klassieke muziek ook gemengd wordt met pop-jazz en wereldmuziek. Alles wat ik zag en hoorde vond een plek. Een veertienjarige violiste die een lied van Fauré ten gehore bracht. Een  90-jarige musicus die met de bugel, begeleid met een piano My Funny Valentine  speelde. Sprookjesmuziek van Ravel, de première van een compositie, waar de componiste eigenlijk geen woorden had om iets zinnigs te zeggen over het ontstaan ervan in haar hoofd...wat kan muziek toch alle regionen van je ziel aanraken...

Dat had ik nog sterker toen ik daarna naar de opera Fidelio luisterde en keek. Het was voor het eerst dat opera binnenkwam. Het werd gedirigeerd door Jaap van Zweden in een concertzaal zonder publiek. Zo vreemd, de zangers van het koor ver uit elkaar, uittorend boven het orkest, de musici en zangers op 1,5 meter afstand van elkaar. Hij had een week eerder in Podium Witteman zijn zorg uitgesproken: als dat maar zou klinken, zo niet dan zou hij ter plekke alles afblazen.

De muziek bevat zoveel woestheid en felheid, afgewisseld met tedere klanken en speelt zich in het tweede gedeelte in een kerker af. Fidelio lijkt een jongeman, maar is eigenlijk een vrouw die haar geliefde die gevangen zit in de kerker probeert te redden en er in deze vermomming achter wil komen of hij daar inderdaad zit opgesloten. Ik was er zo in bevangen dat ik daarna op You Tube weer een stuk ervan ging kijken, ditmaal naar een heel oude uitvoering, met Leonard Bernstein. Het toneel decor is oubollig, maar het gezicht van Bernstein spreekt zoveel boekdelen. 

Alleen al het kijken naar de dirigent en dat gold ook voor Jaap van Zweden, de expressie van de lichaamstaal, al dirigerend, heeft iets bovenaards. Jaap van Zweden deed één tussenzinnetje bij Podium Witteman die mij de hele week is bijgebleven: dat hij persoonlijk toch wel denkt dat er een Hiernamaals is, maar je je alleen kan richten op een HierNumaals.

zaterdag 12 december 2020

Ester. Happens to the heart

Ik had het Bijbelse boek Ester gelezen, eigenlijk een kort verhaal van maar tien hoofdstukjes, maar met een geweldige impact: het is de oorzaak van Poerim, een van de belangrijkste dagen op de Joodse feestkalender. In de lente gevierd met feestelijke maaltijden, kinderen verkleden zich, zoals bij het katholieke carnaval, er worden poerimgrappen uitgehaald, vergelijkbaar met 1 april. Er wordt gevierd dat  de Joden, in plaats van ten  onder te gaan, juist gered worden en hun voortbestaan gegarandeerd wordt, door de inbreng van Ester.

Maar haar verdienste heeft zoiets geks on zich heen kleven: ze werd door de toenmalige koning geliefd en uitverkoren uit vele maagden en alleen haar schoonheid lijkt een rol te spelen: er wordt verteld dat alle vrouwen één jaar lang een schoonheidsbehandeling moesten ondergaan ; zes maanden met mirre-olie en zes maanden met balsemkruiden' staat er gedetailleerd (hfst 2;12) voordat zij voor de koning mochten verschijnen. Ester moet ook nog eens van haar pleegvader Mordochai haar afkomst verbergen: dat zij namelijk zelf Judaeër is, iemand uit het Joodse volk. Dan ontspint zich een bizar verhaal, waar alle rollen omgekeerd worden: het leek de bedoeling dat Mordochai onthoofd en aan een paal zou worden gehangen door Haman die denkt de gunst van de koning te hebben. Maar op het feestmaal gebeurd het dat de koning alles wat Ester wil zal inwilligen en zij gebiedt Haman en de zijnen te onthoofden. Tot deze rol moet zij ook nog enigszins aangespoord worden, ze heeft aanvankelijk de neiging om te zwijgen. 

Je zou willen dat er ergens geschreven staat dat zij intelligent was en onafhankelijk, maar nee, eigenlijk volgt zij steeds de aanwijzingen van haar pleegvader op. In dit Bijbelse verhaal komt 'God' ook niet voor , heel uitzonderlijk. Ik ging wandelen, om het eens te laten bezinken. Het was zwaar bewolkt en ook de paraplu zou ik gaandeweg nodig hebben, zo bleek. Ik nam geen kaart mee of iets te drinken: ik zou door de bossen naar de hei wandelen, daar een rondgang en weer terug. 

En toen verdwaalde ik een beetje. Al vlakbij huis wilde ik de zo kortst mogelijke weg door het bos naar de Krimweg, ik dacht dat ik het paadje zag, maar dat bleek te eindigen in het niks. Dan maar een beetje door het natte blad en over takken heen richting de weg. Ik zag de weg, maar er klopte iets niet , er reden heel veel auto's. Waar was ik? Hoe kon dat nou? In de reconstructie weet ik het wel: mijn fijne coördinatie, daar schort het aan: subtiel moet ik, struinend tussen de bomen, uiteindelijk een halve draai om mijn as gemaakt hebben, in plaats van rechtdoor en zo kwam ik op de Berg-en-Dalseweg uit, tussen Beekbergen en Hoenderloo.

Daar liep ik ook nog eens een poosje langs de grote weg richting Beekbergen en toen ik daar achterkwam, door navraag te doen bij een man die in de regen in zijn auto instapte bij het bos en eerst zelfs door wilde rijden (Wat deed die man daar? dacht ik ook nog). Ik dook de bossen weer in, maar het werd wel allengs donkerder, met nevel en regen, ik kon me dus ook niet oriënteren op de zon. En ergens hééft het ook wel wat: Lost in the Woods, er komt ook een adrenaline in je, je betreedt het machtige gebied tussen hoop en vrees. Dat kan afschrikwekkend en onverdraaglijk zijn, maar niet als de hoop prevaleert: dat het wel goed zal komen. Het is een situatie die je zelf niet kiest en creëert, het was net als in mijn periode in India toen ik het land niet uit kon: dat verzin je niet zelf, maar achteraf is het een heel levendige en bijzondere tijd in mijn  leven geworden.

Vanochtend keek ik maar weer eens op YouTube, zou er weer iets tevoorschijn komen, dat mijn ervaring een vorm zou geven? Verhip ja: ik zie een gestalte in een mistig bos lopen. Het blijkt de officiële clip te zijn bij het liedje Happens to the Heart van Leonard Cohen. Zijn liedjes zijn altijd zeer multi-interpretabel en deze heeft ook een duister randje. In de video dacht ik even dat zij de duivel ontmoette in de bossen, zij laat haar kleding, die voor mij de associatie hadden van kleding van een Joodse orthodoxe man, vallen, een man verschijnt en slaat een cape om haar heen... zij loopt door en het wordt gaandeweg eerder iets van een monnikspij en het eindbeeld is opwekkend: letterlijk.

 

 Vanmiddag zie ik een filmpje waar hetzelfde liedje wordt begeleid met beelden uit de film Remains of the Day: de woorden lijken ineens helemaal samen te vallen met dat verhaal. De butler die niet uit zijn rol kan komen, gevangen in dienstbaarheid en decorum aan zijn Landlord met nazi-sympathieën. Hij let niet op zijn eigen hart, en is niet bij machte om handen en voeten te geven aan de liefde...

Ja, ergens is er een onbestemd en mistig gebied in de ziel waarin van alles woelt, dat haaks staat op de scherpomlijnde dagelijkse gewoonte en het decorum. Wat er gebeurd met het hart en uiteindelijk met een heel volk, zoals bij Ester, de weg is niet helder en vast omlijnt. Ik kan wel willen dat Ester uit zichzelf daadkracht en moed vertoont en niet ook afhankelijk was van haar uiterlijke schoonheid...maar zo gaat het in het leven niet, je bent ook overgeleverd aan de omstandigheden.... Toch denk ik dat het wel mogelijk is, hoe de omstandigheden ook zijn, ook al is het soms dwalen in de mist, dat je iets voor dat hart kan doen: het koesteren en cultiveren van gaafheid.

vrijdag 11 december 2020

Webcams. AKIRA. The Queens Gambit

Vanochtend wel een uur lang gekeken naar de rollende webcam van Venetië. De stad ontwaakt met een wolkenloze roze hemel. Vanaf verschillende hotelkamers word je op hun uitzicht getrakteerd en velen kan ik aardig plaatsen. Ook makkelijker gemaakt door de schaduwen en daar waar de zon dan langzaam van bovenaf de daken kleurt, wat na een uur nog geheel in de schaduw staat, dat zijn de wijken, sestierie, ver achter de overzijde van de Canal Grande.

Op één van mijn lievelingsplekken bij het St Marco Basin, rondom een bankje op de hoekpunt zodat je een vrij uitzicht hebt, was een stel een intensieve work-out, zo bleek, aan het doen. Het was de reden dat ik er bleef hangen, O! dat bankje, daar heb ik zó vaak gezeten in het avondgloren, de zon achter de stad precies aan de overzijde dus, van waar hij nu opkwam. Dan had ik wat te eten en te drinken gescoord in de supermarkt dichtbij en als het bankje bezet was, dan ging ik zitten op de ijzeren 'boei', de aanlegplek waar een touw omheen  gebonden kan worden  door boten. Eigenlijk was dat nog een betere plek, want helemaal op de punt en bij het water, maar het nadeel is dat je daar je etenswaren niet naast je neer kan leggen. Dan ga ik ook wel op de grond zitten en dan gebruik ik de boei als steuntje in de rug. Zó bekend en ik weet zeker dat als ik er weer ben, ik mij zal herinneren dat ik op een koude bijna winterse dag vanaf het bos naar deze plek heb gekeken.... Het brein als voortdurende, tijdloze stream of conciousness.

Het stel was klaar, het had iets van een synchrone choreografie van het bankje af, twintig keer door de knieën, naar het bankje toe, de armen gestrekt en leunend met de handen op de zitplaats de benen één voor één de hoogte in, enzovoort. Na weer een vogel-rondblik door de stad, zag ik ze tenslotte hun jassen die op het bankje lagen weer aantrekken en weglopen. Binnenkort weer eens kijken, dan weet ik of het bewoners van de stad zijn en of dit hoort bij hun vaste routine. 

Nu ik toch bezig was, dan maar even naar de webcam van plekken Worldwide. Nou ja, geheel niet representatief, het zal wel van een en dezelfde  hotelketen zijn. Amsterdam, de Dam kwam voorbij. daar schijnt nu wel een waterig ochtendzonnetje. Wel de bekende kerstverlichting in de lantaarnpalen, maar géén grote kerstboom tegenover het paleis, geen ijsbaan en gezellige houten kraampjes...Een achteraf leeg pleintje in Dresden met de architectuur van de Pruisen, ik ben er vast wel langs gekomen toen ik Oud en Nieuw bij U. vierde. Ergens dronk ik daar de lekkerste kop cacao die ik ooit geproefd heb. En dan of all places, Elburg! dat is naast Hoenderloo de andere vakantieplek uit mijn jeugd, een huisje in het zand bij het IJsselmeer, broertjes weer bezig met het graven van waterwegen en ik mocht niet meedoen. In de hoofdstraat altijd naar de visboer voor een warm lekkerbekje, het rook er altijd ziltig langs het haventje en onder de oude stadspoort door en nu was men er bezig om de kerstverlichting op te hangen.

Ook ik ontwikkel hier mijn vaste routine. Ik ontbijt altijd op mijn campingstoeltje met mijn voeten in de warme schapenvacht, pal tegen de terrasdeuren aan. Dat is het campinggevoel dat ik hier in het boshuisje wel koester: na een nacht op de grond is er niks fijners, als op je stoeltje gaan zitten, goed voor de rug ook, en je ontbijtje klaarmaken. Net als in de tent ben ik ook hier gefocusd om de leefplek aangenaam te maken. In een tent is dat vooral alles drooghouden en beschermen tegen regenbuien, hier isoleer ik de wanden vanaf het begin met mijn graphic novels en dat lijkt ook wel weer op mijn stenen hoekhuis in de nieuwbouwwijk met alle boekenkasten langs de buitenmuur.

Maar in een tent zijn er van die microklimaatjes: de tocht die vanonder de kier bij je voeten komt buiten het slaapgedeelte dat je dicht kunt ritsen kun je wegwerken door daar een kartonnen doos neer te zetten die ook dient als voorraadkast, heb ik verzonnen op Terschelling. En nu net heb ik er een grote rood/wit-zwarte doos gezet van Akira, een Japanse klassieke manga van meer dan 2000 pagina's van Katsuhiro Otomo, ter gelegenheid van het 35-jarig bestaan uitgegeven in een mooie vierkante doos, in zes gebonden hardcovers met als extra bonus een boek met 'artwork'  op glanzend papier. Ik heb die deze week geheel geboeid gelezen en bekeken, mij opnieuw verwonderend dat thema en omgeving, zo lang in mijn nachtleven aanwezig was: een stad die hier vooral verwoest is, (in mijn dromen een oude stad, die dreigend verwoest kon worden door tsunami's), een groepje jongeren op queeste, een onbekende kracht dat de boel zowel verwoest als samenbindt, het vinden van onbekende bondgenoten: jarenlang zat deze dynamiek in mijn droomleven. 

Er zijn pillen die de krachten en machten moeten reguleren en bijeenhouden en exact dezelfde soort pil speelt een grote rol in het leven van Beth Harmon, de sublieme schaakspeler in The Queens Gambit, een wereldwijde hit van Netflix: schaakspelen worden nu vijf keer zoveel verkocht. Sommige plaatjes zien er precies zo uit als scenes in de film: dat de hoofdpersoon in close-up naar een handvol pillen graait en deze in de mond stopt. Van Akira is ook een baanbrekende animatiefilm gemaakt; nog nooit zoveel losse tekeningen voor één seconde film, en ook de thematiek van sci-fi, magie, dystopie in een verwoeste stad: Akira wordt de oerbron genoemd van dit alles. Het zou mij niks verbazen als de pillen in The Queens Gambit  in deze serie zitten, als een eerbetoon.