dinsdag 10 december 2024

Retired Playground Animals; Raar.


Tot mijn verbazing komt bovenstaande plek tevoorschijn in een artikel over The Freakiest Places in Town, in de New York Times. Andere foto’s zijn louche nachtclubs, een politieagent in een zeventiger jaren foto, die vastgeplakt lijkt  aan een muur met graffiti in de metro, gek verklede mensen met dierenoortjes, geschminkte gezichten en glitterpakken. Wat doet deze plek daartussen? Ik was er ook: in Flushing Meadows Coronapark in Queens, ooit aangelegd om een wereldtentoonstelling te herbergen. Ik vond het wel een sympathieke plek: dat men erop is gekomen om oude dieren van speeltoestellen als het ware een fijn bejaardentehuis te geven.


Ze hebben uitzicht op de grote stalen wereldglobe, die toen in het centrum van de landenpaviljoens stond, op die wereldtentoonstelling. Een staaltje (no pun intended) indertijd van technische vernuft: nog nooit vertoond, zo’n gigantische object van buigzaam staal, geschonken dus door Amerika om te pronken met de eigen kennis. Nu staat het wat verloren, in een niet werkende droge blauwe fonteinbak. Het hele park is wat verloren, met heel tamme eekhoorns, misschien wel omdat er zo weinig mensen zijn, ze hoeven zich nooit bedreigd te voelen.


Misschien is het ook wél een gekke plek: de moeite die genomen is om die oude speeltoesteldieren daarnaartoe te verplaatsen, met het nadrukkelijk verzoek om niet op ze te gaan zitten of ermee te gaan spelen: ze zijn immers met pensioen. Wat doen ze daar? Waarom niet geplaatst midden in het centrum van Manhattan ofzo, bijvoorbeeld in Central Park? Nu verblijven ze in een park dat nu iets megalomaans heeft, omdat het leeg is, er geen wereldpaviljoenen meer zijn en die dieren de hele tijd een uitzicht hebben op een wereld waar zij geen toegang meer tot hebben.
Misschien sla ik aan op dit bericht, omdat het op de een andere wijze, ook aanvoelt als waar ik zelf ben: het door en door bekende uitzicht vanuit mijn raam in mijn stadshuis, maar met het besef dat ik véél liever in het bos ben. Dat ik hier zo’n beetje moet zijn voor de onzichtbare ogen van anderen. Dat een reis van bos naar stad mij bijna een dagdeel kost, maar dat ik dan aankom, ergens waar het ook helemaal niet anders is, dan waar ik vandaan kom. Thuis? Zoals die gepensioneerde dieren. Er wordt aan hen toegedicht dat ze er fijn aan het relaxen zijn, helemaal gelukkig. Aan mij moet nu het verhaal gaan hangen, dat het hier is, waar ik woon. ( Wat, tegelijkertijd ook zo ís) En ik weet niet eens zeker óf iemand staat te wachten op dat verhaal, óf er wel ogen op mij gericht zijn. Dat is eigenlijk, inderdaad, best Freaky: Raar.

zondag 8 december 2024

Tales of the City


Gisteren, vanuit een N.Y.-achtige kertsmarktensfeer, naar kasteel Spelderholt bij Beekbergen. Na de tenten buiten bekeken te hebben, toch maar niet het kasteel zelf in; er stond een rij, alles is zo klein, ik blijf 1,5 meter afstand van een ieder toch het prettigst vinden. Hoe subtiel je doen en laten veranderd, nu ik weet dat ik morgen weer naar Nijmegen moet: Anders was ik wel naar de Netfabriek in Apeldoorn gegaan voor een andere kerstmarkt. Dat voelt nu aan als teveel onrust: om mij hier geworteld te blijven voelen, ‘moet’ ik hier ook in alle rust kunnen verblijven…Of dat gaat lukken met drie dagen in mijn stadshuis, dat is de uitdaging.


Ondertussen heb ik de laatste hand gelegd aan het isoleren van het boshuisje. Een nieuwe doek van oker met eronder een witte fleecedeken, in de uiterste hoek. Bij de terrasdeuren, een deken en knuffels tegen de kieren. Toen ik hier kwam, koelde het s’nachts af tot 12-13 graden, zonder enige isolatie. Nu is het 16 of 17 graden, ook als het buiten al wat gevroren heeft. Ik ben hier erg tevreden over.
Deze week las ik in drie boeken tegelijk van ‘Tales of the City’, van Armistead Maupin. Gewonnen bij de Sinterklaasdobbel. Ik dácht er nog nooit van gehoord te hebben, maar het bleek dat ik de laatste serie op Netflix met veel lol wel al verslonden had. Het is de follow up, die zich twintig jaar later afspeelt, dan waar het start: in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. 


Alles speelt zich af rondom 28 Barbara Lane in San Francisco, een groot huis op een rots, vol bewoners, met de eigenzinnige Anna Madrigal als hospita, die al haar huurders als haar kinderen beschouwt. Als welkomskadootje aan Mary Ann Singleton, die op 25 jarige leeftijd groen uit Cleveland komt, geeft zij een joint, zelfgekweekt uit de tuin. In het huis wonen allerlei kleurrijke types en Anna is zelf als jongetje geboren, maar daar kom je pas later samen met Mary Ann achter. 
Het is de tijd waar de seksuele revolutie nog woedde en geëxperimenteer aan de orde van de dag was, maar ook al de tijd dat Aids de eerste slachtoffers maakte. Armistead Maupin schrijft uit eigen ervaring; hij verloor in 1982 al een goede vriend aan aids. Alle dialogen, de grapjes, het is allemaal heel flitsend, dynamisch en vol humor geschreven en door de drie boeken, die samen een heel aantal jaar beslaan, weet ik dus al dat Mary Ann uiteindelijk een succesvolle talk-show host wordt.
Eigenlijk wist ik het al, want in de nieuwste serie keert zij terug, vanuit New York, om de negentigste verjaardag van Anna Madrigal te vieren, er is dus een reünie van alle bewoners, aangevuld met de nieuwe generatie. 
De eerste serie uit 1993 blijkt ook nog op YouTube te vinden te zijn, en het is leuk dat het dezelfde acteurs zijn, die toen dus meer dan twintig jaar jonger waren.
De hele sfeer van Tales of the City brengt mij terug naar een deel van mijn eigen verleden. Toen ik regelmatig in Villa Lila kwam als vrijwilliger, zowel achter de bar en als ‘bi’ met GoBi, de groep die ook haar ruimte kwam claimen…Ach, dan is er echt wel wat veranderd: ik kom nog uit de tijd dat er direct in mijn gezicht werd gezegd dat ik eigenlijk niet bestond. ‘Doorgewinterde’ homo’s en lesbo’s meenden dat je vlees nog vis was en niet durfde te kiezen.
Voor hetero’s is niks van die subcultuur aanwezig of verstaanbaar, denk ik. 
Het is de angst van deze tijd, met die hang naar autoritaire leiders, met hun zwart-wit versimpeld wereldbeeld, dat alles wat ooit gewonnen is, nu de nek om wordt gedraaid en intolerantie de mainstream wordt. De draai van Elon Musk naar rechts wordt óók verklaard, omdat hij een transgender dochter heeft, wat hij verafschuwt en die voor hem geen recht van bestaan heeft. Hoeft ook niet, in het kielzog van Trump en alle conservatieve religieuze genootschappen, stromingen en kerken, waaronder natuurlijk ook de Katholieke.
Tales of the City: je kan alleen maar blijven hopen dat deze verteld blijven worden, in al hun kleuren rijkheid. Dé mens bestaat niet, is nooit voor één gat te vangen. Er is alleen maar eindeloze diversiteit.


vrijdag 6 december 2024

Knusheid; gezellig


Dit jaar kreeg ik later in de lente nieuwe achterburen. Met haar drieën in één huisje, twee vrouwen en een man, geen idee hoe de onderlinge verhoudingen zijn, wel dat er een heterostel is, dat uit het westen komt en dan een andere vrouw uit Dieren. Ze namen een hele caravaan aan anderen mee; hun tuintje vulde zich met kobolds en kabouters, egels, konijntjes, vlinders, uilen, vogeltjes, eekhoorns, kikkers, een hertenkop aan de schuur, plastic gekleurde bloemen, enzovoort. Gezellig. Maar naarmate de herfst vorderde, werd het steeds leger en nu staan er slechts zes psychedelische paddestoelen en één flamingo. Iedereen is vertrokken, wellicht tot de lente?


Op de een of andere wijze zei mijn brein tegen me, dat er eigenlijk geen verschil is met de wijze waarop Maria vereerd wordt, over de hele wereld. Ze verschijnt in de natuur in een grot bij Lourdes, of bij zee, ze heeft een zwart voorkomen in Mexico, Giotto beeldt haar ‘heel gewoon’ uit, wanneer zij Elizabeth ontmoet, op iconen wordt ze van goud, vaak in innige omhelzing met het kindje Jezus. Thuis hadden we ‘een Indonesische Maria’, zoals moeder haar noemde, met sarong en kabaya, toen ik kind was deden we er een avondgebedje en ze staat nu op een boekenplank in mijn stadshuis.
Uuuh?…Wat is de overeenkomst dan met al dat leven bij mijn achterburen? Nou, precies dát: de mens of eerder: véél mensen hebben het verlangen om een wereld om zich heen te scheppen, die anders is, dan die van de konkrete, tastbare, zakelijkheid. Maria is dé figuur geworden waar zachtheid, zorgzaamheid, het helen van wonden en verdriet aan toegeschreven wordt, ze maakt de wereld dragelijk. Dat hele universum in het tuintje van de buren doet hetzelfde; fijn allerlei schepselen knus bij elkaar en toen het kouder werd en de winter kwam, ja, toen gingen ze naar binnen. Of ze in dozen zijn opgeborgen nu, zo’n beetje zoals nu de kerststal weer wordt uitgepakt, ik weet het niet.


De bekendste kersboom in New York is die op Rockefeller Plaza, met het gouden beeld van Prometheus en de ijsbaan eronder. De traditie is begonnen in 1931. Arbeiders die bouwden aan Rockefeller Center hebben spontaan geld bij elkaar gescharreld voor een boom en ze tuigden deze op met eigengemaakte versierselen, waaronder strengen met rode cranberry’s. Sindsdien is er dus elk jaar een boom, die nooit gekocht wordt, maar een geschenk is. Dit jaar van een familie wier moeder verpleegster was en in de COVID tijd is gestorven. De boom stond op hun familie-erf en zij hebben deze er meer dan 60 jaar geleden geplant, toen zij dus nog een jong stel waren. Er was geen mogelijkheid voor een mooie begrafenis en nu wil de familie haar eren.Hun moeders zorgzaamheid stond bekend in de omgeving en zij zou trots zijn geweest dat hun boom nu midden in New York staat en zoveel mensen ervan gaan genieten. 
De foto van die arbeiders bij Rockefeller Center, die hoog in de lucht aan het pauzeren zijn, is iconisch geworden.
Het heeft allemaal een soort van knusheid, waarin ik geloof.

donderdag 5 december 2024

Mistig mos bos


 Door een mistig en mossig bos wandelde ik weer terug naar mijn boshuisje. En ook langs een stukje dood dennenbos, helaas. 
Stromende regen nu, en de wind waait door de bomen, ‘makkers staakt uw wildgeraas’.

woensdag 4 december 2024

Rainbow Connection


 Het blijft een besef: Als ik in New York zou leven, dan zou ik mij van harte verbinden aan de vele rituelen die de stad je geeft. De stad kán dat geven, door de inwoners die in al hun diversiteit en met hun eigen achtergrond meedoen aan deze rituelen. En alleen daarmee al, maakt het ritueel haar bestaansrecht waar: in een gezamenlijke activiteit ben je bereid om over je eigen grens heen te kijken en iets te vieren, waar iedereen naar verlangt; schoonheid, feestelijkheid, het uitleven van je verbeeldingskracht, sprankeling.
Na de Halloween Parade en de Thanksgiving Parade zou ik nu dus naar de Tree Lightning Ceremonies gaan. Overal in de stad worden de diverse kerstbomen aangestoken. In Bryant Park met een grote show op het ijs (die verder ook gratis te beschaatsen is), waar ook Olympische kampioenen kunstschaatsen aan meedoen. Rockefeller Center heeft ‘The Rockets’ een dansgroep vergelijkbaar met de rijtjesdansers van Folies Bergères in Parijs. Je kunt ook een paar dagen eerder naar de generale repetitie gaan kijken, ook niet weg. Op de F en de Q lijn van de metro rijden er het hele winterseizoen oude treinen uit de jaren 30 en dan is het de bedoeling dat je meedoet, verkleed in de kleren uit die tijd.
In de botanische tuin van Brooklyn is alles er spectaculair en sprookjesachtig verlicht, in de tuin in Queens is er een groots treinlandschap opgebouwd, het stikt er van de kerstmarkten en schaatsbanen, in Central Park kun je in de boom die speciaal voor overleden huisdieren is, je eigen dierbaar dier een plekje geven, in Lincoln Center is er een diversiteit aan artiesten uit verschillende culturen die deze feestelijke Decembermaand bezingen. Op Times Square kun je jouw wens weer in de bol stoppen, zodat die bij het Nieuwe Jaar tezamen met al die andere wensen als confetti door de lucht gaan dwarrelen.
Enzovoort. 


Die hele sfeer, van verlangen en hoop en pure speelse vreugde, zit allemaal wel in dit liedje. Iedereen wil dat wel, als je jouw cynisme en nuchterheid terzijde schuift: Een Rainbow Connection.


maandag 2 december 2024

Raar; in mijn stadshuis


Het is van harte tegen mijn eigen vrije wil, dat ik nu dus drie dagen in mijn stadshuis ben. Ik kwam aan en dacht: wat doe ik hier?! O, ja, ik moet de indruk wekken dat ik hier woon. Maar zo voelt het niet. Ik woon in mijn boshuisje. Maar ja, ik woon er tegelijkertijd wél natuurlijk… ik ben alleen veel liever ergens anders. Het is toch raar dat ik niet de vrijheid heb om op een eigen wijze verantwoord om te gaan met de ruimtes waarin ik verblijf…
Dus ik schuifelde veel rondom het huis: aarde wegsteken aan de zijkant, flink aanstampen in de omheining. Ook dus, zodat buren mijn aanwezigheid kunnen zien. Want zij zijn de eventuele spionnen. 
Dat moet ik maar elke dag doen, dat ik hier ben: iets in de tuin doen, rondscharrelen buiten, om gezien te worden. 
En die bomen moeten dus weg: de berkenboom en de kastanjeboom, die met hun takkenstelsel mij hebben beschut en mij het gevoel gaven dat ik toch een beetje echte natuur om mij heen had. En tja, het blijft wel wat tegenstrijdig, denk ik nu: zou die nog veel grotere boom op de stoep dan géén overlast geven in het riool?
 Ik doe het eigenlijk voor buurvrouw P. die na het overlijden van J. vooral panisch is voor elk blad dat in haar tuin komt, mijn ‘natuurtuin’ is één grote dreiging voor haar. In de lente zei ze snikkend dat ze voor het eerst onkruid had weggehaald en ze wist niet hoe een snoeischaartje te hanteren: ‘knip-knip-knip’: zo  heb ik toen wat klimopblaadjes die door de schutting piepten, weggehaald. Elk blaadje minder gaf haar verlichting. Zij zal blij zijn, dat ook de klimop op mijn berging (vol vogelnestjes, insecten en bessen) helemaal verdwijnt. ‘De mens gaat bij mij voor de natuur’, zei ik tegen de mannen van de Woningbouwvereniging. Ik gun haar dat ze in haar huis tot rust kan komen en niet de bedreiging voelt van mijn tuin.
Voor het eerst na vier (!) jaar zat ik weer boven bij het tuimelraam, op een doordeweekse dag in de diepe herfst, december. In mijn boshuisje is het een dagelijks genoegen om het donker te zien worden. Langzaam verdwijnt al het licht en dan komt er een moment dat de contouren van de bomen verdwijnen in de inktzwarte nacht. Pas later komen er dan sterren en de maan. 
Zo donker wordt het in de stad niet. Er blijft licht in de lucht. Straatlicht, fietsers, tuinlampen. Het voelde ook aan alsof ik even via een tijdsmachine terug was in mijn verleden. Raar: mijn huidige zelf, ziet mijn jongere zelf hier vertoeven en ik ben tegelijk niks veranderd. Want ook hier zat ik veel aan mijn bureau boven, en liet het donker worden. De dag die vertrekt, de avond die komt.

 

zondag 1 december 2024

Eeuwige jachtvelden. Mary Angelou

Gisteren bracht ik de middag door in ‘de eeuwige jachtvelden’ op de Hoge Veluwe. Er is daar een weg met veel water waar je langs kan lopen, en opnieuw kom ik dan niet verder door van de ene zompige graspol naar de andere te springen. Ik probeer het wel, maar zie dan mijn beperking; met mijn slechte fijne coördinatie moet ik mijn geluk niet te veel tarten.

Het is zo mooi, het wijdse en de details, in mijn eigen schaduw zie ik de dierbaren die er niet meer zijn. Broer en Vader, wiens verjaardag het was. 

Ik zie de onrust van het leven om mij heen, dat beweegt en kroelt en vanuit die ene tere stengel geworteld is. Bovengronds elk alleen, uniek en op zichzelf staand, ondergronds is alles met elkaar verbonden.

De ruimte van de lucht is van iedereen en uiteindelijk is daar een verdwijnpunt, waar we als stof in oplossen.


 Vanochtend kom ik in een gedicht terecht van Mary Angelou, die ik maar beschouw als de zondagse preek. Dat er elke ochtend in het moment van opstaan, ook in elk zelf, een vonk is, die reikt.


Het blijkt het laatste gedicht te zijn in een optreden vol poëzie. Over de verschillende soorten van liefde die er bestaan en de kracht van de menselijke geest. Ik bekijk het als het ware op het puntje van mijn stoel; elk woord telt en alles aanwezig.