maandag 6 juli 2020

Promothea

Het grootste genoegen van de graphic novel in deze corona-tijd is: ‘What you see is what you get’, gecombineerd met altijd esthetisch genoegen. Ik bedoel hiermee het volgende: je kunt op internet naar kunst kijken, maar het is slechts beeldscherm. Nooit eerder dan de afgelopen maanden ben ik me bewust geworden hoe fijn het is om in de fysieke nabijheid van een  kunstwerk te staan en hoe ook die werken met elkaar interacteren, de wisselwerkingen van jezelf met alles rondom je, dan waart als het ware de geest van de kunstenaar of van het thema waaromheen een curator een tentoonstelling gebouwd heeft, rond.

In tegenstelling hiermee valt de graphic novel samen met zichzelf: het is precies wat het is en doet wat de bedoeling is. Je hebt een boek in handen waar tekst en beeld tezamen jou meenemen in het verhaal en de getekende werelden. En dat laatste is een land van onbegrensde mogelijkheden. Het is verbazingwekkend wat een tekenaar soms kan  doen op één pagina: de tijd schiet vooruit en terug in een  oogopslag, je ziet emotie op een gezicht, razendsnelle beweging en dan weer verstilling, Soms lees je braaf van links naar recht, maar het kan ook alle andere kanten uit, van boven naar beneden, of van een groots plaatje met daarin kleinere scènes, enzovoort.

En je weet dat het exact zo bedoeld is: dat jij met een boek op schoot bladert, stilstaat, terugkijkt, over een pagina in vogelvlucht gaat of tuurt op een detail in een tekening. Het boek dat dit fenomeen thematiseert, de mogelijkheden van je verbeelding en wat daaruit kan ontstaan is Promethea geschreven door Alan Moore en getekend door J.H. Williams III, met de beginzin: ‘If she did not exist... we would have to invent her.’ Het gaat over de verbeelding zelf, die telkens weer incarneert in gewone vrouwen, die in hun dagelijks leven hun verbeeldingskracht moeten inzetten en dan veranderen in de krachtige ‘godin’ die alles ten goede kan keren.

Nu incarneert ze in de  jonge wat onhandige vrouw, die door haar vriendin een in de kast zijnde lesbo genoemd wordt, maar ze is het daar niet mee eens. Ze probeert een werkstuk te schrijven over de verhalende functie van de verbeelding, maar het lukt niet zo. Dan neemt Promothea het over en introduceert haar ook aan andere Promothea’s, waaronder een dikkige vrouw van middelbare leeftijd. In het begin denkt ze dat ze alles droomt, maar dan  leert ze haar verbeeldingskracht zó te gebruiken dat ze zelf controle heeft wanneer ze haar gewone dagelijkse ‘ik’ is, of Promothea wordt.

Uiteindelijk stelt het boek heel fundamentele  vragen, waar in  de filosofie en de theologie eindeloos over wordt gedelibereerd: wat is belangrijker ‘Mind’ of ‘Matter’, wie wint het, het lichaam of de geest? In het laatste hoofdstuk worden alle kaarten van de grote Arcana van de Tarot beschreven onder de titel: ‘A mystic theatre of the mind’. Dit is een boek waar plaatjesrijkdom in de stijl van de mainstream Amerikaanse Comics,  samen gaat met een tekst en een verhaal dat universeel is.

zondag 5 juli 2020

Geen kerststal meer

Afgelopen week heb ik mijn permanente kerststalletje weggehaald. Dit blog is zo ongeveer begonnen met dat kerststalletje in 2007, toen berichtte ik het op te bouwen  en elk jaar werd deze ook iets groter en voegde ik er iets aan toe. Maar de laatste twee jaar niet meer, ik was met de kerst in Varanasi in India en afgelopen jaar was het voor het eerst dat er werkelijk niks ‘christelijks’ meer door mij gevierd werd. Dus het tafereel leeft niet meer zo voor mij. Of ik kan ook zeggen: het is helemaal geïnternaliseerd want ik kan het dromen, ook letterlijk. Ik was een keer in een landschap en praatte met mensen om mij heen en toen wist ik in mijn droom: ik ben nu in mijn eigen kerststal!

Wat mij vooral bijstaat is, dat daar ergens en dat was nog een aardige wandeling en klim naar boven, een groot warm licht was en we ons afvroegen wat het is. Dat daar een kind geboren was, dat wist ik nog niet. Dat heb ik ook altijd het leuke aan het kersttafereel gevonden: het speelt zich in de natuur af, in de geïmproviseerde geborgenheid van een stal en een sterrenhemel. Dat er een Redder van de wereld zou zijn geboren waarin je kunt geloven en waartoe je je kunt bekeren, dat heb ik gezien zijn einde, gestorven aan een kruis, altijd met een korreltje zout genomen.

Dus nu kon ik spullen in mijn huis herschikken en wat is er nu voor in de plaats gekomen? Twee op elkaar gestapelde berkenstammen met daarbovenop het stuk hout dat ik vond in de Beuningen uiterwaarden en die ik ‘de profeet’ ben gaan noemen, zij wijst met een arm naar boven en staat tussen kronkelige in elkaar verstrengeld ‘takkenbosje’ of anders een soort van brein. Nu leek het ook ineens op het Vrijheidsbeeld... Daarnaast staat ook op een boomstam van een boom die net buiten de achtertuin in het plantsoen heeft gestaan, oppaskind E. klom daar graag in, de dansende Chinese jongensmonnik. En er hangt een masker, gemaakt van een gordeldier en een gekleid hoofd, gekregen van een kunstenaar die ik op de lagere school geïnterviewd heb en die het liefst had meegewerkt aan de grote middeleeuwse kathedralen.

Toen bleek er nog een plekje te zijn op de berkenstam onder, voor een houten beeldje van een figuur die zowel Jezus met zijn heilige hart zou kunnen zijn, als een staande Boeddha op een Lotus. Op de grond dat lange dunne beeld van een Indonesische vrouw in sarong dat al in de vensterbank stond toen ik een peuter was. En er staat een kleine cactus op een console, die nog overgebleven is van de kerststal en  er zwemt tegen de muur een heel klein plat houten visje met daarin op ontroerend eenvoudige wijze wat palmboompjes gegrift met groeten uit Honduras, ik vermoed dat het een van de eerste visjes uit de vissenverzameling van ouders is. En op de grond de lichtgrijze stenen die vriendin W uit Nieuw-Zeeland bij haar meer verzameld heeft en meegesjouwd in haar bagage en die ik veel voor de meditaties is het klooster heb gebruikt, waar ik in het midden van de kring altijd iets mandala-achtigs neerlegde, takken, blad,  bloemen, stenen.

Deze mengeling van van-alles-wat gelardeerd met kerstverlichting met sneeuwballetjes past beter bij mijn huidige gemoed. En het leukst vind ik nu het blauw-bruine zijden handgeweven kleed uit India ervoor, gemaakt in Kasjmier en men gebruikt daarbij al eeuwenlang motieven die uit Perzië het land zijn binnengekomen. Afhankelijk van de vleug van het kleed en waar je zit en hoe het licht valt is het de ene keer heel lichtblauw en dan weer donkerder en bruiniger, het heeft de kleuren van mijn lievelingssteen labradoriet, ook veranderlijk van kleur; juist ja, zoals het leven zelf.

vrijdag 3 juli 2020

Stedelijk Gymnasium

Waarschijnlijk heb ik in de slechtste lichting van het Stedelijk Gymnasium gezeten die er ooit daar is geweest. Qua schoolaanbod dan. Dat ik veel gemist had, werd ik me al bewust toen ik in het eerste jaar theologiestudie vriendin W. leerde kennen, die smakelijk en met veel enthousiasme kon vertellen over alle schoolprojecten die zij op haar Gym had meegemaakt. Projecten, clubjes? ... ik had alleen heel saaie lessen gehad.  De Duitse leraar praatte alleen maar over voetbal, nooit over de Duitse literatuur, de aardrijkskundeleraar had als stokpaardje dat je écht niet hoeft te reizen om de wereld te leren kennen, Grieks en Latijn was alleen maar leuk toen er een invaller kwam, waardoor ik de Methamorphes van Ovidius heb leren waarderen. Net toen hij een project was begonnen over filosofen, waarvan ik meteen opveerde, was hij plotseling, onaangekondigd, verdwenen....

Ook nu komen er twee uitzonderlijke momenten in mijn herinnering  bij dezelfde leraar Nederlands. De eerste keer was, dat ik een opstel had geschreven over een vakantie naar Tunesië en hij  mij beschuldigde dat ik ergens vandaan plagiaat had gepleegd en een grote duim had en er nooit was geweest  want ik had het over de heel abrupte overgang van de woestijn naar een oase, van verzengend warm naar fris en groen en dat kon helemaal niet. Met foto’s heb ik toen zijn beschuldiging kunnen keren.

De ander keer was drie jaar later. Ik had een spreekbeurt gegeven over Constantijn Huygens. Ik was daar zelf zó enthousiast voor geworden dat ik daartoe zelf de universiteitsbieb had betreden en gedichten van hem uit oude boeken had opgezocht. Ik kreeg een voldoende en toen barstte U., die de hoogbegaafde van de klas was,  uit en begon te tieren, zó dat ik er zelf van schrok. Ze had het over discriminatie en dat deze spreekbeurt een negen waard was en dat ze het niet langer zou pikken en naar de rector zou gaan. Ter plekke veranderde hij het cijfer in een acht... Ik was allang opgelucht. En weer zie ik nú pas, hoe kleurenblind ik zelf was... ik wist niet wat ik met haar argument aan moest. 

Ik heb in de eerste klas één muziek- en voordrachtavond meegemaakt in de aula en dat was dus meteen ook de laatste, want de aula werd daarna omgebouwd tot twee klaslokalen. Voor de schoolreizen waren geen leraren beschikbaar, dus ook nooit meegemaakt. Het enige buitenschoolse culturele project was in de vijfde, toen de leraar Grieks het toneelstuk voor de jaarlijkse Gymfuif ging regisseren en daarin had ik één van de hoofdrollen, in Our Town van Thornton Wilder. Voor zoiets liep ik meteen warm. Ja, er was wel Roosjesdag en IJsjedag en de vossenjacht rondom de eindexamens en die jaarlijkse Gymfuif in de schouwburg... maar ik bedoel: iets cultureels ter verheffing van de Universele Geest (ahum) was ver te zoeken.

Deze mijmeringen komen terug omdat Nichtje L. gisteren haar diploma kreeg uitgereikt. Wegens corona konden alleen maar ouders aanwezig zijn, maar er was een live-verbinding op internet. Ik zie een aula aangekleed met prachtige grote bloemstukken en een designstoel waar elke leerling plaats mag nemen, op een scherm erboven twee foto’s van het kind dat de school betrad en eentje van veel later. Een ieder krijgt een toespraakje van de mentor. Mijn uitreiking speelde zich af in de oude gymzaal en ik herinner me geen enkele toeter of bel en mentoren die iets persoonlijks van je weten en je gevolgd hebben, die bestonden toen nog niet.

In haar klas hadden meerderen een  cum laude  diploma, en hadden al nationale en zelfs internationale prijzen in de wacht gesleept. Kinderen die zometeen meerdere studies  tegelijk gaan doen, van wie gezegd wordt dat ze altijd aanstaan, op zoek naar kennis en wetenschap, waarvan de mentor zegt dat de leerling de leraar heeft overstegen en tegen wie gezegd wordt dat het wel zeker is, dat iedereen in de toekomst nog wel wat zal horen van de desbetreffende. Met dan ook een keer een  zinnetje ertussen, bij zo’n veelbelovende, dat oog voor de directe omgeving een goede aanvulling zou zijn... Een jongen staat me bij, va wie de mentor zei nog nooit zo’n vriendelijk mens meegemaakt te hebben. Hij was lid van de Bahai, waar elke godsdienst gezien wordt als deelperspectief op dezelfde werkelijkheid, en hij  ging  zich nu eerst een jaar dienstbaar maken voor deze club. 

Nichtje zat stralend op de designstoel, ik zag ineens weer de zonnige en lachende en zingende kleuter van vroeger door haar gezicht heen schijnen. De mentor zei dat ze in staat is om mensen om haar heen te inspireren en dat hij niemand kende die zoveel mensenkennis had, ook over zichzelf; mooie eigenschappen als je pedagogische wetenschappen gaat studeren en dat denk ik ook, ze zal geweldig kinderen en jong volwassenen kunnen stimuleren en begeleiden. ‘De toekomst ligt voor je open, pak het op!‘, zo eindigde elk praatje, waarna elk een grote roos overhandigt kreeg en in groepjes van zes aan een lange tafel met 1,5 meter afstand van elkaar, het diploma ondertekend kon worden.

Daarna het slotakkoord met André Hazes door de luidspreker, ‘Het is voorbij, de koek is op’: alle leerlingen haalden bij hun ouders die verspreid over de hele aula zaten, een rood lint op die onder hun stoelen lag. Ze rolden het uit en brachten het naar voren naar één punt. Alle linten werden omhoog getrokken en zo ontstond er een overkoepeling, een tent waar de klas bij elkaar kon staan en er tegelijk ook verbondenheid was tussen allen. Mooi gedaan en verzonnen en wat spreekt zo’n gebaar ook over een goed schoolklimaat. Het Stedelijk Gymnasium van de afgelopen zes jaar, daar had ik het erg naar mijn zin gehad, Nichtje ook, geloof ik, en nu dus: De toekomst ligt voor je open, pak haar op!

donderdag 2 juli 2020

Why shouldn’t we. Alles is gezegend.

Gisteren werd mijn dag omspannen door twee liedjes. Het begon met Why shouldn’t we van Mary Chapin Carpenter met de beginzin: ‘We believe in things we cannot see, why shouldn’t we’. Dit liedje ademt, bijna letterlijk, geloof. En dat op een vanzelfsprekende wijze: we geloven in vrede in ons, in de hoop, dat we dingen kunnen die niet lijken te kunnen, waarom ook niet? Hier is geen sprake van ‘de geloofssprong’ zoals ik in de theologiestudie leerde, dat een mens ergens overheen moet springen of ergens in moet vallen om te kunnen geloven. Welnee joh: God is overal om ons heen, zingt ze.



En toen ging de bel om kwart voor acht in de ochtend, ik lag nog in bed en schoot me in de kleren, maar er was niemand meer bij de voordeur. Maar ik zag het al: men ging hoge steigers langs de huizen plaatsen om het cement opnieuw te voegen. Ik pakte de krant en las over een kerk in Lievelde, die ontheiligt zou zijn volgens de priester omdat er een DJ had gespeeld en er mensen in hadden gedanst. Alle dorpsgenoten stonden achter dit evenement dat ook gestreamd was, zodat je in de huiskamer mee kon doen. Maar nee, het was een zonde, het priesterkoor was ontheiligd en nu moest er een boeteviering plaatsvinden om alles weer recht te trekken. Wat voor godsbeeld en mensbeeld speelt hierachter? De priester als de heilige tussen het klootjesvolk, die zondige boetelingen weer zuiveren kan... Zucht.

Ondertussen werd het gehamer luider, ze kwamen dichterbij, een jongen belde aan: of de struik ervoor weg gehaald mocht worden, nou liever niet, en de klikobak en papierbak stonden alvast voor op de stoep. Ik besloot uit huis weg te gaan, want waar moet je je bergen tegen dat geluid van klinkend metaal tegen elkaar, veel mannen die ermee bezig waren, gehamer en geklop en een transistorradio? Niet in de tuin achter, want het regende. Dus ik fietste, ingepakt in regenponcho en mijn regenboog parapluutje dat ik ook mee had op Bali, en een rugzakje met boterhammen naar de waterplas. Het had wel wat: de week ervoor in tropische temperaturen en nu dit. Regen intensiveert mijn zintuigen. Ik maakte een lange wandeling langs de waterplas en het Wijchense Ven, het klaarde op en op het einde  van de rondgang lag ik alweer met half ontblote buik naar de waterskiërs en kanoënde kinderen te kijken.

Op de tv M vanuit Carré met publiek, het was ook Keti Koti: de dag waarop de afschaffing van de slavernij herdacht wordt. De mensen aan tafel werden uitgenodigd om ronduit te dromen: wat is het goede dat de corona-tijd heeft gebracht? Typhoon zat aan tafel die ook gesproken had bij de herdenking in het Oosterpark in Amsterdam, zijn woorden klonken ook in het journaal: ‘Wees moedig in je ongemak, wees welkom in onze generatie’. Gewoon blijven geloven in een ommekeer, terwijl de tweede kamer in heftig debat was verwikkeld omtrent de kwestie of er een officiële spijtbetuiging zou moeten komen voor het slavernijverleden. Vooralsnog niet.

Maar Typhoon zong Alles is gezegend en maakte de cirkel rond met dat eerste liedje van de dag: 'Alles is gezegend, misschien komt alles goed. En alles heeft een reden, al weet ik vaak niet hoe... Ik ben niet alleen ik tel de stappen in het zand en het strand roept de zee.'

Dat doet me denken aan Jezus die in het zand schreef, te lezen in het evangelie van Johannes, hoofdstuk 8. De schriftgeleerden komen naar Jezus toe met een vrouw, die op heterdaad betrapt is terwijl zij overspel pleegde en  die volgens hen gestenigd moet worden. Maar Jezus schrijft tot twee keer toe met een vinger op de grond en zegt: veroordeel niet.

We zullen inspiratie krijgen van kunstenaars, dichters en zangers, de priesters van nu zijn de schriftgeleerden van vroeger, waar Jezus tegen in opstand kwam. We zijn de miljoenen zandkorrels en we vormen samen het strand en wij roepen de zee, kom naar ons toe, strek je uit! Die zee, archetype van onrust, woestheid en wat niet te controleren lijkt. Maar wij kunnen de zee naar ons toe roepen, we kunnen deze zegenen en laten rusten en laten aankomen op onze stranden; Alles is gezegend. Why shouldn’t we?

dinsdag 30 juni 2020

Bevestig mijn bestaan

Er kwam weer een herinnering naar boven drijven omtrent wit-zwart-bruin. Ik had een lievelingspop en die heette Tima. Ze staat al op een foto terwijl broertje in de box is, dus ik was 3-4 jaar. Tima had blonde krulletjes en bolle blozende wangen en Moeder naaide voor haar hetzelfde schort-jurkje, grijs met een rode tulp als zak voorop, als dat ik zelf aan had.

Op een dag kreeg ik een negerpopje en die was een stuk kleiner dan Tima. Moeder spoorde aan haar ook een naam te geven, maar dat kwam er niet van. Ze wilde graag dat ik ‘negerpopje’ minstens zo leuk zou gaan vinden als Tima. Maar dat lukte haar niet, misschien kun je maar één echte lieveling hebben. Maar als ze op een rijtje van belangrijkheid in mijn bed naast me lagen, dan was er dus eerst Tima en dan kwam het stoffen konijn, zelf gemaakt door ‘een zuster uit het klooster’ weet ik nog wel, vaker vind ik het jammer dat die verdwenen is. En daarna kwam Beer en vooruit ‘negerpopje’ mocht er ook bij.

Moeder vroeg  mij waarom ‘negerpopje’ zo achteraan  bleef hobbelen, kwam het door de kleur? Ik begreep de vraag helemaal niet, maar nu wel. Ik denk dat zij toch graag wilde sturen dat ik niet-blank mooi of lief zou vinden...Want zij stuurde mij in mijn poppenwensen:  later mocht ik geen Barbie krijgen, hoe erg ik daar ook over heb gezeurd. Ze vond het een rare pop: veel te dun en stijf. Ik heb haar niet duidelijk kunnen maken dat de lol erin zat dat je Barbie steeds andere kleertjes kon aandoen,  vriendinnetjes hadden hele garderobes.

Veel later kreeg ik toch een ‘Barbie’. Zij had knieën die konden bewegen, daar kon je tenminste wat mee, niet zo tuttig, zei Moeder. Maar ik kon er niks mee: zij bleek kleiner dan Barbie en kon dus niet meedoen in verkleedpartijtjes. Ook Ken mocht ik niet krijgen, maar ik denk nu, dat als er een zwarte Barbie was geweest, die wel mijn richting op was gekomen.

Moeder komt steeds meer naar voren als iemand die zich wel erg bewust was van kleur: zij was misprijzend over het gegeven dat Oma haar huid met een paraplu beschermde tegen de zon, die wilde zo wit mogelijk zijn. Mijn eerste vriendje H. had een witte huid en een jongensachtig gezicht. Oma was weg van hem: ‘Halus, manis, cantik’, zei ze: fijntjes, lief, knap... Dat vond ik natuurlijk zelf ook, maar Moeder had hier gemengde gevoelens bij. Zij had ook het idee dat tante A. de vrouw van een broer van vader, letterlijk een wit voetje voor had bij Opa en Oma. Misschien klopte dat wel: Opa was heel erg op Nederland gericht.

Moeder was wel trots op haar kleur. Een andere herinnering ontspringt. Ik ging altijd mee met kleren kopen voor haar. Moeder past een lichtgeel mantelpakje met een groen-bruinig koltruitje eronder met abstracte motiefjes die wel aan de natuur doen denken. ‘Wat stáát het u goed en wat kleurt het mooi bij uw huid’, zegt de winkeljuffrouw. Ik zie moeder glunderen, ze koopt het ook en RODIER, werd, of was al, haar lievelingswinkel wier kenmerk, kleurige kleding was.

‘Kleur’ is in de grond neutraal. Daarom begreep ik de vraag rondom ‘negerpopje’ niet en waarom moest ik haar een naam geven? Maar voor Moeder die als meisje niet mocht zwemmen in het openbare bad in Surabaya; ‘voor Chinezen verboden’ , golden al de dichtregels van Neeltje Maria Min en ik denk dat dit ook de kernboodschap is van Black Lives Matter:
Noem mij, bevestig mijn bestaan
Laat mijn naam zijn als een keten 
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
O, noem mij bij mijn diepste naam

Voor wie ik liefheb wil ik heten.

maandag 29 juni 2020

'God Loves, Man Kills' / 'Kingdom come' / 'Disobedience'

Zondag. Deze ‘Dag des Heren’ draaide uiteindelijk rondom drie mannen Gods. Nee het heeft in dit kader geen zin om sekseneutraal te zijn... exacter, je kán niet sekseneutraal  zijn want het was nooit de ‘dag der Dames’... ‘Vrouwen Gods’ zijn er gelukkig wel bij de protestanten en de Anglicanen, nooit zal ik de verrukking vergeten toen ik meeliep met een internationale Franciscaanse voettocht van de Tochtgenoten van Sint Frans op Gotland, waar Pipi Langkous ook woont. Ik hoorde dat de eindviering door drie priesters zou worden gedaan, twee uit Zweden en eentje uit Engeland, ik vroeg me  de hele week af, of ik daar wel zo’n zin in had, in zo’n traditioneel einde, en toen bleken het drie vrouwen, en in Malmö was een vrouwelijke bisschop!

Maar in het algemeen zijn het mannen die het voor het zeggen hebben in de kerken, moskeeën en synagogen. De eerste man Gods die ik vandaag tegen kwam was William Stryker, in de graphic novel God Loves, Man Kills. Deze titel zou je een soort van statement kunnen noemen en in het voorwoord zegt de schrijver Christopher Claremont dat hij een verhaal hoopte te schrijven dat lang mee zou gaan met een duidelijke boodschap: het zijn mensen die doden, nooit God, wanneer men elkaar tot niet-menselijk maakt, de ander tot demon, dan begint de discriminatie en het moorden.

William Stryker lijkt op de tv-dominees, hij vermoordt eerst zijn eigen pasgeboren kind en dan zijn vrouw en hij wordt gered van zelfmoord en dan gaat hij het als zijn roeping beschouwen dat hij het heeft overleefd: hij moet de wereld verlossen van de X-men: het zijn mutanten, afwijkingen van de natuur. Dezen hebben speciale gaven, dus je kunt ze ook super-mensen noemen maar voor de gewone mensen met angst, een gevaar: ze zouden het kunnen overnemen, Zijn kind was niet normaal, een monster en daarom moest het wég.

X-men is wereldwijd een hit, een deel van de popcultuur, er zijn minstens drie films van gemaakt, heel veel comics en animatiefilms zijn er ook. Maar dit is het oerverhaal dat zich in het NewYork van de tachtiger jaren afspeelt. Kunnen de X-men een gewone, volwaardige en gewaardeerde plek in de samenleving krijgen of regeert de angst voor het onbekende en het andere?

De tweede man Gods heet Norman Mc Cay in de graphic novel Kingdome Come. Hij zit in zijn kerk, na een preek over de openbaring van Johannes en hij vraagt zich mismoedig af of het al de eindtijd is, er is zoveel chaos. Dan wordt hij bezocht door een soort van engel, die hem over de wereld en in het heelal leidt en hem aanspoort om Superman terug te halen. Sinds deze tien jaar tevoren met pensioen is gegaan, heeft de wereld de hoop verloren, mensen hebben nou eenmaal een figuur nodig om tegen op te kijken en die belooft hen altijd te redden: eerst was dat God en daarna werd dat Superman.

Er ontspint zich een heel origineel verhaal, geschreven door Mark Waid: Superman heeft grijzend haar, hij wil met andere superhelden een reddingsgroep voor de aarde vormen, allemaal oudere heren en een enkele dame, en ook Batman is half kreupel met sneeuwwit haar en lijkt aanvankelijk niet mee te willen doen. Het superteam stuntelt, de mensen gaan aan hen twijfelen en op het einde trekken beiden de conclusie dat er geen superhelden nodig zijn: het zit in mensen zelf om er iets van te maken.

's Avonds bekeek ik de film Disobedience, die begon met een preek van een rabbijn in de synagoge, die qua taalgebruik helemaal aansloot op de twee eerdere voorgangers van God, vol Bijbelse verwijzingen, maar nu naar de Thora, God heeft de mensen gemaakt naar zijn evenbeeld, maar die kunnen ook beestachtig zijn... de rabbijn stort neer en sterft. Zijn dochter is fotograaf geworden in New York en heeft de zeer rechts-orthodoxe Joodse gemeenschap in Engeland verlaten. Ze komt terecht in haar verleden, waar ze een hecht driemanschap vormde met Dovad en Etsi. Hij is de spirituele zoon van de gestorven rabbijn en opvolger, en Etsi is na het  vertrek van Ronit ingestort en hersteld, ook door  te  trouwen met Dovad... Dat had Ronit niet kunnen bedenken...

Een mooie, intense film met datzelfde thema wat al de hele zondag speelde: wie maakt de wereld? God en zijn geboden of hebben mensen keuzevrijheid en kunnen ze hun hart volgen en zullen ze zo het onverwachte kunnen toelaten en tot vernieuwing in staat zijn? Laten ze zich klein houden en zaaien ze namens God verdriet en vernietiging en vernederen ze zichzelf of putten ze uit het vat van een positief geloof in zichzelf, zelf een bron van creativiteit naar een wereld waar men in harmonie met zichzelf en elk andere leeft? Het was een  welbestede zondag met één enkele korte regenbui; van buiten dus naar binnen en dit niet alleen maar letterlijk.

zaterdag 27 juni 2020

Lagere school-herinnering

Gisteren lag ik languit in de zon en liet mij opdrogen na een zwempartijtje. Mmm.., heerlijk. Plotseling kwam juffrouw H. mij voor de geest. Zij was mijn onderwijzeres in de derde klas van de lagere school. Ze was zwart en had iets ongenaakbaars en dat had te maken dat haar man een sjieke modezaak in de stad runde, die er nog steeds is met dezelfde naam, zij was rijk zeiden we tegen elkaar en zij was ook modieus en hip gekleed. Heel anders dan de andere juffrouwen. Of voelde zij ook ‘anders’ omdat zij de enige zwarte was?

Een keertje nam ze me apart en ze zei heel vriendelijk en lachend tegen mij: jij en ik delen iets met elkaar hè? Ik had geen idee waarover ze het had... ze zag mijn verwarring en liet het zo. Nu komt deze herinnering zomaar terug en nu denk ik: ze bedoelde vast dat wij beide niet wit waren! Ik voelde me geen buitenbeentje op de lagere school: sterker nog, ik was het lievelingetje van juffrouw N. in de vierde en vijfde klas. Dat was een combinatieklas, waar in één leslokaal aan twee klassen les werd gegeven: als de ene helft les had, dan was de andere helft iets schriftelijks aan het maken.

Zo zat ik in de 4e en de 5e met naast je dus ook een 4e en 5e die een jaar jonger of ouder waren. Je was toch wel ook een eigen klasje en ik was van zo’n klasje een beetje de ‘leider’,  ik verzon en schreef toneelstukjes voor de verjaardag van de juffrouw en voor bij het einde van het jaar, en toen de juf ging trouwen. We kregen daar alle gelegenheid voor. Ik moest voor een onschuldige operatie een weekje naar het ziekenhuis en kreeg toen een map vol lieve brieven en getekende kaartjes van de gehele klas en er was een toneel-en muziek-avond, de eerste keer uit het ziekenhuis dat ik het schoolplein weer betrad. De hele klas kwam naar me toe: 'Mirjam, Mirjam, mag ik zometeen naast je zitten?' Moeder was stomverbaasd dat ik zó populair was en heeft dit herhaalde malen in familiekring verder verteld.

Maar in de zesde klas veranderde alles. Ons groepje werd gemengd met de al bestaande klas en die had ook een leider Maaike heette ze, en zij was duidelijk het lievelingetje van juffrouw M. die ook nog eens de directrice van de school was en waar ik met angst en beven wel al mee te maken had gehad, want je moest bij haar een briefje halen, als je te laat was. Dat was ik weleens, niet door eigen toedoen: ik had twee broertjes op de kleuterschool, die ik naar school moest wandelen en die treuzelden en bleven spelen op de twee kilometer erheen. 

Ik viel van een voetstuk, al was ik mezelf helemaal niet zo bewust dat ik die had en wellicht ‘de leider’ was van mijn oude klasje... Maar juffrouw M. zei mij dat letterlijk: dat ik nu niks waard was en ook Maaike met haar vriendinnetjes pestten me. Het lukte me maar niet om anoniem te worden in die grote klas en juffrouw M. plantte ook het idee in me, dat ik eigenlijk nogal dom was en naar de huishoudschool zou gaan. Weer waren mijn ouders verbaasd: 'Hoe kom je daar nu bij?!' en ze hebben toen een keer met juffrouw M. gepraat, het schooljaar was al bijna ten einde. 

Vreemd genoeg werd ik bij juffrouw M. thuis uitgenodigd, alleen. Ik weet nog hoezeer mij dat verbaasde, het had iets van een eer, kinderen kwamen echt niet bij de onderwijzers thuis. Ze woonde in een flat die heel modern was ingericht, met gekleurde meubelstukken in felle kleuren van Artifort. Thuis hadden we ook zo’n tongstoel, die nu overigens bij mij in de kamer staat. Juffrouw M. was héél  vriendelijk, zo had ik haar nog nooit meegemaakt, ze presenteerde koekjes en limonade en ze bood mij iets van excuses aan, denk ik nú. 

Wéér begreep ik er helemaal niks van. Wat wilde ze van me en wat bedoelde ze? Vanwaar deze plotselinge omkeer? Ik zie nog haar speurende ogen die mijn ogen zochten op zoek naar...iets, maar naar wat, dat wist ik niet. Enigszins verward stond ik later weer buiten. 

Nú pas vraag ik mij af, of ‘discriminatie’ hier iets mee te maken heeft gehad. Hebben mijn ouders op de een of andere manier juffrouw M. onder druk weten te zetten en haar gedwongen tot iets van excuses? Ik weet wel dat Vader de hoofdcommissaris van de politie goed kende. Hoe, weet ik niet, misschien vanuit zijn universitaire functie. Ik weet wel dat ik dat vaker te horen heb gekregen en daarin zat ook iets van: als het erop aan komt;  ons maken ze niks, we zijn beschermd. 

En deze herinnering komt nu naar boven, in deze Black Lives Matter tijd... ongewild, spontaan. Zo geldt dat vast voor velen: dat er nu kwartjes beginnen te vallen en je bewust wordt dat dit soort van ervaringen je beleven van de wereld mee bepalen.