Dit boek bracht mij terug naar de geluiden uit mijn jeugd. De schrijver is Maleisiër en af en toe zijn er Maleisische woorden, dus Indonesisch, in de Engelse vertaling, die ik allemaal ken. Het speelt zich deels ook af tijdens de Japanse bezetting in Zuid-Oost Azië. Ik wist tot de middelbare school niks over Duitsers en nazi’s maar wél hoe wreed de Japanners, de ‘Kempeitai’ waren geweest. Het gaat over de Merdeka-besprekingen van Maleisië na de oorlog en ik ken het woord in verband met de vrijheidsstrijd van Indonesië.
Tegelijk gaat het over het Japanse schoonheidsprincipe : Mono no aware, het creëeren van het besef dat je in één ding, verschijnsel, zowel ultieme schoonheid als verdriet en vergankelijkheid bewaart. Vader kwam terug van een reis naar Japan, het was het laatste jaar van mijn lagere school, en ik werd gegrepen door o.a. Ikebana, het Japanse bloemschikken. Sindsdien wapperde er een kleurige vissenvlag in de tuin, wellicht het begin van vaders vissenverzameling.
In de Cameron Highlands in Maleisië, uitgestrekte theeplantages in de heuvels, ik ben er ooit geweest, wordt een prachtige tuin gerealiseerd. Een samenwerking van een Japanner, die ook ooit de tuinman van de keizer van Japan was, maar wiens rol in de tweede wereldoorlog ook onbekend is, met een Maleisische vrouw met grote trauma’s uit het kamp waar zij geïnterneerd is geweest en waar zij als enige overlever uit is gekomen. Haar handen zijn verminkt, ze was in haar werkzaam leven een opperrechter, maar heeft nu de diagnose dat ze acute afasie heeft. Voordat ze alles vergeet wil zij de geschiedenis van de tuin en zichzelf nog optekenen. Zij wordt de leerling en uitvoerder van de Japanse tuinman en al haar inspanningen zijn er om haar zus te eren die is omgekomen in het kamp. Praten over en ontwerpen van tuinen, hield hen beide overeind; het was de droom van haar zus om deze tuin te ontwerpen.
Het boek bracht mij terug naar het hart van wat mijn jeugd zelf kenmerkte: de bewegingen rondom een besef van wreedheid en gekte én een streven naar schoonheid en het goede. Dit dilemma is in mijn familie nooit opgelost…
Twee verhalen van moeder bepaalden mijn eigen strategieën: ze was een kind en haar vader luisterde naar de illegale radio, ergens op het bedrijventerrein van zijn meubelmakerij, aanpalend aan het huis. Mijn moeder speelde erbij en toen kwam het bericht dat de Japanners het terrein opkwamen. Haar vader had een geweer in de aanslag, verstopte die razendsnel achter een deur en moeder werd daarvoor geplaatst en moest gaan spelen.
Het tweede is, dat zij met haar familie terugkwam uit hun buitenhuis in de heuvels van Surabaya, alwaar ook een prachtige tuin was, zij reden Surabaya binnen en in de straten stroomde bloed en ze zag onthoofde mensen, een hoofd op de tak van een boom geprikt. Het was het moment waar haar jeugd voorgoed verdween, zei ze daarover.
Zij vertelde mij dit, terwijl ik zelf nog heel jong was. Iets in mij besloot, onbewust natuurlijk, zie ik nu, dat ik haar moest beschermen.
In mijn jeugd speelden tuinen, aandacht voor een mooie omgeving, het streven naar helderheid en het helen van mensen (moeder was arts en werd psychotherapeut) een grote rol. Tegelijk was zij, zoals de hoofdrolspeler in dit boek gehavend; zoals de twee verminkte handen, vingers afgehakt door de Japanse bezetters omdat zij zonder werkelijk bewustzijn van het gevaar, voedsel smokkelde naar haar zusje die ‘troostmeisje’ was voor alle soldaten in het kamp, terwijl ze zelf in de keuken kon werken.
In het boek blijkt de tuin die zij ooit mede heeft vormgegeven, zeer gelaagd; er zitten werkelijkheden in werkelijkheden, er zijn vele, ook letterlijk, perspectieven, zodat er dingen verborgen zijn én zichtbaar, voor als je weet hóe waar te nemen.
En dan volgt het handelen: werkelijk navigeren tussen gekte, wreedheid en onmacht richting rustig vaarwater; met elkaar praten, elkaar begrijpen en vertrouwen…dat vraagt ware stuurmanskunst. Het lukt de hoofdpersoon of beter gezegd; zij weet hoe zij wil gaan handelen, alvorens de vergetelheid haar zal opslokken. Ik zou het een ieder willen geven: weg uit de verstarring tussen gekte en gewoon-zijn, het met beide handen oppakken van ‘ het vliedende leven’, gaan varen met een innerlijk kompas.



