Het zijn gedichtregels van Kavakis, die ik per toeval tegenkom en ik krijg meteen zin om zijn 155 gedichten te gaan herlezen, maar het boek is in mijn stadshuis, dus dat kan niet. Het is dat krachtig optimisme over de werking van de geest. De vrijmoedigheid ook: hij komt een naam tegen, weet eigenlijk niks van de persoon maar dat geeft hem juist de gelegenheid om veel over hem te creëren.
Is dit dan louter fantasie, verwijderd van alles wat is? En hoe ‘erg’ is dit dan?
Ik dacht aan het tuinboek dat ik nu lees. Jamaica Kincaid heeft een heerlijk rommelig brein en is steeds maar bezig om de tuin van haar dromen te ontwerpen. Het ene jaar lukt een klein gedeelte daarvan, maar vaak ook moet zij slikken en is er niks van wat zij, nog in de winter, daarover visualiseert. De anekdote dat zij zich een boomgaard vol fruit voorstelt, en dan pakt zij het bestelde uit en vind slechts magere sprietjes van takken, elk gewikkeld in karton… Ik kreeg de herinnering dat moeder ook elk jaar uitgebreid de catalogus van Bakker bestelde en ze wilde dan dat ik met haar daar eens goed voor ging zitten. Het oooh! en aaaah! die kreten van verrukking bij al die rozenstruiken en andere bloemen, het deed haar denken aan de tuin in Surabaya.
Het was, denk ik, voor de opkomst van de tuincentra, waar je nu kant en klaar van alles kunt kopen en direct een bloemen- en plantenpracht in je tuin kunt hebben.
Ik vond dit gedicht op internet, het is ook favoriet bij mij. Hier scheidt de dichter zich van zijn eigen lichaam en roept deze op: Herinner je, lichaam, voor mij, wat ik allemaal ooit heb meegemaakt. Het intensiveert iets in je geest, door je eigen lichaam weer voor je te zien, in de bedden van anderen: zie dit is mijn hand, die jou ooit gestreeld heeft…
Of het vertrekpunt het ‘Nu’ is dat terugkijkt via het lichaam, of een catalogus waarmee je vooruitblikt naar de toekomst; in beide gevallen IS het er niet in het hier-en-nu. Het gaat om de betovering die er dan wél is, het verlangen naar schoonheid die in je geest gaat leven, het eindresultaat of dat het verleden voorgoed voorbij is, dat doet er niet toe.
Zó is de poëzie van Kavakis: steeds die bewegingen van smachtend verlangen, uitgestelde realiteit, dóórgaan op de weg waar het leven elk moment gevuld kan worden met wonder.
Het is allemaal aanwezig in zijn beroemdste gedicht en het zijn gevleugelde woorden geworden: de reis doet ertoe, niet de bestemming. Tegelijk is het de bestemming, het einddoel dat je lokt en naar voren trekt, om op pad te gaan en al doende onverwachte vondsten in de schoot geworpen te krijgen.
Ik zag een heel kort moment de schaduwen van de oudste boom van de wereld op het tegelterras. Tien minuten later was het alweer verdwenen. Dat doet er niet toe: het gaat om het genot van dat éne moment; de vreugde.



