dinsdag 17 februari 2009

Het Parfum

Pas geleden zag ik op dvd de film Het Parfum, naar een boek van Patrick Suskind. Het boek was jaren geleden een hype en iedereen in mijn omgeving vond dat ik het moest lezen, maar de paar keer dat ik erin begon, was ik na een aantal pagina's toch te weinig geboeid om door te lezen.

Misschien komt dat doordat je het verhaal al mondeling gehoord hebt en je zo niet meer verrast kunt worden door het originele van het gegeven: een man wiens hele leven draait om geuren. Echt contact en ontmoeting vermijdt hij, of beter gezegd: speelt geen enkele rol: het echte leven, de ziel van een ander, zit in de geur.

De film zoog mij wel meteen in de wereld van de geuren. Via korte shots van van alles wat geurt, rook ik als het ware mee. Vreemd overigens: de herinnering van geuren: je ruikt iets en toch niet. Voor het eerst roken, geurden filmbeelden. Langzaamaan kruip je daarmee ook in de belevingswereld van de hoofdpersoon. Mensen zijn voor hem objecten, ze zijn de dragers van een geur, hun geur is hun ziel en die wil hij vangen.

Dus gaat de hoofdpersoon moorden: de geuren van twaalf vrouwen heeft hij nodig om het ultieme parfum te maken. Hij smeert de vrouwen vol met een soort dierlijk vet, schraapt het dan zorgvuldig af en via een ingewikkeld distillatieproces met vuur, flessen en door slangetjes, druppelt de essentie van die ander, haar geur in een piepklein flesje.

Het proces doet denken aan de middeleeuwse allchemie, waar men hoopte om van ijzer, goud te kunnen maken. Of een drankje dat je onstervelijk zou maken. Ook in deze film openbaart de diepste drijfveer van de hoofdpersoon zich in de ontdekking dat hij zelf niet ruikt. Hij, die de beste en gevoeligste neus heeft van de wereld, kan zichzelf niet ruiken.

Daarmee is hij dus eigenlijk voor hemzelf onzichtbaar. Hij leeft daarmee een on-bestaan, er zijn geen echte consequenties aan zijn daden verbonden. Hij moordt niet: integendeel, hij maakt iemand onstervelijk door de geur van haar te vangen, zodat die voor altijd bewaard kan worden.

De film vertelt over het alchemistisch proces dat zich in het hoofd van de geurenvanger afspeelt. Het lukt hem om het ultieme parfum te maken en hij weet dat deze geur hem onoverwinnelijk maakt. Dat hij daarmee alle ellende, onvolmaaktheid, wreedheid, boosaardigheid van de wereld in een keer kan doen laten verdampen, omdat hij de geur van de schoonheid en het paradijs gevangen heeft.

Op het moment dat hij als moordenaar gepakt wordt en voor de woeste meute gekruisigd zal worden en de zwart gemaskerde beul eén voor eén al zijn ledematen zal breken, laat hij het parfum waaien. Al het kwade van de wereld smelt als sneeuw voor de zon weg en iedereen begint naakt met elkaar te vrijen: er onstaat een orgastisch verrukking.

Hij ontsnapt en kiest daarna zijn eigen dood. Hij gooit midden op een marktplaats het hele flesje parfum over hem heen. Hij die zelf geen geur heeft, ruikt nu naar alle schoonheid van de wereld. Het verhaal gaat, dat iedereen zich op hem stortte en hem met huid en haar opat en er geen restje van hem overbleef.

'Ik kan je wel opeten', zeg je soms in verrukking. Babietjes hebben dat, je zou ze met huid en haar wel kunnen dood knuffelen. Soms wil je dat zelf wel: oplossen in een ander en samensmelten. Je wilt zelf bestaan en gezien worden en tegelijk ook opgaan in een ander. Alsof je daarmee nog veel intenser leeft, dichterbij het eigenlijke kloppende hart van het leven. Loutering en Metamorfose: het speelt zich af in een alchemistisch proces van er-zijn en er-niet-zijn tegelijkertijd: Het Parfum is daar een mooie metafoor van.

zondag 15 februari 2009

Transparantie

Ik dwaalde met mijn ogen langs mijn boekenkast en zag het dunne boekje VASTEN, van Anselm Grün. Nog niet gelezen. Heel geschikt om dat nu te doen, ter voorbereiding van de 40 dagen Vastentijd die over twee weken in de christelijke jaar kalender aanbreekt.

Ik sloeg het open en realiseerde me, dat ik dit boekje van Vader hebt gekregen. Zijn laatste boekengeschenk, de vastentijd van vorig jaar gegeven. In zijn toch altijd al moeilijk leesbare handschrift, maar toen nog extra erger door beven en een slecht coördinatievermogen, staat er met blauwe ballpoint geschreven: Mirjam, In dank. R.M (?... stáát dat er?... Wat betekent het? ReMembering, wellicht?) mijn vasten 2008. Je vader Frans.

Een brok schiet in mijn keel en verdriet neemt het even over. Ik herinner me dat ik het kreeg vorig jaar en dat hij nauwelijks verstaanbaar iets zei van: 'Je weet niet waarom en je begrijpt het misschien niet, maar ik heb van jou iets geleerd over vasten... ik kan nu niet meer vasten met eten (Hij had slikproblemen en at uit zichzelf al weinig), maar ik heb er toch iets aan gedaan, dankzij jou.'

Ik was inderdaad verbaasd. Ik wist niet wat ik gedaan of gezegd had. Nu heb ik het boekje gelezen en ben ik aan het gissen. Zou hij doelen op de volgende passage: 'Het lichaamlijk vasten moet samengaan met het geestelijke vasten, dat wil zeggen dat men zich verre houdt van slechte gedachten. Maar gedachten kan men niet zo makkelijk weren als eten en drinken. Ze zullen steeds weer de kop opsteken. De monniken verstaan onder het geestelijke vasten een strijd tegen slechte gedachten. In deze strijd maakt de monnik gebruik van de beproefde middelen van zijn ascese: zwijgen, arbeid met de handen, gebed en meditatie.'

Vader was er, geloof ik, wel trots op dat ik een kamer in het klooster heb. Zonder daar zelf iets aan te doen, staat een klooster nou eenmaal voor bepaalde waarden, voor een bepaalde gerichtheid... Kloosterlingen 'verlaten de wereld', zo heet dat...Ik kan hem niet meer vragen waar ik dit boekje en zijn dank aan te danken heb. Ik kijk naar de kaft en zie daar een kom op een juten kleedje liggen. De kom lijkt leeg, maar is gevuld, bij nader inzien, met doorzichtig water.

Als Vader nog geleefd had, dan had hij wellicht geen eenduidig antwoord gehad op mijn vraag: Waarom? Misschien had hij zich niet eens meer goed herinnert dát hij me dit boekje een jaar geleden had gegeven... Ik denk maar aan de transparantie van dat water. Zonder materie wordt alles transparant: onzichtbaar en toch aanwezig. In die transparantie kan ik wel een beetje voelen dat Vader mij het beste gunde van de wereld. Dat hij wist dat dat Beste, ofwel dat Goede niet helemaal van deze wereld was. Dat je er de wereld ook een beetje voor moest verlaten. Zoals hij nou ook niet meer van de wereld is. Niet ván de wereld, wel ín de wereld... Dat wil nu zeggen: in mijn hart en in mijn geest.

vrijdag 13 februari 2009

Laat maar

In het klooster is een broeder die droomt dat hij door verlaten gangen loopt, in een groot leeg klooster. De anderen die er lopen kent hij vaag, ze hebben iets van schimmen. Vervolgens droomt hij regelmatig dat hij door een ruïnegebied dwaalt en tot slot dat hij onthoofd wordt. Het enige wat hij daar dan bij denkt is: 'Laat het snel gebeuren, zodat ik er weinig van zal merken.'

Bij bewustzijn denkt hij dit soort dingen nooit en is hij welgemoed, maar toch, hij erkent dat deze dromen uit zijn onderbewuste, toch wel wat te maken kunnen hebben met de toestand in het klooster. Hij vind het héél erg als men zegt dat hij tot de laatsten der Kapucijnen behoort...

Aangrijpend, vind ik het. Zulke dromen van een bijna 89-jarige... Het pessimisme, de onrust van kloosterlingen, het is een reëel deel van hun leven en tegelijkertijd wordt er in alle rust en met intensiteit het koorbed gebeden, een activiteit waar ik vaak gedurende de meeste tijd dat ik niet in het klooster ben, verlangend aan denk. Het zit zo mooi vervat in het volgende gedicht van Stefaan van den Bremt:

ZING EEN ODE
Zing een ode aan een wijdser uitzicht
Nee, geen ode. Kom tot nader inzicht
in de abdij, bijna onzichtbaar in het
dal van Ter Kameren. Vraag in dit dal
om inzage in het kamermuziekje van je
ziel, terwijl het verkeer om je heen
voortraast van nu naar nooit. En heb
geen haast, maar gun je dit kort
durende oponthoud en één maat rust.
Schraap een stem bij elkaar en zing
in deze toonzetting, zing de getijden
van licht en donker op de middellijn
van aarde en hemel; voor ze scheiden
breken we brood en schenken we wijn.

De getijden van licht en donker ... daar gaat het om in het leven. Beide zijn altijd aanwezig, we kunnen niet leven in een wereld waar alles perfect en welgeordend is. De kunstenares Katharina Fritsch in 1956 geboren in Essen en levend en werkend in Düsseldorf, heeft er haar thema van gemaakt. Ze zegt: 'Irritatie ontstaat in de eerste plaats bij formele helderheid en exacte verhoudingen. Ik zou dat bijna wetenschappelijk kunnen aantonen.'

Ze maakt dus vreemde installaties. Zestien bijna dezelfde mannen aan tafel aan een rood blokt tafelkleed.(Tafelgezelschap 1998). Een kring zeer grote zwarte ratten die dreigend in een zaal tot het plafond reiken( Rattenkoning 1993) . Een plat Hart met geld van 4 bij 4 meter, van aluminium en verf. Het zijn een soort zogenaamde perfecte oervormen of prototypen en ze hoopt dat mensen schrikken van de mechanische, door computers berekende, dwingende verhoudingen. Er rust geen smetje op.

Ik kijk af en toe naar Mönch(1999), monnik, dus, een zwart rijzige figuur. Ik kijk naar het dreigende dat er van hem uit gaat omdat hij in zijn perfectie alleen maar staat en als een soort oervorm ' monnik' zit te wezen. Laat maar, denk ik dan. Doe mij maar de zenuwachtigheid , de onzekerheden, het getwijfel, de onmacht, de zwartgalligheid van de broeders om me heen. Ik weet ook niet waar de toekomst van het klooster naar toegaat en wil er ook steeds minder van weten. Ik bid gewoon het koorgebed en laat de rest maar over aan... God.

donderdag 12 februari 2009

Onderdompeling

Tja, hoe leg je dat uit als je er geen geluid bij hebt? Denk aan het woord 'GApen' en lees daarna het volgende woord 'GAmen' en daarna: 'GAmende kinderen'. Ik dacht: ik heb iets fundamenteels gemist, toen ik de Vrij Nederland van deze week opensloeg. Kinderen met een volkomen vreemde, wezenloze blik staren je aan. Of kijken dwars door je heen. 'GAmende kinderen, vierkante tranen', zegt de kop.

Is dit een enge nieuwe ziekte?, dacht ik. Een nieuwe afwijking in de genen? Het blijken portretten te zijn van kinderen die
gewelddadige spelletjes spelen, achter de computer. Juist ja: je moet lezen GEEmende kinderen, op zijn engels dus: gamende kinderen. De Britse, in Amerika woonachtige, kunstenaar Robbie Cooper heeft ze vastgelegd, de foto's zijn stills uit een video van vier minuten die Immersion heet en dat betekent zoiets als 'onderdompeling', ergens helemaal in opgaan.

Hij plaatste een camera in een computer, zodat je dus ziet, wat een computer ziet, als hij kon kijken. In dit geval presenteert de computer een wereld van geweld, waar deze kinderen al gamend , op leven en dood in vechten, bloedvergieten, moorden en wat al niet meer. Ze krijgen een killerslook, de doodsheid en
desolaatheid van een onbewoond wezen, zoals in de science fiction-film Don't look now: ontzielde mensen. Tenminste, dat is de bedoeling, denk ik, zó moeten we deze beelden interpreteren. Dat is wat de kijker moet zien.

Waarom deze fascinatie voor geweld? Want Robbie
Cooper zit in wezen in hetzelfde spoor als al deze kinderen: je schuurt je aan het gewelddadige, je speelt ermee, het heeft iets vluchtigs en hijgerigs zoals het vieze mannetje in van Kooten en de Bie van alweer lang geleden: kijke, kijke kijke .

Volgens mij is het kijken naar de wezenloze blik van deze kinderen toch niks anders dan een soort oppervlakkig voyeurisme. Toegegeven, door het woord
GAmen, dacht ik ook even met iets heel bijzonders te maken te hebben. Nu ik weet dat het gamen is, raak ik vooral benieuwd naar de blik van mensen als ze andersoortige spelletjes spelen. Hoe kijken ze als ze zich op Second life begeven, als ze virtueel seks hebben, surfen, als ze daten, MSN-en enzovoort?

Hoe kijk je als er niemand terug kijkt? Want dat is de blik die Cooper heeft vastgelegd, dankzij de moderne techniek. Ik moet steeds denken aan het beeld van Bernini van
Theresa van Avila in extase, die in een kerk in Rome te zien is. Ook daar is iemand ondergedompeld en gaat geheel ergens in op. Alleen is dit beeld ontstaan door zorgvuldig te kijken, vakmanschap, geconcentreerde aandacht. Zo raak je betrokken in een blik en lichaamshouding en kun je je ogen laten dwalen. Je gaat er van mijmeren en mediteren: waardoor is zij bevangen, wat raakt haar zo?

Een filmpje van vier minuten daarentegen en foto's daarvan in een tijdschrift: het is niks meer dan de verlokking van het moment, een kortstondige sensatie.

Artikel met filmpje in VN

woensdag 11 februari 2009

Sun City

Ik ben er ooit in het echt geweest: in Sun City in Arizona. Dat is een stad die midden in de woestijn gebouwd is voor rijke oude mensen. De naam van de stad zegt het al: er is altijd zon, heerlijk voor de oude ledematen, en alles is er gebouwd voor comfort & joy.

Nieuwsgierig liepen we er rond. Je verwacht een hele hoop ouderen te zien, die vrolijk en flierefluiterig zich voor eeuwig jong voelen, maar het was er doodstil en de mussen vielen bijna van het dak van de hitte. Misschien middagdut-tijd opperde ik, ik bedoel je bent oud en je wilt wat, maar je oude lijf heeft toch heel veel rust nodig.

We gluurden naar binnen in iets wat een centrale ontmoetingruimte leek en zagen een groot zwembad glinsteren. Zo verleidelijk, maar alle deuren zaten op slot. Het had iets uit een oude science fiction film: ruimteschip geland, iedereen meegenomen, niemand te bekennen en de stad wordt zo overgenomen door de aliens. Kan makkelijk zo midden in de woestijn, niemand die er verder wat van merkt want de echte civilisatie is mijlen en mijlen weg, down the highway.

Wie wil daar nou wonen? Alleen maar met leeftijdsgenoten en allemaal doen alsof je daar het eeuwige leven hebt. Ik typ dit blog en een biljarter zegt, na het weerpraatje en de sneeuwverwachting van deze middag: 'Nou ja, dat is maar tijdelijk... alles is tijdelijk... het hele leven is tijdelijk... daarna komt het pas: de Eeuwigheid!
'Nou daar zitten we op te wachten', reageer ik,' fijn, wát een vooruitzicht!'
'Mooi, toch, we hebben nog wat tegoed, dat is zeker!', zegt hij weer op zijn beurt.

Tja, de 'Eeuwigheid': zo'n woord dat aan de ene kant iets moois heeft en van de andere kant iets totaal onmogelijks, want onvoorstelbaar. Is alles daar dan altijd hetzelfde? Dat wil je toch niet? Tenminste niet bij leven...

Sun City: ik denk daar toevallig aan omdat ik foto's daarvan tegen kom van Peter Granser, die daar geweest is. Er wonen 50.000 ouderen die van over heel Amerika aan zijn komen waaien en ze hebben samen de beschikking over 200 doktoren. Ik weet het niet: maakt dat nou gelukkig? Gevangen in een bedrieglijke poging om de tijd te doen stilstaan. Stilstand lijkt mij de echte dood in de pot.

dinsdag 10 februari 2009

Aren lezen

De schilder Piet Meiners (1857-1903), schildert 'kloosterachtig'. Een ander woord weet ik er even niet voor. Er hangt iets van verstilling en eenvoud en een vage melancholie omheen. Het is gek, hoe je iets van een sfeer meteen kunt traceren. Ik zag eerst zijn schilderij Aren Lezen. Het lijkt gemaakt met Oost Indische inkt, maar het blijkt olieverf te zijn.

Een vrouw buigt zich voorover en verzamelt aren. In het bijbelboek Ruth wordt verteld dat Ruth aren leest bij Boaz. Men liet vroeger met opzet wat graan achter na het oogsten op de velden voor arme mensen. Boaz geeft de opdracht om extra graan achter te laten en Ruth verwondert zich over de gulheid van Boaz, voor haar, een vreemdelinge. Later zullen zij trouwen en er zal een zoon geboren worden, die weer een voorvader is van het huis van David, waaruit ook Jezus geboren wordt.

Dat is een mooi gegeven: de verborgen gulheid voor een vreemdeling, mondt uit in liefde, trouw, een verbond tussen mensen en het goddelijke, waar men nu nog over praat.

Die vrouw die aren leest op het schilderij van Piet Meiners; het landschap lijkt verlaten en wat onherbergzaam, maar in haar bezigheid, haar activiteit zit iets van verwachting en anticipatie verstopt.

Het is donker op het schilderij, er zijn geen kleuren en toch gloort het. Misschien zit dat in haar houding: een rechte rug in haar gebogen houding, de concentratie waarmee ze doet, wat ze op dat moment te doen heeft. Een 'armoedige' bezigheid; uit resten wat verzamelen, om uiteindelijk een brood te kunnen bakken. Alleen in een donker landschap. Toekomst en voedsel verscholen in armzalige overblijfselen.

Als je dan googelt op http://www.pietmeiners.nl/ dan zie je wat een lichtdonker wereld aan kleur kan ontvouwen: rode kool in rijen op het land, nieuwe spruiten uit de grond, takken en bomen, een enkel figuur... Het lijkt er soms op, dat doodsheid, afscheid en verlatenheid je soms pas doet voelen, dat het tegendeel vlakbij is, onzichtbaar, maar toch maar met een heel, dunne, bijna doorzichtige vliesachtige wand gescheiden van dat tegendeel. Wie goed zoekt, die vindt altijd wel wat...

Dat denk ik maar op deze grauwe regendag, dezelfde soort dag als vier weken geleden, bij het afscheid van Vader.

PS. Op internet kon ik het schilderij 'Aren lezen' niet vinden, daarom een ander schilderij van Meiners (Lucie)

Lieve Lucie,
Een afbeelding is te vinden als je googelt op 'aren lezen piet meiners'. Zou je hem onder je PS. willen plakken?
De afbeelding die jij erbij geplakt hebt vind ik ook mooi en samen geven ze wel een leuke illustratie van 'elkaars tegendeel zijn'. Bovendien vind ik het wel leuk dat jij op deze wijze een keer in een blog voorkomt! Anders plak je dit mailtje er ook nog bij, voor de volledigheid. Maar dat laat ik aan jouw goede smaak over!
daaaaaaag! mirjam

maandag 9 februari 2009

Essentie

'Eigenlijk ben ik nog altijd dat meisje van zes', zei H. van de Boekenclub gisterenavond. Dat is een interessante constatering. Want wat bedoel je daar nou mee? Het had iets te maken, dat dit de leeftijd was, waar ze al wist dat je iemand bent en dat je toen nog alles wat gaaf en puur aan je was, bij je had. Onbevangenheid. Met moed, zonder onzekerheden de wereld in stappen. Ondernemend. Vrolijk. Zulk soort woorden hoorden daar voor haar bij.

B. van de Boekenclub kan zich dat ook nog herinneren. Zo'n moment dat je weet wie je bent. Zij stond in de varkensstallen bij haar ouders' boerderij en ze gaf de varkens te drinken. Ze stond neuriënd met een lange heldere straal water, boven op een verhoging te kijken hoe de varkens dichterbij kwamen en dronken. Een mooi beeld. Zo'n heldere straal water die klettert, alsof de substantie van je ziel zingend naar buiten komt.

Ik zelf heb ook zo'n levendige herinnering. De roze meidoorn bloeide, achterin de tuin. Ik stond bij het hek achterin en ging daar balletpasjes doen en maakte zo hele dansen. Een gevoel van: dit ben ik, hier is alles wat ik weten wil, dit is alles wie ik wil zijn. ben ik volledig aanwezig. Ook ik neuriede daarbij.

We vonden allemaal dat neuriën daar om de een of andere reden bij hoorde. Bij een woordeloos 'weten'. En wat weet je dan? Dat er iets is dat je essentie is, en dat je daar toen mee samenviel. Vreemd, hoe je dan later weer weet, hoezeer je dat eigenlijke zelf ontrouw bent geworden. Door de verwachtingen, normen en waarden van anderen. Door de loop van je leven, de dingen die je meemaakt. Iedereen wordt ergens ooit beschadigt en loopt dingen op.

Ik heb nu de ervaring, dat het iets van die essentie is van iemand, die voortleeft en die heel dichtbij kan zijn, na iemands dood. Vader is zo, soms héél dichtbij. Niet degene met wie ik ook gestreden heb, die mij soms mateloos ergerde, waar ik soms geen raad mee wist. Ook niet degene die leed en gevangen zat in het ongemak van zijn eigen lichaam.

Maar íets dat met zijn essentie te maken heeft. Even ongrijpbaar en toch aanwezig, op de wijze hoe je eigen essentie ook ongrijpbaar en toch aanwezig is.