vrijdag 12 oktober 2018

Appelliefkosie, Ingrid Jonker

Ik werd wakker en deed het donkere paarse kleed voor het raam weg en maakte het open. De mussen tjilpten me tegemoet in een heiige waas van oranje gloed van de opgaande zon. En de witte bruidssluier over het dak en alle struiken aan de zijkant geurt, nog nooit heeft deze zo uitbundig gebloeid, met recht nu, als de lange sleep van een bruidssluier. Mijn hele huis staat in feesttooi, want vóór slingert de rood-en-oranje wingerd zich door de takken van de hoge berkenboom en door de groene klimop.

In deze ochtendsfeer is het fijn om gedichten te lezen en ik pakte Versamelde Werke, een dun boekje maar, van de Zuid-Afrikaanse Ingrid Jonker. Deze week herlas ik haar, doordat de boekenclub Black Butterflies bekeken had, een film uit 2011 over haar leven. Carice van Houten speelt haar heel goed en ik was verbaasd over de ook donkere intensiteit die aan waanzin grenst, van haar persoonlijkheid, die verstrengeld is met het geweld en de waanzin van het toenmalige Zuid Afrika. Zij pleegt in 1966 zelfmoord, door in zee te lopen. Bijna dertig  jaar later krijgt zij een wereldpodium doordat Nelson Mandela in zijn openingsspeech als president van Zuid Afrika, het gedicht The Child van haar citeert.

Ik kreeg al lang geleden haar dichtbundel van mijn ouders, als souvenir van hun reis aldaar, maar mij stond vooral een meer vreugdevolle intensiteit bij. Bij herlezing en verdieping in haar leven, er is ook een documentaire over haar op YouTube, beeldfragment van haar, interviews met haar enige dochter en ex-geliefde André Brink, snap ik wel mijn aanvankelijke indruk. Ingrid Jonker had beide zijden, ze wordt vergeleken met Marilyn Monroe, kinderlijkheid en kwetsbaarheid inéén, zij heeft dezelfde uitstraling, mooi van uiterlijk met een woest binnenleven.

Nu zocht ik een wat lichter gedicht, passend bij het feestelijke ochtendlicht, zoals in  Morning has Broken en ik vond eerst deze, ‘more’ betekent ‘morgen’.

Die more is jij
Die lug is vol rose 
die rose is weerloos
weerloos jou hande jou ooë
roos van jou mond
die more is je
weerloze roos van die more
wond van die rose

Ach, en dan in die laatste zin, toch ook die pijn en de dubbelgelaagheid van de werkelijkheid...Ik sla een bladzijde om en lees:

Twee harte 
Twee harte het ek
die een wat bloed pomp
en die ander lijk wel op
‘n appelliefkosie
of ‘n paddatjie.

Wat een mooi woord, 'appelliefkosie', het roept de frisheid van een rood-geel appeltje of appelkroosje wakker, het doet aan liefje en liefkozing denken, maar wat betekent het? Volgens Google bestaat het niet, ze heeft het dus zelf verzonnen. Waarschijnlijk geschreven naar haar minnaar André Brink, een schrijver van haar eigen leeftijd, terwijl haar grote  liefde de twintig jaar oudere schrijver Jack Cope is, een vaderfiguur, wellicht ter compensatie van haar eigen vader, ook al een schrijver, maar voorstander van de apartheidspolitiek, die in een officiële commissie het werk van zijn eigen dochter heeft gecensureerd.

‘Paddatjie’ betekent kikkertje en dat roept het springerige en speelse op wat ook in de persoonlijkheid van Ingrid Jonker zat, maar er is ook een versie van het gedicht en dan staat er skilpaddatjie, en dan is er ineens de logheid, traagheid en geslotenheid van een schildpad. Het lijkt tekenend voor haar, deze beide versies van dit gedichtje. In haar waren minstens twee harten.

In mijn tuin springen overigens ook veel kikkers, van heel grote tot heel kleine, in de kleurschakeringen, bruin, fel oranje, groenig en bijna zwart. Toen mijn klamboe nog opstond ontwaarde ik in het fijnmazige gaas een keer een héél klein felgroen kikkertje met zwarte stipjes. Precies zoals die in kinderboeken getekend wordt. Het was een grappige gewaarwording, want de avond ervoor in het donker dacht ik dat het een hoopje aarde of modderig vuil was, dat erin verzeild was, maar de volgende dag sprong het tot leven.

woensdag 10 oktober 2018

Kinderkermis, dagpauwoogvlinder

Ik blijf het een prikkelende, aangename en milde gebeurtenis vinden: dat er een dagpauwvlinder voor mij neerstrijkt en haar vleugels opent, als ik aan Moeder denk. Vandaag in de speeltuin gebeurde het weer. Ik was bergjes aan het maken van eikeltjes en blad. Zegt een vrouw tegen iemand anders: Hij moet nog naar de trampoline.

Ik dacht: moeten, wat is dat nou toch, wat een spanning en zenuwen hoorde ik in de stem van die vrouw.... er moet nog een  kind naar de trampoline. Ik dacht aan mijn kindertijd, waar Moeder ooit een kinderkermis voor de buurt organiseerde, zonder stress in mijn herinnering. In de kelder en in de tuin hadden we attracties gemaakt. Dat deed ze toch maar, ze was een beetje kind met de kinderen en wat ze zelf leuk vond, dat gunde ze ons. Ze bakte ook oliebollen. maar toen bleek dat een kindje een bestelling deed, namens haar moeder, toen werd ze kwaad. Dat was de bedoeling niet.

Wij hadden een spookhuis gemaakt in ‘het hol’, dat was een ondergrondse kruipruimte in de kelder, die tot over de helft van het huis ging. Die was bekleed met vloerbedekking en daar speelden we in. Voor deze gelegenheid mochten kinderen in het donker erin kruipen, we hadden lange  draden  over de route gehangen en enge poppenkastpoppen enzo verlicht. Maar het engste was, voor die kinderen dat ik er ook in zat en dan een kind aanraakte.

Al die herinneringen buitelden door mij heen, en toen opende een  dagpauwoogvlinder op een tak op de grond, iets verderop haar vleugels. Ik stopte met harken, ja het blijft speciaal. ‘ Dat deed je goed hoor’, zei ik tegen moeder of tegen niemand in het bijzonder, ‘ik heb leuke jeugdherinneringen.’

Het moeten op de trampoline, bleek het einde van een parcours; op die trampoline lag een zakje snoep te wachten. Er werd een verjaardagsfeestje gevierd, een picknicktafel met slingers en alle kinderen op het einde, smikkelend aan de frietjes. En toen moest er nog een foto worden gemaakt en  nog steeds was er die spanning in de stem van deze moeder.

Moederschap is in deze tijden een ware uitputtingsslag, denk ik. Ik zou me verscheurd voelen. Dat je enerzijds wilt dat je kind het leukste verjaardagspartijtje van de wereld heeft en een originele verjaardags-traktatie. Dat ik anderzijds dan waarschijnlijk zou denken: kan het allemaal niet wat eenvoudiger, hoe sjiek en duur moet het allemaal zijn, waarom die concurrentieslag? Maar dat ik dan natuurlijk toch niet had gewild dat mijn kind de meest saaie traktatie zou hebben en helemaal niet verrassend voor de dag zou komen. Je gunt je kind natuurlijk een  goede plek in de peergroup.... Ik geloof dat moeder daar niet zo mee bezig was en misschien speelde dat vroeger ook minder. Zij organiseerde gewoon voor haar eigen lol die kinderkermis. 

maandag 8 oktober 2018

Fantastisch Ameland

Ik kwam thuis uit Ameland en de roze petunia was weer gaan bloeien. En de dahlia op het tafeltje ook, met twee bloemen. En het plantsoen stak al aardig in herfstkleuren. En het wordt de komende week ook rondom de twintig graden. Bijna absurd en het zet een extra streepje bij het nieuwe rapport over de klimaatverandering, waar wereldwijd meer dan duizend wetenschappers aan hebben meegewerkt.

Ameland was fantastisch! Ook daar het ideale weer: het was heerlijk fietsen en liggend in de duinen met een hempje genieten van de prachtige uitzichten op het wad. Windstil: misschien dat de ligging ervan, iets meer gelijk aan het vasteland van Friesland en maar 50 minuten varen daartoe bijdraagt? Dat de wind dan aan de wadkant nog wel waait, maar bij zee door de duinen wordt opgevangen?

TV-TAS, zo leerde ik van een boekenclubgenote, om de volgorde van de Waddeneilanden te onthouden. Texel: daar ben ik nooit geweest, maar zie wel beelden van de oude mevrouw S. voor me die daarvandaan kwam en als klein meisje op de kribben verse schelpdieren ging verzamelen. Vlieland  daar ben ik vaker geweest , de camping in de duinen vlak achter de zee en dat je het eiland rond kan lopen op een dag, dat er bijna geen auto’s zijn en de vuurtoren als het ware midden op het eiland staat.

En ja: Terschelling, dat is al bijna twintig jaar het Oerol-eiland met een landschap dat zoveel theaterherinneringen met zich meedraagt... Schiermonnikoog: zo klein met een heel eigen sfeer in het hoofdcafé, alsof je daar op een heel grote boot bent aanbeland en de bemanning zich daar verzameld heeft om even een praatje met elkaar te maken. En de monniken uit Diepeveen zijn daar nu neergestreken, om de naam van het eiland eer aan te doen, ik wil daar nog weleens kijken, als ze zich genesteld hebben in het hotel dat tot klooster wordt verbouwd .

Ameland: het heeft mijn hart gestolen. De ruimte is een soort van knus Terschelling, op net meer een menselijke wandelmaat. Ik heb al op de natuurcamping aldaar gekeken, mooie beschutte plaatsen en aan de ene kant zie je de dijk van de waddenkant in de verte en aan de andere kant maak je eeen korte wandeling,door een klein bosje en dan  ga je één duinenrij over en dan ben je aan zee. De opmaat naar de veerboot is meteen koninklijk: weids, alsof er een brede loper wordt uitgelegd vol kleuren uit de natuur naar de boot. Dan kom je aan in Nes, centraal op het eiland, ga je naar links dan is het nog geen negen kilometer fietsen naar de vuurtoren op de punt en ga je naar rechts, dan fiets je in nog geen tien kilometer naar het natuurgebied de Hon en het mooie is dat het waddenstrand direct vastzit aan het duinenlandschap, er zijn daar geen dijken, zoals ik me dat herinner van alle andere eilanden.

Zo mooi, zo erg het gevoel dat er alleen maar golvende en plooiende natuur om je heen is, in prachtige kleurschakeringen die door de wolkenluchten en de zon steeds van palet verandert en met maar vier kleine plukjes van dorpen.  Met de boekenclub was het volmaakt, we hebben ons gelabeld als autistje, zorgster, refo en hoogsensitiefje, vonden dat we elkaar prima aanvulden en hebben het alleen maar goed met elkaar gehad.

donderdag 4 oktober 2018

Goede mannen. Mensen.

Ik heb mijn middelste grote teen gestoten. Aan een stoel binnen, die ik verplaatst had om in de kast onder aan de trap te komen. Dat is niet echt handig en nu hoop ik maar dat ik zo meteen met mijn rugzak op naar de bus kan lopen. Een lang weekend naar Ameland, waar de boekenclub haar twintig jarig bestaan viert, al bleek het bij nader inzien 19 jaar te zijn.

Gisteren een praktisch dagje en nu eens gericht op plekken die ik in de echte wereld hoop te bezoeken: op internet proberen een visum voor India te regelen, wat niet lukte. Wat is het verschil tussen een pdf en jpg-bestand en hoe zie je dat? Enfin, eerst alles invullen, tot en met de namen en geboorteplaatsen van je ouders, adres en naam van je werkgever en of je ooit in Pakistan ben geweest, nog een keer kijken, moest dat paspoort nou in pdf... en toen verdween de hele site en alles wat ik al had ingevuld...

Even, als afwisseling, doorlezen in Goede mannen van Arnold Grünberg. Wat een boek nou weer. Over een brandweerman die goed wil zijn. De oudste zoon springt voor de trein en nu moet hijzelf zijn zoon van het spoor krabben, dat wil hij ook, en dan denkt hij troost te vinden bij de vrouw van een collega, die spullen in zijn anus stopt. Met zijn vrouw lukt het maar niet om een goede man te zijn en haar te geven wat ze nodig heeft aan lichamelijke huwelijkse plicht. En dan belandt hij ook nog in een klooster, om in een kippenhok als kluizenaar misschien de ultieme liefde te vinden, want met mensen kan hij niet meer leven.

Vooruit, als afwisseling, maar even al mijn schulden aflossen: de reis naar India betalen en de camping op Tenerife reserveren. Weer een nieuw fenomeen, met Paypal, is dat wel betrouwbaar?, in de sfeer van Grünberg klinkt het hilarisch, een betaalmaatje met je eigen creditcard. Want ondertussen was ik aanbeland dat de brandweerman gescheiden is en nu een nieuwe liefde gaat zoeken  in een organisatie, Liefde over de Grenzen en in Oekraïne belandt en hij  valt voor een meisje en werkelijk denkt dat het nu goed met hem zal komen. Snoepreisjes voor mannen en hun onmogelijke verlangens...

En dan is er nog mijn internetverbinding die vooral in de avond regelmatig wegvalt. Van de KPN winkel moest ik bellen en van die moest ik weer een wifi-scanner installeren en die zei dat de verbinding optimaal is, wil je chatten met een medewerker?  Oké. Kom je in een cirkelredenering terecht: als er internet is, ja dan is die optimaal, maar ik meet alleen als er verbinding is, het gaat erom dat er regelmatig géén verbinding is! Toch kan alleen de wifi-scanner mij helpen, of een monteur, voor de eerste 45 minuten, 50 euro. En toen werd ik uit de chat gegooid, met daarna een enquête: of ik  goed geholpen was en of niet en dan wie weet naar een ander provider op zoek ging? Ik wilde eerst nog even naar de KPN-winkel, om een mens erover te spreken, maar zag er gisteren toch maar vanaf.

Enfin, alles uitstellen tot na Ameland. Een gloednieuw te ontdekken eiland. Toch wel spannend enkele dagen achter elkaar, dat is anders dan een avond lang met elkaar eten en babbelen, vroeg B. zich af. Tuurlijk, houden we het wel uit met elkaar, mailde ik terug. Vanuit de wereld die Grünberg je voorschotelt, houden veel mensen het uit met elkaar, maar de vlucht naar ergens anders, onderwijl, bouwt vele onzichtbare muren, en dan lijk je het goed te doen, maar het is nikserig en leeg. Zo wil ik het niet doen. Eerst maar eens opstaan en kijken of mijn middelste teen meewerkt om mij een beetje op het goede pad te houden.

Our Town, Franciscus van Assisi; Wonder

Vandaag is het de feestdag van Franciscus van Assisi. Er zijn jaren geweest dat ik dit uitgebreid vierde. In het klooster is het een feestdag met feesteten en een transitieviering de avond ervoor, die ik zelfs ook een keer begeleid heb. Dan wordt herdacht dat hij de transitie, de overgang dus, maakte van het leven naar de dood. Maar voor de katholieke gelovige,begint na de dood, het leven past écht. Nu ‘doe ik er niks aan’.

Maar het verhaal hoort bij mijn bedrading, ik denk dat er niet veel voor nodig is, om het tot levende werkelijkheid te maken. Zelfs nu ik typ, zit ik even in een franciscaanse werkelijkheid. Ik denk dat dit zo werkt met elk verhaal waarmee je intens geleefd hebt. De fictie, of de mythe, of wat ooit echt gebeurd is, het zijn plekken geworden waar iets van jouw geest altijd ook leeft.

Gisteren werd ik me dat weer extra bewust. Ik had de lieve film Wonder gezien, over een jongetje met een gezichtdeformatie, die voor het eerst de buitenwereld in gaat, naar school. Tevoren heeft zijn moeder, gespeeld door Julia Roberts, hem thuis lesgegeven. Je krijgt de belevingen, dus verhalen mee, van mensen om hem heen. Zoals bijvoorbeeld zijn zusje, die moet leven in een universum, waar haar broertje de zon is, alles draait altijd om hem, en die haar overleden oma mist, die klip en klaar op het strand bij Coney Island gezegd heeft, dat zij haar favoriet is.

Dat zusje gaat onverwacht schijnen op het toneelstuk dat door leerlingen wordt opgevoerd, omdat haar beste vriendin, van wie ze op dat moment vervreemd was, op de eerste voorstellingsavond faket dat ze ziek is, zodat zij de rol waarvan ze understudy was, ze die onverwacht speelt. Haar ouders en broertje zitten in de zaal, met de verwachting te gaan kijken naar haar vriendje, die een hoofdrol heeft. Maar dan verschijnt zij... en ze blijkt de rol te spelen van Emily in Our Town van Thornton Wilder!

En nu wil het toeval dat ik zelf in een schoolvoorstelling de moeder van Emily heb gespeeld. Ik zag scenes en kon ze zó bijna letterlijk mee spelen, want we hebben daar maanden op geoefend. Het stuk maakte toen al een gigantische indruk op mij en nu heb ik het in het oorspronkelijk Engels nog eens gelezen. En ik was er weer, in dat dorp, ik dopte boontjes met mijn buurvrouw die een moestuin heeft en droomt om een keer naar Parijs te gaan. Het stuk wordt gedragen door een alwetende verteller, gespeeld door dat vriendje in de film, en begint op een doordeweekse schooldag. In act twee is het drie jaar verder, Emily gaat trouwen met haar buurjongen en in act drie is het negen jaar verder, Emily is gestorven in het kraambed en betreedt het land van de doden.

Dan is er de scène, die ook in de film te zien is, waar Emily nog een keer een dag uit haar vroegere leven wil meemaken. De doden raden haar aan om een gewone dag te kiezen, niks speciaals, want het zal haar al genoeg raken , om even terug te keren naar haar leven. Dus wéér maakt haar moeder de kinderen wakker en bedisselt en zorgt en dat was ik dus. En Emily, die reageert zoals ze toen ook deed, maar is tegelijk de dode die kijkt naar haar eigen leven. Ze vindt het vreselijk. Nu pas ziet ze, hoe onwetend mensen hun leventje leven, ze zien niet hoe speciaal het is. Iedereen draagt iets eeuwigs in zich, maar gaat eraan voorbij.

Dit ene verhaal met bijna een half jaar wekelijkse  repetitie  heeft mij evenzeer gevormd als alle verhalen rondom Franciscus en Clara van Assisi, waarmee ik meer dan vijftien jaar intens heb geleefd. Dat bewustzijn, dat je waarnemer kunt zijn van je eigen leven en het daarmee veel intenser beleeft. Hoe bijzonder het is om te leven. 

Alle kinderen op de middelbare school zouden eigenlijk dit stuk een keer moeten zien of zelf meespelen. Het leent zich er ook geweldig voor, om een schooltoneelstuk te zijn, want het begint met een gewone schooldag en speelt zich af in al die dagelijkse handelingen van samen aan tafel eten, verliefd worden, kijken naar de volle maan. Ik weet nog dat tijdens het spelen de schouwburgzaal doodstil was en er een daverend applaus volgde van ouders en leerlingen gelijk. En natuurlijk past 
dit toneelstuk precies in een film met de titel Wonder.

dinsdag 2 oktober 2018

Geluksvogel

Ik zie mezelf die Bossche Bol eten. Glimmende donkerbruine chocolade op de bol en daarin die witte slagroom. Zomaar, overdag, op de stenen brug in Den Bosch vlakbij bakkerij Jan de Groot, vlakbij het station, die de authentieke Bossche Bol maakt. Mensen staan ervoor in de rij. En ik dacht en denk: Dit is geluk. Dat ik in een maatschappij leef, waar ik zomaar op een doordeweekse dag in een taartje mag happen.

Ik was in de speeltuin en het miezerde. De laatste keren eikeltjes opruimen en nu komt het erop aan, om ze allemaal zoveel mogelijk op te ruimen. Dus ik raapte ze uiteindelijk stuk voor stuk. En ik dacht opnieuw: Dit is geluk. Om in een maatschappij te leven waar een stad het belangrijk vindt om zo’n grote speeltuin in het bos te onderhouden. Al zo lang, ook al in mijn kindertijd. Straks, na de herfstvakantie, als er geen kinderen meer komen, dan komen er machines en werklui om alles weer te optimaliseren, terrasjes bouwen om geulen in het zand te voorkomen, het water op te vangen.

Ja, natuurlijk denk ik dan aan Sulawesi. Dat daar geen schepmachines en materieel komen in dat rampgebied en dat dit alles ruim voor handen is voor... een speeltuin. Als ik mensen die er getroffen zijn, hoor op het Journaal, dan kan ik het bijna verstaan. Het is zo raar: het klinkt altijd vriendelijker dan de vertaling. Dat komt misschien omdat mijn verstaan ervan, kindertaal is gebleven. Het had ook mijn volwassenentaal kunnen worden. Dan was er geen Bossche Bol geweest op zomaar een dag, of een grote speeltuin in het bos om in te werken.

Dan had ik geen reizen geboekt, zoals ik gisteren heb gedaan. Kamperen op Tenerife in november en dan in december ook nog eens een rondreis door Noord-India: de Taj Mahal, de erotische tempels van Khajuraho, een dag in Varanasi. Zien, omdat het op je bucket-list staat. Ook al zo’n ongelofelijk woord, dat zomaar bestaat in mijn werkelijkheid. En dat ik er ook nog bij kan denken: dit alles zien in sneltreinvaart en dan misschien ooit nog eens terug komen en ergens langer verblijven.
Ik ben een ongelofelijke geluksvogel.

maandag 1 oktober 2018

Engelen vallen langzaam

Vandaag moet het boek Engelen vallen langzaam van Karl Ove Knausgard terug naar de bieb. Het was mijn Zomerboek, tezamen met de hele serie van Harry Potter. Langzaam gelezen dus, onderbroken door veel andere boeken. Beide werden de rode draad en beide hadden in mijn hoofd ook wel wat gemeen: ze hadden nooit bestaan zonder de Bijbel. 

Harry Potter is, hoe je het wendt of keert, toch een soort Jezusfiguur: bereid om zichzelf op te offeren en zijn leven te geven, om de wereld te redden. Dat is de ruggengraat van alles wat verteld wordt, zoals in de Bijbel die God die eerst de wereld schept en zich vervolgens constant met die wereld blijft  bemoeien, als degene die een verbond wil met het volk, ze wegleidt uit de slavernij, ze uiteindelijk zijn zoon schenkt en ja; ook straft, door de mensen uit het paradijs te zetten en ze laat verzwelgen door het water, op de familie van Noah na.

En zo komen we bij Engelen vallen langzaam. Een heel origineel boek, soms zelfs een beetje theologisch doorwrocht, door de schrijver van Mijn Strijd, de serie waar hij met telkens een ander insteek (Vader, Zoon, Liefde, Nacht, Schrijver, Vrouw) over zijn eigen leven vertelt: ik vond het bedwelmend. Het boek Engelen... is eerder verschenen, in 2004. Het begint met een verhandeling over  Engelen in de literatuurgeschiedenis.

Ik was meteen getriggerd, want ik heb tijdens mijn studie weleens een middeleeuws boek over Engelen bestudeert en mij toen verwonderd hoe gedetailleerd en op welhaast wetenschappelijke wijze erover hen gedacht werd; er blijken talloze soorten en categorieën van engelen te bestaan, die allemaal hun eigen functie op aarde hebben. Knausgard vraagt zich af waar al die engelen gebleven zijn, het lijkt alsof ze langzaam gevallen zijn, totdat er geen een meer van over is...de laatsten onder hen zijn de schattige, poezelige baby-cherubijnen. Hoe heeft dat kunnen gebeuren?

Dan begint hij te vertellen over Kain en Abel, en over Noah en zijn familie en over Moses, en al lezende blijkt hij ze te plaatsen in een Noors landschap met bergen en rivieren. Hij vertelt uitgebreid en het verrassende is, dat er werkelijk een andere notie in daalt: je krijgt mededogen met Kain, die zijn leven  lang er alles aandeed om zijn broer te ontzien en zelf nooit gezien werd en dus in uiterste terging uiteindelijk zijn broer doodt, om zelf te kunnen leven: Ben ik mijn broeders, hoeder? Nee, dus, als je alleen dat bent, kun je zelf geen mens worden...

En van Noah krijg je een beeld mee, dat hij een onmogelijke boodschap kreeg; de wereld zal vergaan, en omdat hij daar geen raad mee wist, niemand zou tenslotte luisteren, bouwde hij in het geheim die boot, op een berg, diep in het woud verscholen. Het roept zeer de huidige tijd op, die van de klimaatverandering, je krijgt een spiegel voorgeschoteld hoe wij, net als Noahs omgeving er niet aan willen en ook niet kunnen voorstellen, dat de wereld kan ophouden met te bestaan. Alleen wie levensmoe is, gelooft dat. Het werkelijke leven van Noah speelt zich af achter de schermen,  die wel moet handelen omdat hij die boodschap heeft ontvangen van een engel van God.

De laatste twee keer dat er engelen waren die werkelijk iets voor de wereld betekent hebben, zegt Knausgard, was bij de aankondiging van de geboorte van Jezus aan Maria, en de engel die bij zijn graf verscheen. Heel significant is, dat tijdens het hele leven van Jezus op aarde, er nooit over engelen is gesproken, waren ze toen al aan het verdwijnen? En dan doet hij een interessante hypothese: als God werkelijk zichzelf heeft gezonden naar de aarde, vlees is geworden en dood is gemaakt, dan is sindsdien God dus dood en kan hij ook geen nieuwe engelen meer zenden...

Sindsdien leefde de mensheid met de naweeën en na-ijlingen van engelen en ze worden steeds onschuldiger, tot tenslotte dus, die barokke cherubijntjes...Het hele boek heeft iets merkwaardigs zinnenprikkelends omdat het bloemrijk, met veel natuurbeschrijvingen tegelijk aloude verhalen hervertelt. Ook iets heel onderhoudends, net als Harry Potter, waar in die grootse strijd tussen goed en kwaad er gewoon ook kinderen een tiener worden en voor het eerst verliefd worden enzo.

Als engelen langzaam zijn gevallen dan blijft de vraag over wie van ons nog zo’n strijd aangaat, zo’n worsteling zoals Jacob had met zijn engel. Ofwel in andere woorden, misschien: waar is de kracht en de helderheid gebleven waar de oude engelen ons naartoe riepen? Zijn we langzaam aan het vergaan en aan het vervagen in troebelheid en verdoving: laten we ons liever in slaap sussen door wat cherubijntjes?