donderdag 9 juli 2020

Kijken in de natuur

Dit is heel erg leuk: ik heb een site gevonden waar je live meekijkt naar wat er in de natuur gaande is; Explore Live Nature Cams. Gisterenavond een prachtig blauwe zee in Hawaï waar walvissen wonen,  ik heb geen staart of fonteintje boven het water gezien, maar het geluid van de zee in de zon was ook leuk na een regenachtige dag binnen. Zonet was er de zonsondergang, maar weer geen walvissen in beeld.

Waar het wel een drukte van belang is, in Katmai National Park bij Brook Falls in Alaska waar grote bruine beren in het water staan die zalm vangen, zowel gisteren voor het slapen gaan als nu, het wordt daar nu nacht. Meeuwen erom heen die de restjes eten en iets stroomafwaarts bleek er een jonge beer op een rots te zitten die wachtte tot een half opgegeten zalm haar kant op kwam. Het was me al opgevallen dat zo’n beer begint bij de staart, de zalm open ritst, het donkerroze vlees  spat ineens te voorschijn, dan nam ze er maar een paar happen uit en verorberen dan de kop. Wat een verspilling dacht ik dus eerst, maar niet dus.

Je ziet de verschillende vangtechnieken. Gisteren stond er een beer midden in de stroom, de zalmen sprongen om haar heen en dat was het, terwijl onder haar een beer met een poot de zalm opving en dat was dus veel efficiënter. Maar vanochtend zwommen er nog veel meer zalmen, vijf verschillende soorten komen voorbij, las ik in de chat ernaast, en een beer stond weer boven op de waterval en hapte zó de zalm uit de lucht, zoals vroeger het beeld bij luilekkerland was, dat de gebraden kippetjes naast de zoete rijstebrijberg voor het grijpen waren.

En zo praat je dan over de zalm als object om jacht op te maken en lekker op te eten, in de chat krijgt iemand zin in sushi en een ander meldt dat vers in de  pan, vier minuten het allerlekkerst is en een kenner met weetjes over de kodiak-beren en dat wanneer je in september kijkt de  beren vechten met elkaar wegens gebrek aan zalm, meldt zich af omdat hij in de ochtend zelf gaat vissen. Hij woont in de buurt, maar er kijken ook mensen uit Japan en India mee en de beren hebben namen. Er kijken ongeveer 1300 mensen.

Maar de zalm heeft ook haar eigen leven, kun je zeggen. Dat die elk jaar tegen de stroom in terugkeren naar hun geboortegronden om daar zelf weer jonge zalm voort te brengen, ‘tegen de stroom in om te leven’ ... dat heb ik altijd een verfrissend fenomeen gevonden. Met daarbij de hoogmoed van de mens: rondom Seattle heeft men een autoweg gemaakt over de rivier en als eerste oplossing voor de zalmen, werden deze aanvankelijk gevangen in grote tanks, over de weg vervoerd en aan de andere kant weer los gelaten. En toen bleek dat de zalm veel minder vruchtbaar werd , aangekomen op de geboortegrond annex kraamkamer. Die 600 meter onderbreking van hun natuurlijke gang, dat kon zomaar niet... En toen hebben ze een soort van ‘vissentrap’ naast de rivier gebouwd, zodat de zalm nu wel kon door zwemmen. Dat was wel een verbetering maar het nageslacht werd nooit meer zo talrijk als eerder...

Die autoweg blijft natuurlijk. De zalm die tevoren in overvloed op het ijs lag, op de vismarkt, dat was voorbij en nu importeert men dus verse zalm uit Alaska. Zo grijpen we dus op allerhande wijze in op de natuur, elke keer met consequenties. En nu zijn we zelf extra de pineut door het corona-virus dat uit het wild op een markt van vleermuis naar mens is overgesprongen, waarschijnlijk. Laat alles in haar eigen element! zou de les kunnen zijn. En de mens met haar technisch, de wereld overspannend brein niet meer op expansie en heersen gericht, maar als heler en hoeder. O, wat zouden we toch met zijn allen op een mooie aarde kunnen leven...

woensdag 8 juli 2020

Two Weeks Notice. Edge of the World

Gisterenavond had ik zin in een luchtige vrolijke film waarvan je door het genre weet dat het allemaal goed zal komen. Ik kwam uit bij Two Weeks Notice met in de hoofdrollen Hugh Grant  en Sandra Bullock. Zij heeft de film geproduceerd, dus dan weet je ook dat het geen moetje voor haar was en ze geen dingen acteerde waar ze zelf niet achter staat. En Hugh Grant staat garant voor de ietwat onnozele zachtzinnige man die keurig stuntelend zich een weg door het leven baant.

Het genre, de wijze waarop zo’n film gemaakt is, je weet bij de beginscènes al hoe het verhaal vertelt zal worden. Met veel oude liedjes die nostalgie en eigen herinneringen bij je aansteken en inkijkjes in de bijna karikatuur- achtige levens van de protagonisten: in dit geval een steenrijke handelaar en bouwer van vastgoed in New York en een intelligente advocate van Harvard die met twee zeer idealistische linkse ouders van hetzelfde laken en  pak, gekozen hebben om al het onrecht in de wereld te bestrijden. Hij woont in een hotel waar hij ook de eigenaar van is, zij is vaak bij haar ouders in een klein rommelig flatje waar je in zes stappen bij de voordeur bent, telt Hugh Grant op het einde, als alles goed is gekomen en ze elkaar dan toch bekennen verliefd op elkaar te zijn.

Het gekke bij deze film was dat elementen van mijn realiteit toch binnen slopen: zij wil er  alles aan doen om het wijkcentrum op Coney Island dat zij al kent sinds haar jeugd van de sloop te behoeden en krijgt van Hugh Grant het aanbod dat, wanneer zij voor hem gaat werken, het wijkcentrum behouden blijft. Alles wat de waarde van zo’n wijkcentrum is, wordt kort uit de doeken gedaan: al  die gewone mensen die daar komen om elkaar te ontmoeten, vaak een leven lang, je ziet ze ouder worden: ik heb dat zelf zo mee gemaakt.

En dan is ze op een feest en speelt daar achter de piano een jonge Norah Jones, als zichzelf! Ik heb haar ontdekt in deze coronatijd en ben haar miniconcerten die zij vanuit huis geeft, de eenvoud waarmee ze achter de piano liedjes zingt, haar kwetsbaarheid die ze laat zien, gaan waarderen. En toen kwam in hetzelfde feestje Trump op, die ook zichzelf speelt. De steenrijke concurrent van Hugh Grant, die ook aast op de bouwgrond van Coney Island. Wanneer het bouwproject van Hugh niet doorgaat of te duur wordt omdat om het wijkcentrum heen moet worden gebouwd, dan zal Trump de rijkste van New York worden.

Ik kijk en denk eerst: ze hebben wel een goede Trump-vertolker gevonden, hij lijkt echt en dan zie ik bij de aftiteling dat zowel Norah Jones als Trump zichzelf spelen, de film is uit 2002. En ineens zitten de huidige exponenten van dat verdeelde New York en Amerika bij elkaar in een film op een feest. De ene is president van het land geworden, woont weliswaar nu in zijn gebarricadeerde witte huis, maar regeert als gekke keizer uit zijn TrumpTower bekleedt met rood pluche en goud in New York en de andere speelt nu thuis in datzelfde New York zachtzinnige liedjes bij een kale grijsblauwe muur.  Dan vraag je je af, hoe volstrekt maf het in dat hoofd  van Trump moet toegaan, dat hij in zo’n film waar goed en slecht langs de lijnen van rijk: hebberig en egocentrisch tegenover arm en opofferingsgezind met oog voor gewone mensen lopen, hij zichzelf wilde spelen. 

En vanochtend beluisterde ik het liedje Edge of the World  van Mary Chapin Carpenter. Zo’n liedje dat je met beide benen op de grond laat landen: ‘As if my heart found new ways to beat, I never felt that way before or since’, zingt ze. Het past bij deze coronatijd maar ook bij de luchtige film Two   Weeks  Notice, want verpakt in een romantisch jasje vertelt het toch over bewegingen van het hart: ergens op de rand staan van het voor jou o zo bekende en vertrouwde en kijken of je over je eigen rand kan duikelen naar nieuwe grond.


dinsdag 7 juli 2020

Deuntje... Once Upon a Time...

Gisteren hoorde je op het Journaal dat indringende je achtervolgende deuntje op de mondharmonica uit Once Upon a Time in the West, want Ennio Morricone de componist ervan is overleden. O, wat was ik destijds onder de indruk van deze film. Die geheimzinnige, zoekende sfeer met ook iets van dreiging, er dook steeds een man in het zwart op, dat eindeloos zoeken en wandelen door de woestijn en steeds dat melodietje, vragend met ook iets van hunkering en standvastigheid. En natuurlijk komt alles als een boemerang nog honderd keer versterkt terug door de clue, op het einde.

Dit deuntje past wel bij mijn gezoek om langzaam uit mijn eigen quarantaine te komen. Ik bevraag mezelf: hoezeer laat ik mij ook door angst leiden of is het toch een logische conclusie en handelswijze gebaseerd op feiten die gaandeweg blijken? Zo is voor mij nu het gegeven dat er bij de grote demonstratie  rondom Black Lives Matter in Amsterdam met zoveel mensen op een klein oppervlakte en maar één besmetting doorslaggevend dat ik mij nu wel weer enigszins onder de mensen wil begeven, maar dan wel in de buitenlucht. Het zegt mij dat de besmettingsgraad van het virus in Nederland laag is, er kwamen daar mensen van over het hele land.

Ik kijk naar geluiden uit de Viruswaanzin-groep en vind sommige argumentatie aardig schimmig. Alleen al de suggestie dat iedereen elkaar gewoon maar moet kunnen aanraken, hoe dat simpelweg  te rijmen met het naakte feit dat door afstand te houden het virus binnen de perken is gehouden? In een interview in Trouw geeft Willem Engel de interviewer gauw een hand: dat vind ik nou respectloos en ook enigszins gewelddadig. Filosoof René ten Bos, voormalig Denker des Vaderlands heeft een boekje geschreven waar hij met de letters van het alfabet de crisis behandelt. Het doet me toch denken aan een in de haast in elkaar geflanst boekje, zoals je een optreden verzint voor een bruiloft, en dan kies je ook nog eens zo’n lekker pakkende titel: De coronastorm. Hoe een virus ons verstand wegvaagde.

Niemand wil voor dom gehouden worden en iedereen wil lekker ontspannen zonder uitkijken kunnen leven. Zo’n titel, net als het woord Viruswaanzin doet beroep op onderbuikgevoelens, verpakt in een verstandig jasje en daarmee ongeveer de hele wereldbevolking en de Wereldgezondheidsorganisatie wegzettend als dom en niet goed geïnformeerd. De hoeveelheid mensen en know-how maar eventjes wegredenerend met een eigen visie. Voor mij is het doorslaggevende argument dat er écht wel wat aan de hand is rondom dit virus, dat de wereldleiders (daarnaar willen luisteren is volgens René ten Bosch ‘corona-fascisme’) geen enkele baat hebben gehad bij een lock down, gesteld dat je je economie wil behouden. De leiders die niet wilden luisteren, zoals natuurlijk Trump, die kampen met de grootste besmettingshaard van corona op de wereld. Dus er klopt toch écht iets niet in, eigenlijk heel elitair en cocon-achige denkwijzen die alles rondom corona bagatelliseren. 

Het is dat deuntje uit ‘Once Upon a Time in the West‘... het nog niet weten wat er precies aan de hand is, het volhouden als alles even niet licht en luchtig is. Goed kijken wat in jouw situatie verstandig is: Eigen verantwoordelijkheid nemen, zoals Rutte zegt: een zin die op zich zelf al zó haaks staat op elke notie rondom fascisme. Dus vandaag, zometeen, ga ik mij voor het eerst weer in een auto begeven als passagier, schuin achter de rijder en dan voorzichtig op een terras zitten. Dat komt nu ook wel heel goed uit, want vanochtend werd ik wakker van het drillen en boren aan mijn huis. Dat trilt dus letterlijk op de grondvesten, zoals corona dat doet, wereldwijd. En dan maar even niet kiezen om per se de tango te willen dansen, zoals een dame op het Journaal zei, maar dat deuntje blijven volgen, en ja ook, de spanning die daarin vertolkt wordt.


maandag 6 juli 2020

Promothea

Het grootste genoegen van de graphic novel in deze corona-tijd is: ‘What you see is what you get’, gecombineerd met altijd esthetisch genoegen. Ik bedoel hiermee het volgende: je kunt op internet naar kunst kijken, maar het is slechts beeldscherm. Nooit eerder dan de afgelopen maanden ben ik me bewust geworden hoe fijn het is om in de fysieke nabijheid van een  kunstwerk te staan en hoe ook die werken met elkaar interacteren, de wisselwerkingen van jezelf met alles rondom je, dan waart als het ware de geest van de kunstenaar of van het thema waaromheen een curator een tentoonstelling gebouwd heeft, rond.

In tegenstelling hiermee valt de graphic novel samen met zichzelf: het is precies wat het is en doet wat de bedoeling is. Je hebt een boek in handen waar tekst en beeld tezamen jou meenemen in het verhaal en de getekende werelden. En dat laatste is een land van onbegrensde mogelijkheden. Het is verbazingwekkend wat een tekenaar soms kan  doen op één pagina: de tijd schiet vooruit en terug in een  oogopslag, je ziet emotie op een gezicht, razendsnelle beweging en dan weer verstilling, Soms lees je braaf van links naar recht, maar het kan ook alle andere kanten uit, van boven naar beneden, of van een groots plaatje met daarin kleinere scènes, enzovoort.

En je weet dat het exact zo bedoeld is: dat jij met een boek op schoot bladert, stilstaat, terugkijkt, over een pagina in vogelvlucht gaat of tuurt op een detail in een tekening. Het boek dat dit fenomeen thematiseert, de mogelijkheden van je verbeelding en wat daaruit kan ontstaan is Promethea geschreven door Alan Moore en getekend door J.H. Williams III, met de beginzin: ‘If she did not exist... we would have to invent her.’ Het gaat over de verbeelding zelf, die telkens weer incarneert in gewone vrouwen, die in hun dagelijks leven hun verbeeldingskracht moeten inzetten en dan veranderen in de krachtige ‘godin’ die alles ten goede kan keren.

Nu incarneert ze in de  jonge wat onhandige vrouw, die door haar vriendin een in de kast zijnde lesbo genoemd wordt, maar ze is het daar niet mee eens. Ze probeert een werkstuk te schrijven over de verhalende functie van de verbeelding, maar het lukt niet zo. Dan neemt Promothea het over en introduceert haar ook aan andere Promothea’s, waaronder een dikkige vrouw van middelbare leeftijd. In het begin denkt ze dat ze alles droomt, maar dan  leert ze haar verbeeldingskracht zó te gebruiken dat ze zelf controle heeft wanneer ze haar gewone dagelijkse ‘ik’ is, of Promothea wordt.

Uiteindelijk stelt het boek heel fundamentele  vragen, waar in  de filosofie en de theologie eindeloos over wordt gedelibereerd: wat is belangrijker ‘Mind’ of ‘Matter’, wie wint het, het lichaam of de geest? In het laatste hoofdstuk worden alle kaarten van de grote Arcana van de Tarot beschreven onder de titel: ‘A mystic theatre of the mind’. Dit is een boek waar plaatjesrijkdom in de stijl van de mainstream Amerikaanse Comics,  samen gaat met een tekst en een verhaal dat universeel is.

zondag 5 juli 2020

Geen kerststal meer

Afgelopen week heb ik mijn permanente kerststalletje weggehaald. Dit blog is zo ongeveer begonnen met dat kerststalletje in 2007, toen berichtte ik het op te bouwen  en elk jaar werd deze ook iets groter en voegde ik er iets aan toe. Maar de laatste twee jaar niet meer, ik was met de kerst in Varanasi in India en afgelopen jaar was het voor het eerst dat er werkelijk niks ‘christelijks’ meer door mij gevierd werd. Dus het tafereel leeft niet meer zo voor mij. Of ik kan ook zeggen: het is helemaal geïnternaliseerd want ik kan het dromen, ook letterlijk. Ik was een keer in een landschap en praatte met mensen om mij heen en toen wist ik in mijn droom: ik ben nu in mijn eigen kerststal!

Wat mij vooral bijstaat is, dat daar ergens en dat was nog een aardige wandeling en klim naar boven, een groot warm licht was en we ons afvroegen wat het is. Dat daar een kind geboren was, dat wist ik nog niet. Dat heb ik ook altijd het leuke aan het kersttafereel gevonden: het speelt zich in de natuur af, in de geïmproviseerde geborgenheid van een stal en een sterrenhemel. Dat er een Redder van de wereld zou zijn geboren waarin je kunt geloven en waartoe je je kunt bekeren, dat heb ik gezien zijn einde, gestorven aan een kruis, altijd met een korreltje zout genomen.

Dus nu kon ik spullen in mijn huis herschikken en wat is er nu voor in de plaats gekomen? Twee op elkaar gestapelde berkenstammen met daarbovenop het stuk hout dat ik vond in de Beuningen uiterwaarden en die ik ‘de profeet’ ben gaan noemen, zij wijst met een arm naar boven en staat tussen kronkelige in elkaar verstrengeld ‘takkenbosje’ of anders een soort van brein. Nu leek het ook ineens op het Vrijheidsbeeld... Daarnaast staat ook op een boomstam van een boom die net buiten de achtertuin in het plantsoen heeft gestaan, oppaskind E. klom daar graag in, de dansende Chinese jongensmonnik. En er hangt een masker, gemaakt van een gordeldier en een gekleid hoofd, gekregen van een kunstenaar die ik op de lagere school geïnterviewd heb en die het liefst had meegewerkt aan de grote middeleeuwse kathedralen.

Toen bleek er nog een plekje te zijn op de berkenstam onder, voor een houten beeldje van een figuur die zowel Jezus met zijn heilige hart zou kunnen zijn, als een staande Boeddha op een Lotus. Op de grond dat lange dunne beeld van een Indonesische vrouw in sarong dat al in de vensterbank stond toen ik een peuter was. En er staat een kleine cactus op een console, die nog overgebleven is van de kerststal en  er zwemt tegen de muur een heel klein plat houten visje met daarin op ontroerend eenvoudige wijze wat palmboompjes gegrift met groeten uit Honduras, ik vermoed dat het een van de eerste visjes uit de vissenverzameling van ouders is. En op de grond de lichtgrijze stenen die vriendin W uit Nieuw-Zeeland bij haar meer verzameld heeft en meegesjouwd in haar bagage en die ik veel voor de meditaties is het klooster heb gebruikt, waar ik in het midden van de kring altijd iets mandala-achtigs neerlegde, takken, blad,  bloemen, stenen.

Deze mengeling van van-alles-wat gelardeerd met kerstverlichting met sneeuwballetjes past beter bij mijn huidige gemoed. En het leukst vind ik nu het blauw-bruine zijden handgeweven kleed uit India ervoor, gemaakt in Kasjmier en men gebruikt daarbij al eeuwenlang motieven die uit Perzië het land zijn binnengekomen. Afhankelijk van de vleug van het kleed en waar je zit en hoe het licht valt is het de ene keer heel lichtblauw en dan weer donkerder en bruiniger, het heeft de kleuren van mijn lievelingssteen labradoriet, ook veranderlijk van kleur; juist ja, zoals het leven zelf.

vrijdag 3 juli 2020

Stedelijk Gymnasium

Waarschijnlijk heb ik in de slechtste lichting van het Stedelijk Gymnasium gezeten die er ooit daar is geweest. Qua schoolaanbod dan. Dat ik veel gemist had, werd ik me al bewust toen ik in het eerste jaar theologiestudie vriendin W. leerde kennen, die smakelijk en met veel enthousiasme kon vertellen over alle schoolprojecten die zij op haar Gym had meegemaakt. Projecten, clubjes? ... ik had alleen heel saaie lessen gehad.  De Duitse leraar praatte alleen maar over voetbal, nooit over de Duitse literatuur, de aardrijkskundeleraar had als stokpaardje dat je écht niet hoeft te reizen om de wereld te leren kennen, Grieks en Latijn was alleen maar leuk toen er een invaller kwam, waardoor ik de Methamorphes van Ovidius heb leren waarderen. Net toen hij een project was begonnen over filosofen, waarvan ik meteen opveerde, was hij plotseling, onaangekondigd, verdwenen....

Ook nu komen er twee uitzonderlijke momenten in mijn herinnering  bij dezelfde leraar Nederlands. De eerste keer was, dat ik een opstel had geschreven over een vakantie naar Tunesië en hij  mij beschuldigde dat ik ergens vandaan plagiaat had gepleegd en een grote duim had en er nooit was geweest  want ik had het over de heel abrupte overgang van de woestijn naar een oase, van verzengend warm naar fris en groen en dat kon helemaal niet. Met foto’s heb ik toen zijn beschuldiging kunnen keren.

De ander keer was drie jaar later. Ik had een spreekbeurt gegeven over Constantijn Huygens. Ik was daar zelf zó enthousiast voor geworden dat ik daartoe zelf de universiteitsbieb had betreden en gedichten van hem uit oude boeken had opgezocht. Ik kreeg een voldoende en toen barstte U., die de hoogbegaafde van de klas was,  uit en begon te tieren, zó dat ik er zelf van schrok. Ze had het over discriminatie en dat deze spreekbeurt een negen waard was en dat ze het niet langer zou pikken en naar de rector zou gaan. Ter plekke veranderde hij het cijfer in een acht... Ik was allang opgelucht. En weer zie ik nú pas, hoe kleurenblind ik zelf was... ik wist niet wat ik met haar argument aan moest. 

Ik heb in de eerste klas één muziek- en voordrachtavond meegemaakt in de aula en dat was dus meteen ook de laatste, want de aula werd daarna omgebouwd tot twee klaslokalen. Voor de schoolreizen waren geen leraren beschikbaar, dus ook nooit meegemaakt. Het enige buitenschoolse culturele project was in de vijfde, toen de leraar Grieks het toneelstuk voor de jaarlijkse Gymfuif ging regisseren en daarin had ik één van de hoofdrollen, in Our Town van Thornton Wilder. Voor zoiets liep ik meteen warm. Ja, er was wel Roosjesdag en IJsjedag en de vossenjacht rondom de eindexamens en die jaarlijkse Gymfuif in de schouwburg... maar ik bedoel: iets cultureels ter verheffing van de Universele Geest (ahum) was ver te zoeken.

Deze mijmeringen komen terug omdat Nichtje L. gisteren haar diploma kreeg uitgereikt. Wegens corona konden alleen maar ouders aanwezig zijn, maar er was een live-verbinding op internet. Ik zie een aula aangekleed met prachtige grote bloemstukken en een designstoel waar elke leerling plaats mag nemen, op een scherm erboven twee foto’s van het kind dat de school betrad en eentje van veel later. Een ieder krijgt een toespraakje van de mentor. Mijn uitreiking speelde zich af in de oude gymzaal en ik herinner me geen enkele toeter of bel en mentoren die iets persoonlijks van je weten en je gevolgd hebben, die bestonden toen nog niet.

In haar klas hadden meerderen een  cum laude  diploma, en hadden al nationale en zelfs internationale prijzen in de wacht gesleept. Kinderen die zometeen meerdere studies  tegelijk gaan doen, van wie gezegd wordt dat ze altijd aanstaan, op zoek naar kennis en wetenschap, waarvan de mentor zegt dat de leerling de leraar heeft overstegen en tegen wie gezegd wordt dat het wel zeker is, dat iedereen in de toekomst nog wel wat zal horen van de desbetreffende. Met dan ook een keer een  zinnetje ertussen, bij zo’n veelbelovende, dat oog voor de directe omgeving een goede aanvulling zou zijn... Een jongen staat me bij, va wie de mentor zei nog nooit zo’n vriendelijk mens meegemaakt te hebben. Hij was lid van de Bahai, waar elke godsdienst gezien wordt als deelperspectief op dezelfde werkelijkheid, en hij  ging  zich nu eerst een jaar dienstbaar maken voor deze club. 

Nichtje zat stralend op de designstoel, ik zag ineens weer de zonnige en lachende en zingende kleuter van vroeger door haar gezicht heen schijnen. De mentor zei dat ze in staat is om mensen om haar heen te inspireren en dat hij niemand kende die zoveel mensenkennis had, ook over zichzelf; mooie eigenschappen als je pedagogische wetenschappen gaat studeren en dat denk ik ook, ze zal geweldig kinderen en jong volwassenen kunnen stimuleren en begeleiden. ‘De toekomst ligt voor je open, pak het op!‘, zo eindigde elk praatje, waarna elk een grote roos overhandigt kreeg en in groepjes van zes aan een lange tafel met 1,5 meter afstand van elkaar, het diploma ondertekend kon worden.

Daarna het slotakkoord met André Hazes door de luidspreker, ‘Het is voorbij, de koek is op’: alle leerlingen haalden bij hun ouders die verspreid over de hele aula zaten, een rood lint op die onder hun stoelen lag. Ze rolden het uit en brachten het naar voren naar één punt. Alle linten werden omhoog getrokken en zo ontstond er een overkoepeling, een tent waar de klas bij elkaar kon staan en er tegelijk ook verbondenheid was tussen allen. Mooi gedaan en verzonnen en wat spreekt zo’n gebaar ook over een goed schoolklimaat. Het Stedelijk Gymnasium van de afgelopen zes jaar, daar had ik het erg naar mijn zin gehad, Nichtje ook, geloof ik, en nu dus: De toekomst ligt voor je open, pak haar op!

donderdag 2 juli 2020

Why shouldn’t we. Alles is gezegend.

Gisteren werd mijn dag omspannen door twee liedjes. Het begon met Why shouldn’t we van Mary Chapin Carpenter met de beginzin: ‘We believe in things we cannot see, why shouldn’t we’. Dit liedje ademt, bijna letterlijk, geloof. En dat op een vanzelfsprekende wijze: we geloven in vrede in ons, in de hoop, dat we dingen kunnen die niet lijken te kunnen, waarom ook niet? Hier is geen sprake van ‘de geloofssprong’ zoals ik in de theologiestudie leerde, dat een mens ergens overheen moet springen of ergens in moet vallen om te kunnen geloven. Welnee joh: God is overal om ons heen, zingt ze.



En toen ging de bel om kwart voor acht in de ochtend, ik lag nog in bed en schoot me in de kleren, maar er was niemand meer bij de voordeur. Maar ik zag het al: men ging hoge steigers langs de huizen plaatsen om het cement opnieuw te voegen. Ik pakte de krant en las over een kerk in Lievelde, die ontheiligt zou zijn volgens de priester omdat er een DJ had gespeeld en er mensen in hadden gedanst. Alle dorpsgenoten stonden achter dit evenement dat ook gestreamd was, zodat je in de huiskamer mee kon doen. Maar nee, het was een zonde, het priesterkoor was ontheiligd en nu moest er een boeteviering plaatsvinden om alles weer recht te trekken. Wat voor godsbeeld en mensbeeld speelt hierachter? De priester als de heilige tussen het klootjesvolk, die zondige boetelingen weer zuiveren kan... Zucht.

Ondertussen werd het gehamer luider, ze kwamen dichterbij, een jongen belde aan: of de struik ervoor weg gehaald mocht worden, nou liever niet, en de klikobak en papierbak stonden alvast voor op de stoep. Ik besloot uit huis weg te gaan, want waar moet je je bergen tegen dat geluid van klinkend metaal tegen elkaar, veel mannen die ermee bezig waren, gehamer en geklop en een transistorradio? Niet in de tuin achter, want het regende. Dus ik fietste, ingepakt in regenponcho en mijn regenboog parapluutje dat ik ook mee had op Bali, en een rugzakje met boterhammen naar de waterplas. Het had wel wat: de week ervoor in tropische temperaturen en nu dit. Regen intensiveert mijn zintuigen. Ik maakte een lange wandeling langs de waterplas en het Wijchense Ven, het klaarde op en op het einde  van de rondgang lag ik alweer met half ontblote buik naar de waterskiërs en kanoënde kinderen te kijken.

Op de tv M vanuit Carré met publiek, het was ook Keti Koti: de dag waarop de afschaffing van de slavernij herdacht wordt. De mensen aan tafel werden uitgenodigd om ronduit te dromen: wat is het goede dat de corona-tijd heeft gebracht? Typhoon zat aan tafel die ook gesproken had bij de herdenking in het Oosterpark in Amsterdam, zijn woorden klonken ook in het journaal: ‘Wees moedig in je ongemak, wees welkom in onze generatie’. Gewoon blijven geloven in een ommekeer, terwijl de tweede kamer in heftig debat was verwikkeld omtrent de kwestie of er een officiële spijtbetuiging zou moeten komen voor het slavernijverleden. Vooralsnog niet.

Maar Typhoon zong Alles is gezegend en maakte de cirkel rond met dat eerste liedje van de dag: 'Alles is gezegend, misschien komt alles goed. En alles heeft een reden, al weet ik vaak niet hoe... Ik ben niet alleen ik tel de stappen in het zand en het strand roept de zee.'

Dat doet me denken aan Jezus die in het zand schreef, te lezen in het evangelie van Johannes, hoofdstuk 8. De schriftgeleerden komen naar Jezus toe met een vrouw, die op heterdaad betrapt is terwijl zij overspel pleegde en  die volgens hen gestenigd moet worden. Maar Jezus schrijft tot twee keer toe met een vinger op de grond en zegt: veroordeel niet.

We zullen inspiratie krijgen van kunstenaars, dichters en zangers, de priesters van nu zijn de schriftgeleerden van vroeger, waar Jezus tegen in opstand kwam. We zijn de miljoenen zandkorrels en we vormen samen het strand en wij roepen de zee, kom naar ons toe, strek je uit! Die zee, archetype van onrust, woestheid en wat niet te controleren lijkt. Maar wij kunnen de zee naar ons toe roepen, we kunnen deze zegenen en laten rusten en laten aankomen op onze stranden; Alles is gezegend. Why shouldn’t we?