zaterdag 18 juli 2020

Drie kleine courgettes

Het onherroepelijk voortschrijden van de tijd... in de gezichten en het voorkomen van mensen, de sterfelijkheid die binnen sijpelt... Ik zag de Singer-songwriter en acteur Kris Kristofferson, die vooral toch die blakende jongeman is gebleven in mijn hoofd, maar nu lijkt op een oude eik die op instorten staat. Hij schreef het lied waar Janis Joplin beroemd mee is geworden Me & Bobby McGee met daarin de woorden: Freedom is just another word for nothing left to lose... maar uiteindelijk heb je altijd het meest kostbare te verliezen: je leven zelf en hoe en wanneer, je hebt geen idee en er geen controle op.

Vrijheid is dus iets wat je ‘in between’ kunt leven en ervaren. Tussen alles door, in korte momenten op een dag... zomaar,  en voor mij heeft het veel te maken of je de vrijheid kan creëren om je te verbinden met anderen, niet bevangen door angst of negativiteit. En verbinding heeft tegelijk onlosmakelijk een rare, op het eerste gezicht tegenstrijdige component bij zich van juist ook de ander los kunnen laten en niet willen vangen in eigen oordelen en veronderstellingen.

Wat een gedachten zo, voor de zaterdagochtend en dat terwijl ik alleen wilde vastleggen dat er op mijn tafeltje buiten nu drie jonge courgettes liggen, twee gele en een groene. Nee, niet geoogst uit eigen tuin want mijn courgette bleek een pompoen te zijn. Ik ging een paar dagen geleden naar het tuincentrum om nog wat kleurige buitenbloemen te scoren, want alle geraniums hadden hun beste tijd gehad. Ik hoopte op petunia’s , maar aangekomen was het er een kale en rommelige bedoening, bijna alsof ze in verbouwing waren of dat een storm alle kramen half had verfomfaaid.

‘Wat is hier aan de hand?’ vroeg ik aan hem die ik nog ken met donkerbruin haar en nu geheel grijzend is. Nou er was niks aan de hand, behalve dat ze bijna uitverkocht waren. Nu in de corona-tijd ging alles anders: kwekers die zorgen ervoor dat als het vakantie wordt er niks meer is, want dan wordt er niks afgenomen, maar nu zijn heel veel mensen thuis en ze zitten in de tuinen en...‘Ja vertel mij wat’, reageerde ik, ‘het klopt: anders was ik ook niet meer gekomen. Dan denk je inderdaad: ik ga zó weg, dus nu niks nieuws meer in de tuin zetten’ En zo zag ik ineens zo’n ketentje waar je een deel van bent, je verwacht in de zomer dat er altijd kleurige bloemetjes te koop zijn, maar het is  niet de natuur die dit regelt, het is de kweker die er controle over heeft.

Ik scharrelde toch nog iets bij elkaar en hij, ik ken zijn naam niet eens, zei dat er vrijdag misschien nog wat binnen zou komen, maar wat en hoeveel, daar had hij geen idee van. ‘Aha, dan kom ik misschien nog wel terug, O, en dan nog iets: ik kom een klacht indienen!’ ‘O, ja, wat dan?’ Dus ik vertelde hem een kiemplant meegenomen te hebben uit een bak met  een naamplaatje courgette, maar dat er nu een pompoen door de tuin aan het kruipen was, in plaats van een grote centrale courgetteplant. Kan ik nou niet een beetje korting krijgen, dan?‘ ‘Nee, daar kan ik niet aan beginnen, ik ben ook maar werknemer hier, maar weet je wat: als je vrijdag weer komt, dan neem ik een courgette voor je mee, uit mijn eigen tuin.’ 

En zo is het gekomen dat ik toch drie jonge courgettes heb. Ik had gezegd dat ik misschien nog kwam en ik liep het terrein op en hij zei meteen: ‘Ah, daar ben je, als je nog even blijft dan ga ik de courgette nu halen.‘ Hij bleek aan de overkant te wonen. En wat heeft dit te maken met mijn mijmering aan het begin? Nou ja, alles. Hoe je op afstand toch met iemand ouder wordt en dat je tussen alles door iets van verbondenheid kunt maken. Het had helemaal niet gehoeven, die drie kleine courgettes op mijn tuintafeltje, maar ze zijn er wél, een onverwachte oogst: And buddy this was good enough for me, Good enough for me and Bobby McGee. 

vrijdag 17 juli 2020

Superhelden. Exit Wounds. Rimpels. The Park Bench

Er is het hele  Amerikaanse DC & Marvel-universum dat ik in toenemende mate fascinerend vind omdat het vol superhelden en schurken en ‘tussenwezens’ zit en deze ergens rechtstreeks naar onze eigen aspiraties en geschiedenissen verwijzen: Superman is een immigrant en Batman & Batgirl hebben een gehavende en getraumatiseerde jeugd en hullen zich in het beest waar in deze eeuw de pandemieën vandaan komen, Sars, Meers en het Coronavirus ... Alsof ze representeren dat goed en kwaad, de wereld willen verlossen, samengaat met ziekte en pijn, en niks zuiver is. 

Er is Wonder Woman die van de Amazones afstamt en Swamp Thing, een groen iets uit de natuur met bewustzijn en The Flash, die sneller kan gaan dan de tijd... Ik wil ze allemaal wel een beetje leren kennen. Het interessante is ook dat talloze vertellers en tekenaars er in de loop van soms meer dan 75 jaar, er nieuwe verhaallijnen en interpretaties aan toevoegen. Zo kan  Wonder Woman vooral alleen een zeer aantrekkelijke en wulpse vrouw zijn met superkrachten, maar ook een icoon zijn van het feminisme en een dialoog aangaan met Shiva, de veranderlijke God/Godin uit het Hindoeïsme. En het universum blijft zich evalueren, er komen nieuwe wezens bij, sommigen gaan dood en kunnen ook weer  verrijzen. 

Maar er zijn ook graphic novels die zich in de ‘gewone’ werkelijkheid afspelen, ze zijn realistisch en bieden in weinig pagina’s letterlijke inkijkjes, waarbij niet veel woorden nodig zijn en de schrijver en tekenaar een en dezelfde is. Ik ontdekte Rutu Modan; zij is een illustrator en cartoonist uit Israël en werd in 2005 door de ‘Israël Culture Excellence Fundation’ gekozen als uitzonderlijk kunstenaar van het jaar. Ik las Exit Wounds, een ontroerend verhaal waar een persoonlijk drama zich mengt met het gewelddadige dagelijkse leven in Tel Aviv. Getekend in de stijl van Hergé, met milde kleuren.

En ik vond Rimpels van de Spanjaard Paco Roca. In honderd pagina’s in een handzaam formaat krijg je alles mee van het leven in een verzorgingstehuis en hoe het kan zijn om verward te zijn door Alzheimer.  Een illustratie van de kracht van de graphic novel: in de eerste vijf pagina’s zit je al in het hoofd van de hoofdpersoon, die directeur was en nu door zijn twee kinderen in een verzorgingshuis wordt geplaatst, zijn aankomst en de herinnering aan de eerste dag op school en dat hij naar huis wil. Zijn kinderen op het kantoortje van de intake die te horen krijgen natuurlijk altijd welkom te zijn, maar zelf zeggen dat het er misschien niet veel van zal komen omdat ze zo druk zijn.

En dan is er nog het mooi getekende boek in zwart-wit van de Fransman Chabouté: Park Bench. Juist ja: over al het leven rondom en op een bankje in het park, zonder woorden. Ik dacht dat zelf weleens in de koorbanken van de kapel in het Kapucijnenklooster: als dat oude geschilderde paneel met die man erop uit de 16e eeuw zou kunnen spreken, wat zou het kunnen vertellen over al die kloosterlingen die hier in de loop der eeuwen zaten in hun bruine pijen? En nu zit daar dan heel regelmatig een vrouw in burgerkleding en ze bewoont een kamer in het klooster... En ook dat ging voorbij. Zoals dat geldt voor alle mensen rondom dat bankje.

donderdag 16 juli 2020

Leve appeltjesgroen!

Het valt natuurlijk onder komkommer-nieuws, dat het zelfs het Acht Uur -Journaal haalt: de bewoner van het appeltjesgroene huis in Den Helder moet haar huis overschilderen, zo heeft de rechter bepaald. Omringende bewoners vonden de kleur niet mooi, ze had wel al toestemming om haar huis groen te schilderen, maar deze kleur was te fel uitgevallen. Bizar. Was er maar een andere bewoner, die haar huis vervolgens roze had geschilderd en dan een aantrekkelijk artikel erover in een Woontijdschrift ofzo, dat dit een uitzonderlijke wijk aan het worden was en dan waren er vast ook huizen blauw en geel geschilderd en dan zou je het effect kunnen krijgen zoals op Burano in de lagune van Venetië, waar de pastelkleurige huizen een toeristische attractie zijn geworden.

Wat hangt hier toch een ontzettend Nederlandse aardappelgeur en grijze muizen mentaliteit omheen. Dat ook de rechter de gemeente en de bewoners eromheen gelijk geeft. De mevrouw die haar huis appeltjesgroen heeft geschilderd is 82 jaar en had tevoren al aangekondigd dat ze in hoger beroep zou gaan, als de uitslag voor haar negatief zou zijn. Misschien denkt ze: wat kan mij het schelen, ik ga door tot mijn laatste snik, leve appeltjesgroen! Dat hoop ik, dat ze daar lol in beleefd en niet verbeten haar strijd voert en het lol uit haar leven haalt.

Natuurlijk denk ik dan aan mijn eigen ‘strijd’ van meer dan tien jaar met de woningbouwvereniging en vooral één boze buurman,  over mijn mussenkolonie. Vaker dacht ik toen: verdorie, had ik maar een koophuis, dan kon ik doen en laten wat ik wilde, maar nu zie ik dat dit dus niet het geval hoeft te zijn. In mijn geval zijn het waarschijnlijk ook de omwonenden geweest, die bij de woningbouwvereniging zijn gaan klagen, want tenslotte kon het huis eerst overwoekerd zijn geweest van de klimop, zij taalden er niet naar. De ‘boze buurman’ heeft ondertussen wél een vogelbadderplaats in zijn tuin en ‘de aardige buurman’ die opperde dat de klimop op het dak brandgevaarlijk is, hij heeft het huis gekocht, en die waarschijnlijk dus óók de woningbouwvereniging heeft getipt, die meldde dat hij de hele winter elke week wel 15 euro heeft besteedt aan vogelvoer; het lijkt een soort van boetedoening....

Omwonenden hebben dus invloed en macht of je nu in een koophuis woont of huurt. Misschien dat bij ‘huren’ er sneller actie wordt ondernomen en bij ‘kopen’ je toch eerst een hele buurt bij elkaar moet lobbyen en ook de gemeente, wil je een verandering middels een rechtszaak kunnen bewerkstelligen? Ik denk nu terug aan mijn ouderlijk huis, dat bestond uit twee aaneengesloten rijtjeshuizen, die ze doorgebroken hadden. Best geinig, we hadden  dus twee trappen waarmee we op de eerste verdieping kwamen. Toen zij het huis wilden verkopen kwam er het bericht dat er een groep geestelijk gehandicapten zou komen te wonen, het was daarvoor een ideaal huis omdat het zo makkelijk brandveilig gemaakt kon worden en er op de benedenverdieping plek voor een huiskamer was in het ene huis en een kantoortje in  het andere in de voormalige studeerkamer van mijn ouders. Ik vond dat wel leuk.

Ik was toen beheerder in een wijkcentrum daar in de buurt en wij deelden dezelfde wijkagent. En deze kwam mij vertellen dat de bewoners eromheen een petitie aan het voorbereiden waren om de koop tegen te gaan, ze waren bang voor waardevermindering aan hun huizen en overlast, als er geestelijkgehandicapten kwamen wonen, hij had al  met meerderen gesproken.  Belachelijk vond hij het, maar het was vertrouwelijke info, mijn ouders mochten er nog niks van weten...Uiteindelijk is de petitie niet door gegaan en de koop gesloten. Hoe één wijkagent waarschijnlijk zijn invloed heeft doen gelden, door wellicht te opperen dat een rechtszaak hieromtrent niet zoveel zin zou hebben?

Ik weet het niet... was het mogelijk geweest dat een rechter in dezen, de omwoners in het gelijk had gesteld, zoals bij het appeltjesgroene huis?  Je mag hopen van niet...En is er hier geen sprake van kleurendisciminatie? Colours Matter!

woensdag 15 juli 2020

La Casa de Papel

Vorige week, de eerste totale regendag in de corona-tijd, ben ik overdag tv gaan kijken. Dat doe ik nooit, die tijd reserveer ik voor ergens na het Acht Uur-Journaal en dan ook niet elke dag. Een soort van indeling of ordening op een dag, als je tijd onbeperkt is en je op één plek verblijft is prettig. Dat heb ik van mijn kloostertijd overgehouden: een verandering van focus en activiteit houdt de jus erin. Een goede oefening buiten het klooster was mijn tijd in India in Mahabalipuram, toen ik niet wist wanneer ik het land weer kon verlaten.

Maar nu had ik een nieuwsgierigmakend artikel gelezen over Álex Pina, een Spanjaard die nu voor Netflix White Lines heeft gemaakt, maar door gebroken is met La Casa de Papel en die ben ik gaan bekijken en dat werd de hele dag en avond binge-watching en sindsdien hoef ik niet te zoeken naar iets wat ik wil zien, ik popel om verder te kijken, maar na vanavond heb ik alle vier seizoenen bekeken. Onlangs berichtte hij dat een vijfde seizoen in de maak is, vanuit een hangmat.

La Casa de Papel, op zijn Engels The Moneyheist gaat in de eerste twee seizoenen over een roofoverval in de Munt van Madrid, waar de euro-bankbiljetten worden gedrukt: de perfecte overval, biljoenen buit maken door zelf het geld te drukken en niemand wordt zo schade berokkend. Het geheel wordt verteld door Tokyo, een van de bendeleden onder leiding van ‘De Professor’, een intellectueel type die zijn halve leven al bezig is om dit plan dat door zijn vader verzonnen is en die bij een overval om het leven is gekomen, te vervolmaken. De bendeleden die niks van elkaar mogen weten of persoonlijke relaties met elkaar mogen aangaan, worden vijf maanden getraind en hebben de namen van steden. Berlin, de jongere broer van de professor wordt de leider binnen in de Munt, en er zijn daar Denver, Moskou, Nairobi, Rio, de broers  Helsinki & Oslo.

De serie is spannend en houdt je op het puntje van je stoel, niet door alle actie, die er natuurlijk ook is, maar door alles wat er gebeurt aan emotie tussen de bendeleden onderling en de gegijzelden binnen en de onderhandelingen tussen de inspecteur, een vrouw met een dochtertje, met een ex die gewelddadig was en tegelijk de beste sporen-onderzoeker is en de professor. Binnen de Munt draagt iedereen rode overals en een masker van Dali, ze gaan zich gaandeweg de ‘resistance-groep’ noemen, krijgen de sympathie van de bevolking door hun Robin Hood-uitstraling. Veel wordt verteld  door middel van flashbacks, door Tokyo, de Massarati onder de vrouwen, wordt ze later genoemd, recalcitrant, ambitieus en gedreven, maar natuurlijk tegelijk met het hart op de goede plek, zoals de gehele bende.

Er zitten veel liedjes in de serie, het beginlied blijkt alle vier de seizoenen te dekken en Bella Ciao, een Italiaans volksliedje tegen het fascisme heeft een wereldwijde opleving gemaakt, want de serie is wereldwijd door 34 miljoen mensen bekeken, het blijkt een hit te zijn van Netflix. Helemaal terecht en weer zie ik bevestigd wat ik ook in graphic novels en comics zie: verhalen zijn niet meer gebonden aan één genre: of drama, of humor of thriller en actie of tragedie of beschouwend en zingevend:  alles vermengd zich en gaat in een razend tempo van het ene in het andere, van straalharde actie naar zelfreflectie, uitbundigheid en weemoed en je hoopt steeds op een goede afloop ten gunste van de bende, maar de serie zegt ook:  Zo zit het leven niet in elkaar.


dinsdag 14 juli 2020

Baltic Comic Magazine. Op het strand

Gisteren tot ver in de avond bij de waterplas, ook om het vreemde luchtje in en rondom huis te ontvluchten. Nu hangt er nog vaag ‘iets’. Sinds mijn  quarantaine-tijd, waar ik écht alleen maar mijn eigen achtertuin zag en ongeveer met niemand gesproken heb, wat op zich ook een merkwaardige andersoortige intensiteit gaf, geniet ik nu bewust van mensen om mij heen.

Om samen met anderen in een natuurlijke, fysieke omgeving te zijn  je ze echt, zintuiglijk waarneemt, dat is een andere sensatie dan de waarneming met je innerlijk oog als je een boek leest; het leven voltrekt zich ter plekke. Naast mij, op gepaste afstand kwam een familie met twee kinderen zitten, die werkelijk een wereld voor zich uitstalden: stoeltjes, een parasol, een levensgrote opblaasbare tijger, badhanddoekjes, zwembandjes. Hoe deden ze dat, deze toegang is niet met de auto te bereiken.  Vader hijste alles op een Oosterse wijze op zijn fiets, alles puilde uit en wankelde, toen ze wegfietsten. Moeder ging rond etenstijd tot twee keer naar een friteszaak, de eerste keer kreeg ze niks mee, een eigen invulling van een corona-maatregel? Op haar mobiel dacht ze erover om pizza’s te laten bezorgen op het strand of iets van thuis afgehaald. Maar ze stapte voor de tweede keer op de fiets en toen ging het naar frikandellen en friet ruiken.

Gedurende de dag kwam er een transgender-vrouw zwembandjes lenen voor het kind waar zij op paste, ze waren wel bekenden, ik hoorde een zware mannenstem, maar zag een vrouw met een rose t-shirt, borsten en een strooien hoedje met bloem. ‘We zijn op de wereld om elkaar te helpen, nietwaar?‘, was haar terugkerend motto. In de avond kwamen er drie meisjes met een hoofddoek en die gingen een waterpijp roken, twee andere vrouwen met eten en wijn, een jongen hees zich in een rubberen pak en zwom de waterplas rond; voor mij is dat echt genieten, zo’n plek waar verschillende leefsferen bij elkaar komen.

Ik had Kus! bij me, dat is het Baltic Comics Magazine, het heeft het formaat van een iets grotere Dwarsligger en wordt met veel zorg gemaakt, ieder boekje heeft een eigen daarbij ontworpen boekenlegger. Ik vond het heel opwindend toen ik ze ontdekte: dat daar in  Letland in de Baltische staten een uitgeverij is, die alternatieve comic-artiesten, op internationale schaal in handzame boekjes een podium geeft. En dat je het gewoon kon bestellen op hun website bij Kushcomics. Naast het tijdschrift zijn er ook kleine verhalen van 28 pagina’s. Ik bestelde er enige en van het tijdschrift een aanbieding met vier nummers, o.a. #23 met vier verhalen over de geschiedenis van Letland gebaseerd op historische documenten en #37 ‘Down Down Under’ vol Australische kunstenaars.

Het hele pakketje, je betaalt geen verzendkosten, kwam compact in een A5-formaat bubbeltjes-enveloppe en het idee dat dit vanuit Letland dan bij je voordeur komt; ik vroeg me af of dit goed zou gaan. En misschien ging het ook bijna mis, want het paste net niet door mijn brievenbus en ik zag het liggen op mij groenten-groene klikobak. Ze zijn prikkelend om te lezen en te bekijken, op een zomerdag in de zon en bij het water, omdat er zo’n variëteit in één nummer zit, ideaal.

maandag 13 juli 2020

Woonsituaties & ooievaars

Er hangt in mijn huis een raar chemisch luchtje. Vermoedelijk gebruikt om oud cement los te boren. Wat een geluk dat ik vrijdagochtend hier vertrok naar  de boerderij. Want voor en achter zijn alle voegen los getrild en bij thuiskomst hing er een grijze waas om het hele huis en op de aarde en de planten in de tuin. En dan krijg je echt een perspectiefwisseling: ineens vond ik mijn huis binnen een hol vol rommel, ik dacht even: alles eruit, zo weinig mogelijk erin!

Dat komt ook van een weekend op de boerderij, omdat dit mij altijd in een kloosterstemming brengt. Het is er ruim, een moestuin waarin ik vanzelf onkruid ga wieden, genietend van de kleur en vormen van de gewassen, er vloog een Atalanta-vlinder met mij mee, een grote zonnebloem bloeide al, overal Oost-Indische kers en in de kas was het bij een regenbuitje en kou behaaglijk toeven terwijl ik een stripboek las. Zoals in een tent: kamperen zal ik dit jaar niet mee gaan maken waarschijnlijk, het gekletter van regen zo vlakbij, zoals ook op Bali op het terras. In plaats van de geur van vruchtbare aarde, was er hier de geur van basilicumplanten en die typische doordringende tomatengeur, waarbij ik altijd denk aan nachtschade en bloedrood.

De grootste attractie waren de ooievaars die ik pas na een dag ontdekte. Ik had ze al twee keer laag zien overvliegen, maar zag geen nest. Die ooievaren hadden een paar jaar geleden uit zichzelf een nest gebouwd halverwege een door een storm gebroken populier. Het jaar erop was de hoogte een stuk gezakt, de stomp was over, maar ze kwamen toch terug en bouwden daar hun nest op. Maar nu keek ik naar de populierenrij en zag geen stomp meer. Ik dacht: nog even van het uitzicht genieten voordat ik ga koken en toen hoorde ik het klokkende geluid van een ooievaar, tóch uit die richting. Ik pakte de verrekijker erbij en warempel: de stomp was nog lager gezakt, stak net boven de struiken uit en daar stonden twee ooievaars.

Ze stonden in de steeds rozer wordende avondschemering, eerst stil naast elkaar. En toen begonnen ze in elkaars verentooi te pikken net hun lange snavels, tegen elkaar aan te schuren, de lange halzen rondom elkaar... het keek wel een liefdesdans. Al dagen kijk ik naar de opspringende zalmen en de beren die erop jagen bij de rivier en waterval bij een rivier in Alaska, maar nu keek ik écht ‘live’, buiten met een zware verrekijker in beide handen. Ik vergat de tijd en keek totdat de schemer bijna donker was, een soort van celebratie op het leven en pas rond half elf kookte ik mijn spaghetti. 

Ook de fietstocht naar huis was heel aangenaam, iets meer alleen maar bergje afwaarts en niet het vals-plat, zoals dat dan heet, van de heenweg. Het is toch net buitenland, met uitzicht op stuwwallen, langs maisvelden en koren, door het bos en plukjes heide. En dan kom je steeds meer bij de stad en dan vereng je je blik weer naar huizen, stoplichten, zebrapaden, voorrang krijgen of verlenen, een  weg met auto’s en het fietspad ernaast.

En hier thuis moet ik terug naar het India-perspectief: overal rommelig en barstensvol, maar wel piepkleine deelwereldjes bouwend, met godenbeelden tussen de wirwar van elektriciteitsdraden boven een computer, afval en een rondstruinende koe vlak voor de tempelingang, enzovoort. Ik ruik wel veel de liever natuurlijke, organische luchten van India, dan dit vreemde chemische luchtje van nu. 
Ik tel wel bijna twintig mussen in de toppen van de bamboe midden in mijn jungletuin en ze zijn stil. Zouden ze ook last van die geur hebben in hun nesten tegen de zijkant van het huis? 

vrijdag 10 juli 2020

Onderweg

Zo. Dat geeft een voldaan gevoel: ik ben  in één uur en veertig minuten van mijn huis naar de boerderij in Kranenburg gefietst, met ook nog languit in het bos liggen. Dat voelt aan als sneller dan het openbaar vervoer dat via het centrum van Nijmegen gaat. Terwijl ik nu grotendeels fietste door het bos en langs weilanden langs het oude spoor van mijn stad naar Kleef, nu voor recreatief gebruik vanaf  Groesbeek met een soort van trap wagonnetjes.

Ook vandaag was het een beste dag om weg uit huis te gaan, want weer werd ik wakker van getril en geboor. Het leek bij de buren te zijn, maar het bleek ook aan mijn eigen schuur, waar de druivenstruik en passiebloem nu grijs was van het oude cement. Ik zat er met mijn neus in omdat ik buiten mijn tuinhek voor het eerst mijn nieuwe fietstassen achter op mijn fiets bevestigde. Binnen de tassen tot de nok volgepropt, met slaapzak, kleren en proviand: in Duitsland ben je verplicht een mondmasker in een winkel te dragen, liever vermijd ik een winkel, al heb ik toch mijn zelfgemaakt mondmasker meegenomen.

Alles lukte: wat een fijne fietstassen, blauw van Vaude, milieuvriendelijke gemaakt enzo en met het pak-en click systeem, de enige in haar soort: dat je de tassen zó van de fiets kan halen, heel handig dan kun je ze binnen als een rugzak volpakken en bij aankomst eraf en de ene uitladen bij de koelkast en het aanrecht en de andere bij het bed. En het was stabiel fietsen, ook op een stuk dat onverhard was.  

Onderweg dacht ik veel aan Broer, die voor een week het ziekenhuis ingaat. Jaren geleden genezen verklaard en nu bij de jaarlijkse controle...helemaal onverwacht...wat is het toch een machteloos en hard gelag, dat je als mens volkomen afhankelijk bent van het wel of niet functioneren van je eigen lichaam... De coronatijd maakt dit ook zo duidelijk. ‘Heel veel aan je denken, duimen, kracht naar je zenden.’  vroeger zei men dan vanzelfsprekend: ‘ik ga voor je bidden.’ Ik heb het altijd gewaardeerd als iemand dat tegen me zei, of het helpt doet er helemaal niet toe...

Er is zelfs iets in mij, dat het niet beter kan uitdrukken dan zo. Omdat je er iets van je intentie uitdrukt dat je alle krachten van het universum wel zou willen kunnen bundelen en die aan iemand zou willen geven. Zeggen dat je ‘veel aan iemand zult gaan denken’ is eigenlijk zo’n slappe hap... Broer hield als tiener van de muziek van Angelo Branduardi. Vooruit, al die muziek, want muziek is ook levenskracht, naar hem toe! Bijvoorbeeld het liedje Si puo fare: Je kunt het doen. Er zit een soort van vrolijk marstempo in, maar ook iets onvermijdelijks: je kunt niet anders.  De paden op, de lanen in... Altijd en overal.