woensdag 29 juli 2020

East of West. CHEW. Trillium

Vandaag komen er twee nieuwe graphic novels aan. Je weet het nooit, als iets niet op voorraad is of het is tweedehands: bij de laatste komt het soms meteen, zelfs al twee keer met eigen hand door mijn brievenbus geduwd, heel vroeg in de ochtend. Bij de andere is er een beloofde  levertijd bij bol.com. die soms de hele periode duurt tot de uiterste datum. Het is verrassend hoeveel ze blijken te hebben, maar waar van de wereld ze het moeten halen, ik weet het niet. Als ik bij Bookdepository iets bestel, dan kan het soms meer dan een maand duren, maar uiteindelijk bereikt het wel jouw voordeur.

Dan maar even drie graphic novels hier noemen, die bij mij vallen onder de categorie: ’Amerikaanse Comics: nieuwsgierig geworden door thema en tekenwerk’. De eerste is East of West, The apocalyps: year one, van Jonathan Hickman, getekend door Nick Drogotta. Veel tekenaars beginnen hun carrière bij Marvel of DC en moeten zich dan voegen in de tekenstijl die er al is en hopen ooit onafhankelijk zelf een stijl en een wereld te kunnen ontwerpen. In dit boek is dat voor het eerst zo voor hem en hij is weer geïnspireerd door een manga-tekenaar, waar ik ook een boekje van heb aangeschaft.

De voorkant ziet er wat gewelddadig uit, een man met een revolver, en ja, het gaat ook over de verbeelde eindtijd van de wereld not the one we were supposed to have, but it is the one we made, is het motto. Er zit het thema van vier mannen ter paard in en witte figuren, zoals ze ook in de Bijbelse apocalyps, de openbaring van Johannes voorkomen. Ik ben deze gaan overlezen en toen ontstond er een aparte gewaarwording: het is een gekke en heftige tekst, maar de beelden daarbij waren tot nu toe middeleeuwse miniaturen en schilderijen en nu ineens kwamen daar sci-fi beelden bij.De aloude strijd tussen goed en kwaad en het boek eindigt met een robotachtig wezentje dat tussen de zonnebloemen naar de horizon loopt: We have to destroy this aweful, aweful place...and than build something better. Maar dat ga ik niet meemaken in jaar twee en drie, voorlopig tenminste, zolang er nog zoveel andere boeken zijn. Een sequel is toch ook vaak ingegeven omdat deel één een commercieel succes was.

CHEW  is het tweede boek, puur om het originele gegeven aangeschaft: het gaat over Tony Chu, die een ‘cibopathic’ is: als hij iets eet dan ziet hij alle omstandigheden van het gegetene: bijvoorbeeld een banaan, van welke boom uit welk land, hoeveel pesticiden er in gebruikt, hoe het vervoerd is. Of van vlees: de verschrikkelijke omstandigheden van het levende dier... dit maakt hem tot een speciale onderzoeker bij misdaadzaken. Zelf eet hij dus zowat niks, dat is niet te doen, alleen bij bieten krijgt hij geen beelden.

De schrijver John Layman heeft met dit idee lopen leuren, het is ontstaan vanuit kritiek tegen de bio- en voedselindustrie, en toen hij dan eindelijk een uitgever vond waren beide behoudend of het zou aanslaan. Maar ook dit groeide uit tot een goedlopende serie en kreeg in 2010 een Eisner-Award voor beste nieuwe serie, dat is als een Oscar in de filmwereld. Informatief is ook de zoektocht naar de juiste tekenaar, want de sfeer moest niet te donker worden, er moest een lichte ironie in aanwezig blijven en dat is gelukt met de tekenaar Rob Guillory. Ook hier hou ik het bij ‘The Omnivore Edition Vol. 1’, waar hij op het eind zijn eerste date heeft met een culinair journaliste wier woorden zo krachtig zijn, dat mensen proeven wat ze schrijft. De ideale match voor Tony, want nu kan hij eindelijk eten proeven. En zij staat haar mannetje in de misdaad waar ze door Tony in getrokken wordt, door over weerzinwekkend eten te praten  zodat de vijand kotsmisselijk wordt en moet overgeven. Ik vind het heel grappig verzonnen.

Tot slot Trillium geschreven en getekend door Jeff Lemire, uitgegeven bij Vertigo, ook een grote speler in het veld van de Amerikaanse comics. Voor schrijvers geldt hetzelfde als bij tekenaars: velen beginnen bij Marvel of DC en schrijven dan nieuwe verhaallijnen voor bestaande superhelden,  maar willen het liefst met iets eigens komen. Jeff Lemire is dat gelukt met o.a.de serie Sweet Tooth, een hybride jongetje tussen mens en dier,een intrigerend gegeven, maar ik schafde maar eerst dit  ‘stand-alone‘ verhaal aan, waar een jongen uit de eerste Wereldoorlog en een meisje uit het jaar 3797 die elkaar bij een Inca-ruïne ontmoeten en wier levens ook letterlijk met elkaar gemengd worden. Ook hier is het de mix van verbeelde tijden en  de zoektocht naar menselijkheid, dat mij boeit.

dinsdag 28 juli 2020

Zomergast Inez Weski: een deel van de keten

Het fragment dat me het meest is bijgebleven uit de Zomergasten met strafadvocaat Inez Weski, en dat mij ook bij zal blijven, is dat met de kleuters die in twee panels van drie een wedstrijd met elkaar aan gaan wie het meeste weet. Als hun antwoord goed is, mogen  ze beslissen of ze het punt zelf houden of weggeven aan de andere partij. Wat zij niet weten is, dat met opzet de ene groep heel makkelijke vragen krijgt en de andere heel moeilijke. In het begin zeggen ze natuurlijk alle drie dat ze het punt zelf willen houden en dan in ene keer zegt een jongetje dat hij het punt weg wil geven en zelfs bij het andere team wil gaan horen om ze te ondersteunen, want het is niet eerlijk, zo.

Dit is het raadsel van de mens(heid): velen volgen de meute, maar enkelen volgen hun eigen koers, gedreven door... een rechtvaardigheidsgevoel. Inez wijst op ‘de derde dimensie’: om de twee dimensionale werkelijkheid van het consumptisme te overstijgen hebben mensen schoonheid nodig, musea, boeken...zij las als kind al Russische literatuur en uit de bieb elke week vijf boeken, voor elke dag één. Later bleek dat Zadkine familie van haar was en ik zag dezelfde neus. Ze gunt iedereen zo’n opvoeding als die van haarzelf, maar tja... denk ik dan, dit is natuurlijk ook een héél elitaire omgeving waar zij uit voortspruit.

Om de werkelijkheid van het consumptisme tweedimensionaal te noemen en er een derde aan toe te voegen, dat vind ik wel een goede. Alleen hoeven dat niet persé boeken en musea te zijn, dat kan elke activiteit zijn die een extra lijn bewerkstelligen die het platte oppervlakte van het  ‘ik’ en ‘wat ik wil hebben’ hoogte en diepte geeft. Ik denk nu aan T. en R., heel actieve vrijwilligers uit mijn laatste wijkcentrum en vriendinnen van elkaar. R. vroeg een keer of ik voor haar  wilde bidden in het klooster, toen ze wist dat ik er die middag weer heen ging. Dit zijn goede mensen, dacht ik altijd en ze hadden ook een feilloos gevoel voor ‘wat niet klopte’, zo zeiden ze dat dan tegen me en dan ging het vaak over onduidelijk en troebel gedrag van iemand, dat vol dubbele boodschappen zat.

Ik kwam ze ook tegen bij de Dodenherdenking. Ze gingen altijd zeiden ze, hun mannen niet, die bleven thuis, maar de man van R. was de grote schoonmaker in de wijk, die al het afval en rommel wegprikte en wegsjouwde, hij had er zelfs een aanhangwagentje voor  achter de fiets voor gemaakt, want hij ging ook langs de berm bij de snelweg. Beide vonden de viool na de bezinnende woorden van deze of gene, kattengejammer en ze lazen nooit een boek of gingen naar een museum, dus de schoonheid van hun derde dimensie die kwam ergens anders vandaan, misschien wel gewoon uit lol en liefde voor anderen.

Mededogen, meeleven, empathie, de ene heeft het wel vanzelf en een ander niet. Die ene kleuter had het wel en zal wellicht bij ‘de rechtvaardigen’ van later gaan horen. Boeken en musea en kunst hebben er misschien niks mee te maken; er zijn zoveel geleerde en erudiete mensen die zich juist afsluiten van de wereld en met hun eigen gelijk en de boeken om hen heen , zich wentelen in een tweedimensionaal leven van het: ‘ik ben...’ en het ‘ik heb...‘

Ik vond het wel leuk dat zij op het laatst iets met het Marvel-universum bleek te hebben, die wereld vol superhelden en schurken, omdat ik dat nu ook leuk vind en ook denk dat dit nu voor velen die ‘derde dimensie’ voedt. En zo eindigde ze met een lied van de hoop, van Fleedwood Mac en beelden van exotische wezens en een ruimte vaartuig: You would never break the chain. Het aloude beeld van de mensheid als een keten, die alleen door de liefde voor elkaar heel blijft, een ieder een deel van die keten.


maandag 27 juli 2020

Menselijke continuïteit

Gisteren tijdens de boekenclub werd ik me opnieuw bewust: dat ik mijn eigen huis en tuin op dit moment beleef als bijna eens soort ruimteschip dat geland is in een wereld die vertrouwd lijkt, maar toch onbekend is. Ik kwam aan terwijl Nederland twee dagen in lock down zat: Schiphol was al vreemd leeg, het terrein van Burger King met opgestapelde stoeltjes en rood-wit lint eromheen. Het is vaker een plek geweest om na een vliegreis koffie te drinken of ook weleens een hamburger en frietjes te nuttigen, lekker vet, alvorens in de trein te stappen naar huis.

Ik kwam thuis en heb vervolgens nauwelijks mijn huis en tuin verlaten. De eerste mondkapjes die ik in het echt zag, was op Bali op mijn stoel op de veranda, bij de aankomst van twee Koreanen die hun land niet in mochten. Heel even voelde ik de crisissfeer, maar die verdampte al snel ook bij hen, te midden van de rijstvelden, al het ademend groen en de eeuwenoude familietempel voor mijn neus. Eigenlijk ben ik van mijn stoel daar, waar ik mij helemaal kon inbedden in het dagelijks leven en ritme van de familie, zó op mijn tuinstoel in mijn achtertuintje beland. 

Op Bali was er nog de illusie dat covid-19 hen niet zou bereiken, maar nu is het daar zoals hier: ik zag Koko de zoon van de familie in zijn auto in de avond door een leeg Ubud rijden met Michael Jackson’s  For a Better World  door de luidsprekers en een huilende smiley met I miss my job! De hele wereld is in een andere tijdsdimensie gekomen, een werkelijkheid zoals een aardverschuiving, niemand weet waarheen en we hopen er allemaal het beste van... Was alleen al de aanblik van een mondmasker eerst iets heftigs en surreëels om te zien in het dagelijks leven, nu gaan we proberen om het achteloos een onderdeel van je toerusting te laten zijn in de buitenwereld, zoals wij in het Westen niet op blote voeten door de straten gaan lopen...

Ondertussen is mijn enige neefje, de jongeman T., nu in Venetië. Hij heeft, net als ik het kluizenaarsgen uit de familie meegekregen. Hij maakt steeds mooiere foto’s waar iets van een eigen signatuur in gaat zitten, vooral als je ze allemaal bij elkaar ziet, en daar is de Canal Grande met enkele gondels erop in roze avondlicht en het lege St. Marcoplein en o, wat zou ik nu graag in zijn schoenen staan! Het was ‘anders’  de tijd geweest dat ik mijn laatste voorbereidingen zou treffen voor een verblijf in Venetië, waar ik mij zo op mijn gemak voel, als in mijn eigen tuin en waar ik eigenlijk voortdurend een licht lyrisch gevoel in mijn hart ronddraag.

Ik ging foto’s van vorig jaar bekijken en ik zie bewoners die hun hond uitlaten, boodschappen doen, aan de kade hengelen of er hun stoeltjes bij avondschemering uitklappen, een verkoper bij een kraam die aan het kletsen is, een vaporettovrouw aan het roer bij volle maan naar het Lido, spelende kinderen op een plein, een man met bloemen op de vaporetto, oudere dames die vroeg in de ochtend het strand opwandelen naar hun strandhuisje... Venetië is al jarenlang niet de drukke stad vol toeristen voor mij, want die mijd ik. Het lijkt er wel Coronatijd, dacht ik, maar alles bij elkaar opgeteld  is er daar meer ruimte dan hier. Toen ik gisteren met mijn fiets, ook rond etenstijd door de stad liep en reed zag ik zoveel mensen, misschien teveel, op terrasjes; een typisch Nederlands fenomeen, teken van gezelligheid.

Wat zou ik graag flaneren nu in Venetië, waar het voor de bewoners door de Coronatijd weer mogelijk is geworden om te joggen, nog steeds,  zie ik al poolshoogte nemend bij hotel Filu op de live-cam op de anders zo drukke doorgaande weg van en naar het station. Er mogen nu nog ten hoogste vijf toeristen in een gondel zitten in plaats van zes, omdat de toenemende zwaarlijvigheid gevaarlijk wordt voor de lichte gondels. Ik heb inderdaad gezien dat bij het instappen, het soms maar nét goedgaat en hoe de gondel tot diep in het water zakt. 

De gondeliers komen nog altijd uit de heel oude gondeliersfamilies van Venetië, zoals dat ook is bij de glasblazers van Murano, beroepen die van generatie op generatie gaan. Zo is het ook op Bali, bij de schilders, de maskermakers, de dansers, de edelsmeden de houtbewerkers enzovoort. Dat is de hoop, ook tijdens deze coronatijd: dat er ruimte en plaats blijft voor het uitoefenen en creëren van culturele en mooie dingen in de openbare ruimte, voor mij de corebusiness van menselijke continuïteit. 

zaterdag 25 juli 2020

De sariwinkel. Jiro Taniguchi

Gisteren ook toevallig, twee jonge mannen gevolgd in hun struggle for life op twee verschillende continenten, de ene in de roman De Sariwinkel van van Indiase Rupa Bajwa, de andere in de graphic novel Een dierentuin in de winter van de Japanner Jiro Taniguchi. De eerste speelt  zich af in Amritsar in India, de stad van de Gouden Tempel die nog op mijn verlanglijst staat, de tweede in Kyoto en Tokyo in de zestiger jaren: Taniguchi vertelt hier over zijn eigen jongelingsjaren toen hij zijn brood verdiende door achtergronden te tekenen in Manga’s in een studio met veel tekenaars en ondertussen hoopt een eigen manga te maken; hij worstelt met het verhaal en krijgt hulp van een jonge vrouw die in een ziekenhuis woont, ze is zwak en ze worden ook nog eens verliefd op elkaar. 

In het eerste boek kijk je in het leven van Ramchand die verkoper is in een grote sariwinkel. Ik was weer meteen in India door de beeldende beschrijvingen, het straatleven, de tempeltjes op bijna elke hoek van de straat en dat er ook meteen, vlak naast elkaar,  je in het allerrijkste milieu en het allerarmste zit: beide ontmoeten elkaar in de sariwinkel, de eerste als klant de tweede als bediening en verkoper. Ik ben wel in zo’n winkel geweest: je wordt verwelkomt met een drankje, een dure Cola en dan heeft zo’n winkel vele toonbanken en je wordt uitgenodigd om te zitten en wordt er van alles voor je uitgestald. In de sariwinkel komen meestal groepjes vrouwen voor wie het ook een sociaal uitje is om bij te kletsen, de verkoper houdt dan geduldig zijn mond.

Schrijfster Rupa Bajwa
In het begin van het boek is er een ontroerende herinnering van Ramchand als kind: Zijn ouders runden een piepklein winkeltje in levensmiddelen en  zijn moeder vraagt hem om hem bezig te houden te denken aan het allermooiste wat hij kent en dat te maken uit deeg  maar Ramchand weet het niet en kan niet kiezen en barst in huilen uit. Zijn vader komt vanuit de winkel naar achteren en vraagt wat er is en zegt dan: maar ik zou het ook niet weten...dan zijn ze alledrie stil, er heerst volmaakte vrede in de kamer en Ramchand krijgt een gesuikerd koekje uit de winkel, de allerduurste.

Vlak daarna sterven beide ouders, wier doel het was om door hard te werken Ramchand een Engels sprekende opleiding te kunnen geven, zijn oom wordt zijn opvoeder en pas later realiseert hij zich dat zijn oom alles heeft ingepikt, zijn zoons hebben de winkel nu, en niet hij en hij mag blij zijn toch nog deze baan als verkoper te hebben gevonden. Hij woont rondom een binnenplaats in een kleine kamer en hij spaart uit zijn salaris om tweedehands boeken te kopen om Engels te leren. 

Ramchand ziet zowel het leven van de upperclass met kinderen die in het buitenland studeren en geld geen rol speelt, doordat hij de opdracht krijgt om  stoffen te laten zien in een van hun paleisachtige huizen, maar hij moet ook naar het huis van een collega, om te vragen waar hij blijft en ziet deze in dronkenschap zijn vrouw aftuigen. Deel twee laat haar perspectief zien: ze is als fris zestienjarig meisje uitgehuwelijkt aan deze man in de grote stad, ze probeert met goede moed de agressie van haar man goed te praten, krijgt een miskraam en de boodschap dat ze ook nooit meer zwanger zal kunnen worden, ze hoopt op troost van haar man maar die zegt dat het ongeluk zijn leven in is gekomen sinds hij met haar getrouwd is en dan knapt er iets in haar.

Zij gaat stiekem drinken, wordt ook een beetje gek en gaat bij de poort klagen van de fabrikant die haar echtgenoot ooit ontslagen heeft en dat escaleert waardoor zij in een politiecel belandt waar zij in de nacht ook nog eens door twee politiemannen wordt verkracht. Ramchand ontdekt dit:  het onrecht en doet dan iets wat dwars door het Indiase klassen-of kastenstelsel heengaat, daardoor aangemoedigd omdat hij ook een gast werd op de bruiloft van de rijke gestudeerde jonge vrouw aan wie hij Sari’s verkocht, maar die zonder dat hij dat weet een boek schrijft over hem. Ramchand vertelt het hele verhaal tijdens de Sari-verkoop aan een lerares omdat hij verwacht dat ze een geleerde en wijze vrouw is. Hij ziet tranen in haar ogen en denkt dat zijn opzet geslaagd is, maar dan valt ze uit naar hem: hoe dúrft hij haar lastig te vallen?!

En zo eindigt dit boek: Ramchand ervaart niks te kunnen doen aan het onrecht om hem heen, hij verliest er ook bijna zijn baan door omdat hij ook de hypocrisie van zijn collega’s aan de kaak stelt, hij gaat na weken absentie nederig zijn excuses maken en staart in de laatste zin van het boek naar een vlek op zijn plafond... En toen had ik nog wel zin in iets anders en verloor mij zo in de poëtische tekeningen en het zachtzinnige wereldbeeld van Jiro Taniguchi. 

Onrechtvaardigheid waar je machteloos naar kijkt is er eigenlijk altijd aan de hand. Ramchand heeft alles waar hij toe in staat was gedaan, om dit te keren. Stél dat die ‘geleerde lerares ‘ in de sariwinkel wel actie had ondernomen om deze verkrachte vrouw te ondersteunen, dan was er wellicht een klein schakeltje ten goede gekeerd en een mensenleven gered. Er zijn soms momenten die je wel kunt grijpen om werkelijk vorm te geven aan tenminste de kwaliteit van je eigen binnen-leven. En soms, maar lang niet altijd, maar wél in het leven van Taniguchi,  is het ook het buiten-leven wat daardoor verandert.

vrijdag 24 juli 2020

Op zoek naar bewoning. Gipi

De vorige twee ochtenden was ik vroeg op. De ene dag kreeg ik om half acht een nieuwe voordeur en een raam en gisterenochtend deed ik ‘gezellige’ boodschappen: zoals verse croissantjes en ‘kampioentjes’, harde broodjes met veel maanzaad en sesamzaad, paté en paprikapunten, maar L. koos toch voor de worstenbroodjes. Voor het eerst weer lange bezoeken in mijn tuin deze week, na  bijna vier maanden bijna geen mensen live  gesproken  te hebben en niemand in mijn tuin, nu in drie dagen tijd twee keer weer uren achter elkaar buiten gekletst: heerlijk.

Ik las ook weer een heel mooie graphic novel: Land of  the Sons van Gipi. Ik ben helemaal voor zijn tekenwerk gevallen door De Onschuldigen uit 2005: op dik, bijna kartonachtig papier 60 pagina’s een verhaal over volwassen worden in een harde wereld. Hier in een achterstandsmilieu van hangen op straat en familie in de gevangenis en in het eerste boek is de wereld vergaan en leven er enige klusters in houten bouwvallen op het water. Beide harde en ruwe omgevingen die opnieuw bewoonbaar moeten worden gemaakt.  Hij is heel goed in uitdrukkingen op gezichten: het is genoeg  om  het gezicht van de jongen te volgen bij een tweede lezing en de hele impact van relaties onderling komt  binnen, ook de gelaagdheid van deze relaties.

Vaak in deze coronatijd was ik heel gelukkig dat  ik een veilig huis en tuin had om mij terug te trekken, de mogelijkheid van quarantaine; ik dacht dan aan Wiki en Sunjay uit India: hoe hun leven al zo basic was: geld verdienen in Zuid-India voor je familie in Nepal, naar de grote stad Chennai gaan om daar toch meer te kunnen verdienen dan in het kleine Mahabalipuram en dat Chennai nu veel COVID-19 heeft... Nu pas realiseer ik mij, dat de gezichtsuitdrukkingen bij Gipi lijken op die van hen: een doordringende blik, alert met een intensiteit. Hoe anders zal nu hun thema zijn dan mijn eigen luxe-overwegingen: o, ik kan geen uitje doen naar een museum of naar een natuurgebied omdat ik nog niet met het OV wil.

Maar het gekke is, dat in de bodem er toch ook een universeel thema is dat in deze coronatijd iedereen bezig houdt: wat zal de toekomst brengen? Je kan deze niet controleren, niet vanzelf ontwerpen, we zijn afhankelijk van een virus dat ‘onder ons’ is. Zoals de personages van Gipi, zoekt iedereen naar bewoonbaarheid en voeding en ik doe dit nu vanuit mijn eigen tuin. En nu begint er een werkdag Nine to five, zoals in dat liedje van Dolly Parton.  Voor  mij geldt dat niet meer maar ik heb voor nu al dit blogje geschreven terwijl de duiven koeren en de mussen tjilpen:  iets concreets gedaan ter bewoning van mijn wereld. 

dinsdag 21 juli 2020

John Lewis’ March

Ik zag het boek voorbij komen en het werd aangeprezen dat dit verplichte kost zou moeten zijn op elke lagere school in Amerika; het gaat over een van de belangrijkste vechters in de Civil Rights Movement naast Martin Luther King. Ik had nog nooit van hem gehoord: John Lewis heet hij en  zijn autobiografie is als graphic novel in drie delen verschenen onder de titel March. Ik bestelde Book One om inzage te krijgen in dit leven en ik vind het begin, hoe iemand komt bij een levenslange missie toch het interessants en ging niet voor de hele trilogie in ‘slipcase’.

Nu vind ik dit misschien jammer want John Lewis is dit weekend overleden en ik zag hem dansend op het Instagram-account van Michelle Obama die hem daar eert: ik zie  een kleine man met soul en vriendelijkheid door zijn hele lijf. Hij is tachtig jaar geworden en gisteren las ik het boekje bij de waterplas, weer op de vlucht voor de werklui rondom mijn huis, die nu het nieuwe cement metselden. Misschien ook wel een mooie metafoor voor hem: altijd bezig geweest om geweldloos de samenleving opnieuw te willen opbouwen.

Het boek is geschreven in samenwerking met én een schrijver én een tekenaar en de foto’s van alle drie en de teksten erbij  laten iets zien van  de enorme aandacht en moeite die erin is gestopt om alle kernmomenten  van een heel leven zorgvuldig weer te geven. De prelude van het boek is het zien van het neerslaan door de politie van zwarte mensen op de Edmund Pettus Bridge en hier was het dat Black Lives Matter doorbrak. Dan is het ineens 20 januari 2009 en twee zwarte kinderen bezoeken Cannon House waar congressman  John Lewis zijn kantoor had en het is de dag van de inauguratie van president Obama.

De kinderen zien allemaal beeldjes van kippen staan en vragen waarom en zo begint het verhaal: dat John Lewis eerste publiek de kippen waren, op de boerderij van zijn ouders, die hem vooral meegaven om ver weg van de blanken te blijven, niet op te vallen en een eenvoudig boerenleven te leiden. Later zie je dat hij zich verstopt voor zijn vader om toch de schoolbus te halen, hij wist dat educatie belangrijker was, dan werken op de boerderij. Je maakt mee dat hij Martin Luther King ontmoet en geraakt wordt door zijn visie van geweldloos verzet.

Je maakt mee hoe gevaarlijk het destijds was om als zwarte door sommige Staten van de VS te reizen en dat de kerk van zijn ouders ook de boodschap gaven  om je gedeisd te houden... maar de dominee reed wél in een heel dure auto, je ziet dat op 1 december 1955 Rosa Sparks weigert om plaatst te nemen op de plekken achterin de bus, bestemd voor zwarten, het allereerste begin van verzet en hoe er het idee ontstaat om geweldloze sit-ins te organiseren in coffee-shops. Jim Lawson ontwikkelt een filosofie en gedragswijze en discipline en John Lewis wordt daar blijvend door geïnspireerd.

Men traint elkaar om tegen geweld te kunnen door bijvoorbeeld de aanvaller altijd aan te blijven kijken en de grootste opgave is, om van de vijand te blijven houden... En dan op 28 november 1959 is er de eerste test-sit-in in een plaatselijke winkel: een groep zwarten én een enkele blanke, gaan op alle barkrukken zitten en bestellen eten en drinken. Ze zullen niet geholpen worden en dan doorgaan, terugkomen, in de gevangenis terecht komen, het aantal mensen zwelt aan zodat de politie het niet meer aan kan...En dan op 10 mei 1960 zal het voor het eerst zijn dat in Nashville Tennessee er aan zwarte mensen eten geserveerd wordt. En daarmee eindigt deel één.

Het meeste ingewikkeld van onze huidige tijd is, dat de segregatie  weliswaar overal is opgeheven, maar de discriminatie nu onzichtbaar is, ‘systematisch’ verborgen in al het doen en laten. Indertijd was er een duidelijk en concreet iets waar je voor kon vechten: letterlijk je plaats innemen in alle openbare ruimte. Hoe moet je dat nu vorm geven, hoe nieuwe ruimte te winnen voor echte gelijkwaardigheid en gelijke kansen en doorgaan met de mars naar vrijheid voor iedereen?   ... Dat is de uitdaging. 

maandag 20 juli 2020

De tranen van Typhoon

Wat verfrissend. Glenn de Ramdamie ofwel muzikant en rapper Typhoon, in de eerste aflevering van Zomergasten. Zo gewoon als hij praat over chillen met God in de bossen, al vanaf zijn veertiende, zoals in de film over Beethoven, die zegt dat alle muziek van God komt. Dat hij meer dan 40 keer Hook heeft gezien van Steven Spielberg en gewoon wéér geraakt wordt bij de scène waarin kinderen denkbeeldig smullen van een feestmaal en Peter als volwassene eerst niks ziet, pas wanneer hij zijn verbeeldingskracht weer inzet, wordt hij opnieuw Peter Pan en ziet hij ook dat lekker eten met blauwe room. En dat Glenn nu pas bij de voorbereiding zag, dat alle kinderen gekleurd waren, er zit geen witte tussen.

Dat hij op zijn achtste voor het eerst wist dat hij ‘anders’ was met een kleur omdat iemand tegen zijn buurvrouw waar hij vaak thee ging drinken, zei, dat hij zo goed Nederlands sprak. Dat hij van zijn ouders altijd te horen heeft gekregen dat hij minsten twee keer extra zijn best moest doen en hoe onbegrijpelijk je tegelijk de zin Black Lives Matter vind, want je bent gewoon een man, zoals ook James Baldwin zei, geen negro. Dat je nú pas praat over dit ‘anders-zijn’ en zijn Nederlandse vrienden dus ook nu pas iets horen hoezeer het toch een thema was. Hij werd daar even geëmotioneerd van.

Ik herken exact dezelfde lijnen waarlangs je wereldbeeld dus in feite is geconstrueerd en bij witte mensen die  verhaallijn ontbreekt: ik wist als kleuter dat ik anders was, want ik werd bij de poort omringd door jongeren die ‘Inda-pinda-poepchinees’ jenden,  ook mijn ouders zeiden dat ik extra mijn best moest doen, ook ik had tegelijk geen écht idee dat mijn herkomst, alhoewel geboren in Nederland, een rol zou spelen.

Maar tijdens het kijken bedacht ik ineens dat ik als puber helemaal niet extra mijn best wilde doen om alles uit mijn intellect te halen. Zoals bij Glenn, alhoewel hij ook zegt vanaf zijn geboorte een grote portie ‘licht’ meegekregen te hebben, hij tóch vanzelf steeds het idee heeft gehad dat hij tekort schoot en hij daartoe twee keer in een burn-out is beland. Iets in mij wilde ontsnappen aan dat scenario van de bolleboos zijn, gericht op een carrière. En iets in mij wilde bewijzen dat ik wel gewoon door iedereen geaccepteerd kon worden, zonder uitzonderlijk goed in iets te zijn. En zo werd ik mijn hele werkend leven een beheerder in een wijkcentrum... Ik weet hoeveel intens genoegen mij dat gaf: die gewone gesprekken aan de bar en het vertrouwen dat ik van mensen kreeg, als luisterend oor...

Een bijzonder moment dat alleen bij Zomergasten zo kan gebeuren omdat het live is en drie uur duurt, was, toen Glenn even werkelijk verdrietig werd na het zien van ‘Gabriella’s Song’ in As it is in Heaven.  Je zag de opmaat ernaartoe: dat zij eerst niet kan en durft te zingen en een medekoorlid knapt omdat hij van jong afgaan gepest werd door een ander koorlid als dik jongetje, niet om serieus te nemen. Gabriella ziet de pijn van een ander en haar harde schaal van onmacht en onvermogen breekt en ze kan zingen. ‘Zonet zaten we te genieten van hoe mooi dit is en nu ben je ineens verdrietig’, zegt Janine Abbing. 

Typhoon zegt dat dit zo kan gaan... alles is een moment en misschien had hij een dag later weer heel anders gereageerd. Er gebeurd in deze tijd véél met mensen zegt hij en hij noemt ook nog even zijn vriend Akwasi. Alles is afhankelijk of mensen hun eigen ongemak onder de ogen durven te komen. In Trouw van zaterdag las ik in de column van Ephimenco dat de Nederlandse activisten  (alleen al de term...) mislukt waren om politiegeweld en racisme te agenderen:’ Wat wel lukte was opnieuw de discussie over Zwarte Piet vroeg in het jaar te agenderen. Rapper Akwasi was hierin zinnebeeldig.’

Akwasi moest zich weer verweren dat hij juist een vredelievend persoon is en écht niet zomaar Zwarte Piet in elkaar zou trappen... Precies over deze overbekende beweging gaat het: de ene mag nooit eens uit de slof schieten maar moet in de pas en in de maat lopen en de ander kan met dedain spreken over wéér die Zwarte Pietendiscussie en het losweken uit de wereldwijde context rondom Black Lives Matter. Terwijl alles afhangt of de witte werkelijk kan neigen naar de ander. Kan buigen voor de woede en het verdriet dat zomaar ineens boven kan komen omdat  het voor het eerst is dat elk haar eigen  levensgeschiedenis deconstrueert en kan zien uit welke elementen deze bestaat. 

Daarom waren de tranen van Glenn de Ramedie een getuigenis dat het leven zich in het hier-en-nu afspeelt, niet noodzakelijk maar gewoon aanwezig, maar meestal verborgen: verdriet en onmacht toon je niet zomaar... Ik zou willen dat ze de kracht krijgen, zoals zijn artiestennaam: als een Typhoon door de Nederlandse wateren.

Terugkijken hele uitzending Zomergasten 1

Samenvatting in 20 minuten: