maandag 2 november 2009

Allerzielen

Het is vandaag Allerzielen en het is vreemd om te merken dat deze dag zo anders aanvoelt, als je zelf een dode te betreuren hebt: het is voor de eerste keer dat Vader zich 'aan de andere kant ' bevindt. Het dodenrijk, de hemel, het hiernamaals, dat voor sommigen een hierNumaals is. Niemand kent de overzijde, niemand komt er in detail over terug vertellen of komt met een evaluatie. Die is natuurlijk ook niet nodig, want je hebt niks te kiezen: eens gebeurt aan het je: je zult van deze aardbodem verdwijnen.

Ik bezocht zijn graf en wist eigenlijk niet of hij op die plek nou als dichterbij aan voelde, dan ergens anders. Aanvankelijk was er ook bezoek bij het graf ernaast, dus ik besloot alleen maar even te buigen voor dat plekje aarde waar zijn resten liggen en weer te gaan. Maar de meneer ernaast vertrok en toen heb ik alsnog alle herfstbladeren verwijderd en bij gebrek aan een harkje, met mijn fietssleuteltje de aarde wat rul gemaakt.

Dát doet je dan eigenlijk goed: zelfvergeten wat rondscharrellen op een plaats waar de doden de ruimte hebben om er te zijn, in al die namen en stenen en bloemen en lichtjes. Een begraafplaats geeft je de ervaring van zelf een schakeltje te zijn in een lange keten vóór jouw en ná jouw tijd. Ik had drie heideplantjes bij me en had er twee op zijn graf geplaatst en was eigenlijk van plan om de derde mee naar huis te nemen en op mijn terrastafeltje buiten te zetten.

Ik liep terug naar de ingang en toen hoorde ik de stem van Vader die iets zei van:' Ga eens naar het graf van Opa en Oma, ik kan daar nu niet meer naar toe gaan, ga even namens mij.' Zo kwam ik daar terecht en staat het derde heidpantje op hun graf: bij de generatie voor mij en ik moet bekennen dat ik die al die jaren nooit echt bezocht had. Maar als je eén dode hebt te bezoeken, dan komen ineens alle andere doden ook meer in zicht.

Dat is dan toch ook wel mooi van een dag als deze, dat er zo'n dag gereserveerd is in de katholieke traditie, om de doden te herdenken. Zijn naam wordt vanmiddag ook genoemd in de vespers bij de Clarissen. En al ben ik er zelf niet bij, het is troostrijk dat dit gaat gebeuren. Het brengt me terug naar mijn eigen bestaan: Dat het belangrijk is om je niet te laten leven, maar om te leven: dicht op je eigen huid, trouw aan jezelf, geen half mens zijn , maar een hele, een heelheid in je, die je alleen maar zelf kan realiseren.

zaterdag 31 oktober 2009

Sferen

Gisteren was ik voor het eerst in de Hermitage in Amsterdam. Ik heb het al eens eerder gemeld: ik ben soms akelig gevoelig voor sfeer en 'iets' wat ergens hangt. Ik had me heel wat van de verbouwing voorgesteld, van het oude Amstelhof, een vroeger bejaardenoord, de publiciteit was bij de opening gigantisch. Maar ik kon er niks aan doen: al bij de betreding in de binnentuin kwam er alleen maar een sfeer van mufheid, ouderdom, eenzaamheid me tegemoet. Ik rook lysol en verbanning. Misschien heb ik er vroeger te vaak langs gelopen en zag dan de oudjes allenig voor de ramen peinzen.

Het sfeercontrast met de eerste grote tentoonstelling die over het Russische Hof ging, was groot. Er was een zaal als balzaal ingericht en de andere als audiëntiezaal, aan de muren de meer dan levensgrote portretten van de tsaren en tsaarinnen, stenen en porseleinen vazen, een beschilderde vleugel enzovoort. Veel prachtige japonnen bestikt met pareltjes, overvloedig geborduurd, taft, satijn en wat niet meer.

Alhoewel ik indertijd natuurlijk in de bruinkolendampen en de modder geleefd had en niet aan het Russische hof, was ik blij niet in die tijd geboren te zijn. Het ingesnoerde van de code en de etiquette, er was geen japon waar ik me in zou willen hijsen, hoe mooi ook. Dat gold weer niet voor de kleding van de Tsaren: geborduurde broeken met gouddraad, rode jasjes met tressen, hoge laarzen: zo zou ik nog wel een dame willen begeleiden.

Gek, waar zo'n voorkeur vandaan komt. Ik herinner me voor de Gymfuif, het jaarlijks grote feest van het Gymnasium toch ook ooit veel tijd besteed te hebben aan mijn avondjapon. In de vierde klas: dan gingen de meisjes voor het eerst in het lang. Die sfeer van verwachting, van op de drempel staan naar een nieuwe wereld, je debuut op het bal. Ik had een lange zwarte jurk met witte stippeltjes, een beetje bloot van boven en een fluwelen bandje om mijn hals. De leukste jongen van de klas was verliefd op me, we konden geweldig goed met elkaar dansen, wat wil je nog meer?

Later is mijn smaak veranderd. Nee, toch niet realiseer ik me nu, tóen was het er ook al: het leuk vinden om dandy-achtig een wit colbertjasje te dragen met een gebloemde blouse en een stropdas en een gleuf hoed op. Of cowboylaarzen en een flanellen blouse. Dat riep andere sferen en tijdlagen op dan de avondjurk. Sferen: er zijn er zoveel waarin je je kunt begeven.

Bij de buren van de Hermitage, het Waterlooplein kocht ik vorige week een rood suède jasje, met aan de ene kant een zonnetje daarop en aan de andere kant iets wat zich tussen een vlinder en een bij bevindt. Ook achter is er onder een strook lichtbruin jute-achtige linnen gestikt. Hetzelfde tsarenrood als in de Hermitage bij de mannen.

Maar verders de sfeer van de middeleeuwen, de nar, de minstreel: Douwe Dabbert!, zeiden Nichtje en Zusje bijna uit één mond. Laat Douwe Dabbert nou eén van mijn favoriete striphelden zijn, wandelend met zijn toverknapzakje in de bossen en de buitenlucht. Uit dat knapzakje komt altijd precies dat, wat hij nodig heeft. Daar vertrouw ik maar op, dat dit zo blijven zal, in welke sfeer ik me ook bevind.

donderdag 29 oktober 2009

Reis van de geest

De verhalenverteller van het Afrika-Museum haalde me op zijn fiets in, stopte en vroeg wat ik van het museum vond. Nu had ik pas het Tropenmuseum in Amsterdam bezocht en zat de twee net te vergelijken in mijn hoofd. Ik vertelde hem dat en zei dat ik het Afrika Museum een statisch museum vond. In het Tropenmuseum is er op dit moment op de bovenverdiepingen als het ware een reis te maken langs de rijke verhalenculturen door de verschillende continenten heen.

Ik was daar heel opgewekt vandaan gekomen en had me wéér bedacht, dat de christelijke theologie met dat éne Verhaal gigantisch achterloopt op het antropologische besef dat ten grond slag aan de inrichting en presentatie in het Tropenmuseum: er zijn zoveel verhalen, de wereld is kleurrijk en divers en inventief, dus mensen zijn zo, hoi, hoi!

Het Afrika Museum ademt, ondanks de moderne presentatie toch de sfeer van de Oude Verzamelaar: de blanke Mensch, die het donkere continent Afrika heeft ontsloten en terug is gekomen met schatten en voorwerpen, van alles wat! van alles wat! en die dit alles trots aan het publiek toont met de boodschap: we geven geen waardeoordeel, nee hoor, zo zijn we niet.

Maar wat een mens zegt níet te zijn, dat is ie vaak juist wel. Ik was gekomen voor de tentoonstelling Reis van de Geesten en alhoewel ik de enquêtrice die er ook rondhuppelde een 7 gaf voor het museum en een 6 voor de tentoonstelling, ben ik nu geneigd om beide een 5 te geven. Waarom?

De hele grote ruime hal was voor deze gelegenheid donker en duister gemaakt met zwarte gordijnen. Dat gaf een doolhofachtig en ook een beetje spookhuisachtig gevoel en in elk nieuw hokje kwam je een moderne kunstenaar tegen, die iets deed met het Afrikaanse gedachtengoed omtrent Geesten, Voodoo, Voorouders, Beschermgoden enzovoort. En daarmee werd alles wat je zag dus vervormd naar een donker gebied: je werd er ongeveer letterlijk de nacht in getrokken.

De openinszinnen voordat je de tentoonstelling betrad waren best wel veelbelovend: 'May the Force be with you... wordt er in Star Wars gezegd en geestkracht(en) zijn in het Westen ook aanwezing bij Harry Potter en The Lord of the Rings, dat is allemaal fictie, maar in Afrika is het nog een onderdeel van het allerdaagse leven.'

Zoiets was het en wat was het dan ánders geweest als al deze kunstenaars geëxposeerd hadden in de lichte, hoge ruimte met veel buitenlucht dat door het glas de hemel laat zien, zoals de expositiehal eigenlijk is. Stel dat er met met savannebruine kleuren gewerkt was en iets met paden van rode aarde... dan was alles wél bij het leven van alledag gekomen.

De verhalenverteller zei: 'Ja daar zit wat in. Er is teveel vanuit gegaan dat voodoo iets engs is, waar we in het Westen bang voor zijn. Heb ik toch echt iets geleerd. Jammer dat ik verder geen invloed heb in het museum, maar ik ga het toch wel rondventileren hoor, als ik de kans krijg.' Hmmmm. Leuk ja. Mijn geest mag best wel ergens spoken van mezelf, ik zal niet akelig of gemeen worden.

woensdag 28 oktober 2009

Mooi, weer!

Wat was het vandaag een prachtige dag. Windstil, blauwe heldere lucht; het is me toch wat om eind oktober nog een boekje te kunnen lezen, buiten met uitzicht op vlammende herfstbomen! Gisteren uit het bos toch vliegenzwammen gehaald en ze vandaag rond de berkenboom gedrapeerd en het ginkgoboompje gepland en er bamboestokjes met touw omheen gedaan, om 'm in mijn wildernistuin niet uit het oog te kunnen verliezen. Ik ben benieuwd of ik volgend jaar verrast word. Ik visualiseer rode vliegzwammen in mijn voortuin en een boompje dat zich geworteld heeft in de achtertuin.

'Wortel schieten', dat is het thema dit jaar van de maand van de spiritualiteit die zo aanvangt, de maand november. Tja, het is weer zo'n thema waarvan ik denk: dat kan nooit helemaal de bedoeling zijn. De andere kant is nét zo nodig: met de wind mee gaan, loslaten, overal en nergens thuis zijn. Het thema lijkt zich, net zoals het thema van vorig jaar: Mijn Betere Ik, te richten naar een verondersteld barbaars en vluchtig publiek. Mensen die wortel moeten schieten of beter moeten zijn, dan ze zijn.

Het boekje waarin ik las was van Philippe Claudel, waar ik fan van ben geworden. (Zie blogje 'Taal zonder mij'). Dit boek heet Het verslag van Brodeck. Brodeck krijgt van zijn mededorpelingen de opdracht om een verslag en reconstructie te schrijven van een gruwelijke moord op een joodse man, waar alle dorpelingen aan deelnamen. Iedereen is schuldig, behalve hij, een zonderling buiten het dorp en de priester. Brodeck klaagt zijn nood bij de priester, maar die is er even erg aan toe.

Ik ben het afvalputje van iedereen, zo zegt hij. De gruwelijkheid, de wreedheid, iedereen doet zijn verhaal bij mij en wil daarna de absolutie. Ik geloof allang niet meer in God, maar ik hou de winkel in de gaten. Dat is mijn taak in dit leven dat me rest, zoals het jouw taak is om het verslag te schrijven. Hier spreekt een man die zich te zeer geworteld heeft.

Het kan niet de bedoeling zijn dat het kwaad en schuld worden weggezalfd, alleen maar omdat er in de godsdienst een dogma en een gewoonte is gegroeid, dat God alle zonden vergeeft, door middel van de priester. Die winkel moet verlaten worden. God is geen stoplap, geen wonderdoener, geen excuustruus om je in dat wat niet goed is te nestelen en daar geen verantwoordelijkheid voor te nemen: heel katholiek. God is ook geen rechter, die oordeelt en jou misschien naar de verdoemenis zendt: heel protestant.

Vanmiddag heb ik aan de rivier gezeten, die stroomt en stroomt naar de zee. Alle rivieren monden uit in de zee. Op de rivierbedding liggen de sporen van al wat er ooit gewoond en geleefd heeft. God laat het regenen over goeden en kwaden, zo luidt een gezegde. Maar als het kwade verstikt en je doet verstommen en je je als een afvoerputje gaat voelen, dan is God het water en niet het vuil dat de boel doet verstoppen.

Wellicht een thema voor volgend jaar in de maand van de spiritualiteit: Laat Het: Stromen... van liefde (of zoiets).

dinsdag 27 oktober 2009

Omhelzing



Er is een prachtig liedje Song of Bernadette, geschreven door Leonard Cohen en Jennifer Warnes, dat ik al dagen in mijn hoofd heb. Het liedje gaat over Bernadette Soubirous, het meisje dat Maria zag in een grot in Lourdes, toen een plek vol modder, waar de dieren schuilden. Zij hoedde daar die dieren, samen met haar zusjes, elke dag liep ze er vanuit het dorp heen, een beetje al in de wildernis, ronddwalend.

Het liedje brengt me terug naar de weken dat ik er kampeerde en stukje bij beetje het terrein van Lourdes verkende. De camping lag achter het grote bedevaartsterrein wat het nu is en via een achterpoortje liep ik langs het riviertje de Guave naar die grot. Dat was de eerste dag: niet verder dan dit, en zo ging ik elke dag een stukje verder: langs de geneeskrachtige baden, het terrein waar in grote bakken de kaarsen brandden, naar de kerk die er nu staat, enzovoort.

Er hangt een sfeer van zachtheid en zachtmoedigheid ondanks alle priesters en de poeha en de bedevaarts industrie, vooral bij de dagelijkse lichtprocessie en 's avonds laat, in de nacht bij de grot zelf. Dat liedje heeft die sfeer ook. Leonard Cohen schijnt het zelf nooit gezongen te hebben en ergens past het ook dat een vrouwenstem het zingt: Come on let me hold you, baby let me hold you, like Bernadette would do.

Dat vasthouden, die omhelzing, dan kan op zoveel wijzen. Waaneer je de ervaring deelt met elkaar van het zoeken en soms 'genieten' van God en dat dit soms eenzaam maakt, zoals we gisteren met elkaar deelden in de Schola Contemplativa in de Sionsabdij in Diepenveen. Wanneer ik wandel in de prachtige herfst van het Oosterpark naast het Tropenmuseum in Amsterdam en denk aan Broeder J. die hier tientallen jaren elke dag gewerkt heeft. Wanneer ik thuiskom en er staat een pot met een stek van de Gingko-boom naast de deur van J., omdat ze die deze zomer aan me beloofd had.

De Ginkgo-boom is een van de oudste bomen ter wereld uit China, een boom waarvan men zegt dat deze genezend is, het is daarom een heilige tempelboom. Maar ja, wat is heilig? Heilig is dat waar je het leven zelf heiligt, blijft zoeken en verlangen en uitstaan naar die stroom van liefde die door het bestaan gaat, in alles, in jou, in elk concrete gebeurtenis, ook de minder fijne. Wanneer je stil bent en het gewaar wil worden. Come on, let me hold you...

donderdag 22 oktober 2009

Voor altijd

Het blijft wat in mijn hoofd spelen: de film Aeon Flux die ik deze week op tv zag. Prachtige strakke vormgeving. De film was eerst een tekenfilm op MTV, naar het schijnt, misschien dat dit zorgt voor de onwerkelijke moderne,bijna abstracte, snelle beelden. Er wordt een heel eigen wereld gecreëerd, die 400 jaar later dan nu voorstelt. De hele aarde is verwoest op eén stad na, Bragan, waar je de mensen ziet flaneren in moderne tuinparken met parasols. Maar ze worden ook voortdurend in de gaten gehouden en er verdwijnen zomaar mensen, weggerukt van achter de pilaren, alleen een kledingstuk waait nog na in de wind.

Aeon Flux is de belangrijkste van een verzetsgroep The Mohicans, die erachter willen komen wat er aan de hand is. Haar zus die een zo gewoon mogelijk leven wil leiden, wordt vermoord en dat maakt dat ze zegt zelf niet meer te bestaan, en alleen haar missie overblijft. Dat is mooi heftig gezegd.

Veel mensen in deze enige stad op de wereld hebben het gevoel dat er iets met hen aan de hand is, maar ze weten niet wat. Ze hebben flarden van beelden over zichzelf en anderen , zoals ze nu niet zijn, maar anders. Aeon Flux krijgt de opdracht om het hoofd van de regering om te brengen. Maar ze kent deze man en is er niet toe in staat, haar opdracht te volbrengen. Dat maakt dat de hunter gets hunted.

De man vertelt haar het geheim van hun bestaan: zij waren ooit getrouwd met elkaar. Mensen konden zich 400 jaar geleden niet meer voortplanten, maar de wetenschap maakte het mogelijk om een ieder te klonen. Iedereen die van de wereld verdwijnt, wordt opnieuw als baby geboren. De man heeft waarschijnlijk een wijze gevonden waardoor er weer natuurlijke voortplanting mogelijk zou zijn, maar zijn broer is er tegen. Die wil zijn eeuwige leven niet opgeven.

Voor hem en Aeon Flux, is het vanzelfsprekend dat het klonen moet stoppen en plaats moet maken voor de natuurlijke voortplanting. Dit blijft me bezig houden. Waarom die vanzelfsprekendheid? Waarom niet beide: en natuurlijke voortplanting en voor wie wil, het klonen. Mijn gevoel zit eigenlijk veel dichter bij die broer. Als ik nu zou horen dat ik zelve al vele malen gekloond zou zijn, zou ik daar helemaal niet gek van opkijken.

Ik ken het gevoel dat er flarden zijn in mezelf, die je helemaal niet kan herleiden naar het échte leven dat je geleid hebt. Flarden van een verleden, een andere tijd, waarin ik ooit vertoefde. Een vermoeden van mensen die je nooit in het echt gezien hebt. Een wereld die zich af kán spelen of zich ooit afspeelde, maar die er niet is in het hier-en-nu.

Het zou mij niks zou verbazen als reïncarnatie zou bestaan. Een heel groot deel van de wereldbevolking gelooft hier tenslotte in. Of dat er een parallel universum zal blijken te bestaan, waar ik een heel ander leven leid. Of dat precies mijn zelfde DNA elke keer weer een kans krijgt om iets van het leven te maken: Wat maakt het allemaal uit? Van mij mag het zo zijn.

Onbederf'lijk Vers

Gisterenavond naar het Poëziefestival Onbederf'lijk Vers geweest. Adriaan van Dis kwam en dat was al reden genoeg. Ik heb een zwak voor hem en daarom vond ik hem natuurlijk goed. We keken elkaar even recht in de ogen en hij knikte lachend naar me en daarom herkende ik hem aanvankelijk niet en dacht dat het een vage bekende was. Doet A. dan aan poëzie? Ja, al in de roman Indische Duinen, maar dan gewoon achter elkaar geschreven. Twee bundels heeft ie; Totok 1 en 2 en Totok is een Indische Nederlander, in de ogen van de Indonesiër is dat de vreemdeling.

Onder het pseudoniem Jan Balkon schreef hij in een tuintijdschrift van het Trambedrijf. Hij zong een tante Leenachtig zonnebloemenliedje en hij eindigde met een scherp voorgedragen liedje over Pim Fortyun, een week na zijn dood geschreven: 'De Kaalkop' die in het licht de vreemdelingen het land uit wil zetten maar in het donker van de darkroom het zaad van een Turk en een Marokkaan weet te onderscheiden. We hebben Adriaan twee keer bekeken: in het begin van de avond en helemaal op het einde. Kwaliteitje.

Tussendoor naar de Nikolaaskapel gelopen op het Valkhof. Heel apart om in die ronde middeleeuwse kapel in de avond te zitten luisteren naar de dichters. Ik kwam voor Nachoem Wijnberg die dit jaar de VSB-Poëzieprijs ontvangen heeft. Hij is zo'n dichter die, zo bleek, niet moet willen optreden: thuis in de stilte en het witte papier komen zijn woorden tot hun recht. Daar buiten is hij een vreemdeling, wiens woorden bij zijn voordracht veranderen in ijle spookdiertjes, vaag en mistig en gehuld in een grauwsluier.

En het gebeurde mij weer, zoals twee jaar geleden: je lachen moeten inhouden en bijna niet meer weten hoe. Het zal de combinatie wel zijn: die doodsaaie Nachoem werd opgevolgd door een soort vrouw bij wie ik bij opkomst al dacht: O help, o nee, alsjeblieft. Zo iemand die iets uitstraalt van: Ik ben Diep en Expressief en Alles Voelend. Ze begon en ik besloot al ras me ernstig bezig te houden met de stenen bogen van het kapelletje en het houten plafond. Toen hoorde ik haar zeggen: ...De tam tam van je lid en klodders zaad vliegen de ruimte in. Help!

Al met al zegt het wel iets over de kracht van woorden. Hoe slechte poëzie een vrijplaats wordt waar de would be-dichters dolen in hun eigen particuliere associatievelden en iedereen voorgoed een buitenstaander wordt, een vreemdeling. En hoe goede poëzie een vervreemding effect geeft aan de gewone wereld, zodat je die op een nieuwe wijze kan bewonen.

Verrassing was Marleen van der Velden, pas 22 jaartjes oud. Ze kwam op in een bruinige overgooier met witte bloemetjes daarop en een witte koltrui en H. begon al te gniffelen, terwijl I. haar bestraffend aankeek. Die dacht later dat het wellicht een deel van de act was: dat gekke slordige kapsel en het brilletje gaven haar een hoog Theo en Thea-gehalte. Ik dacht van niet. Ze is gewoon zo, zoiets is allemaal weer in, zei ik. Maar we waren het er alledrie over eens: zij is veelbelovend goed.

De ene denkt dat een sprankelende voordracht je uit je slechte woorden kan redden, de andere denkt dat de woorden zo goed zijn, dat de voordracht er niet toe doet. De echte kwaliteit zat 'm gisteren in het naturel aanwezig zijn, met een vleugje pastiche en goede woorden in huis hebben: het vreemde kwam zo vanzelf nabij: Onbederf'lijk Vers.