donderdag 19 juli 2012

Weg

Zo. Is er dan eindelijk een computer vrij in de bieb. Opvallend, er zitten overal 'buitenlanders' achter en ook ik pas natuurlijk precies in dat plaatje. Bij de kinderen, meerdere meisjes met hoofddoekjes om. Wat betekent dat? Mogen ze thuis niet computeren, hebben ze geen computer? Zijn de buitenlanders 'armer', dat zij degenen zijn die hier zitten? Gaan die buitenlandse kindertjes niet op vakantie? Misschien zijn het allemaal asielzoekers. Nee, die gaan niet op vakantie, die wonen nergens, de wereld is geen plek om ergens te wonen en te werken en ergens anders, weg van het gewone, vakantie te vieren.

Ik ga wel weer weg: ergens anders  vakantie vieren. Zonet de laatste boodschappen gedaan, nieuwe tentharingen erbij en picknick-kleden voor binnen, de vloerbedekking van mijn tentje, waxinelichtjes, brood en kaas voor onderweg. Naar Kassel, de Documenta voor minstens een week. Ik koop aldaar namelijk een 100-dagen-ticket, dan kun je onbeperkt  gaan en staan waar je wil, en die ticket heb ik na exact een week eruit.Want een 2-dagen-ticket kost 35 euro en 100-dagen kost 100 euro. Ik kies voor de rust en het mogen kunnen kuieren.

Dat geren van het ene naar het andere, om alles te kunnen zien: ook in Venetië was er zo'n 2-dagen-ticket voor op het officiële Biennale-terrein. Ik vond het maar een vreemde bezigheid. Je wordt gedwongen om een kijkconsument te zijn: kijken, tot je nemen, weer naar het volgende, kijk, hap, slok, weg. Verwerken en beleven hoor je kennelijk daarna te doen. Of zo. Daar was er gelukkig nog een stad vol om onbeperkt te genieten en daar heb ik ook de sterkste herinneringen aan: een kunstenaar ontdekken, bij het werk te kunnen zijn, dichterbij de beleving en de visie van zo'n kunstenaar proberen te komen, nog eens teruggaan eventueel,enkele dagen later; weer kijken.

Zoiets ga ik doen in Kassel en voor hoe lang weet ik nog niet. Nu het laatste inpakken, vanavond nog flaneren in mijn  eigen stad op de vierdaagsefeesten, heerlijk al die verschillende soorten sfeertjes, muzieksoorten, de lichtjes bij de rivier, de waalbrug van onder gekleurd aangelicht, vuur in een vuurschaal en vuurkorven, het water dat glinsterend oplicht en in de binnenstraten, weg van het feestgedruis uit een donkere binnentuin de zware, zoete geur van een paarse vlinderstruik.

Dit blog staat dus voor een onbekende tijd, stil.

woensdag 18 juli 2012

Barbiepoppen

In de struiken in mijn tuin zaten eens twee barbiepoppen. Ik heb ze bij elkaar gevoegd na een Koninginnedag. De ene vond ik aan de ene kant van het Goffertpark en ik nam die mee omdat ik vroeger geen barbiepop mocht hebben: dat was tuttig speelgoed: ik willigde dus een oud verlangen in. Op het einde van diezelfde dag ging  ik ergens aan de kant zitten, keek op en geloofde mijn eigen ogen niet, aanvankelijk: daar zat een andere barbiepop met uitgestrekte armen richting mij! Ze moest dus ook mee. Vrij en naakt heb ik ze verenigd en keken ze vanaf een tak, mijn tuin in.

Nu vroeg vriend T. mij of ik oude knuffels had, hij had een idee voor foto's,  te maken voor een expositie die nu te zien is in de Nicolaaskapel in het Valkhof, een van de oudste kapellen van Nederland  en een van de  beeldiconen van Nijmegen. Daar hangen nu drie foto's met mijn knuffels, waaronder die barbiepoppen. We stonden in het halfduister in mijn tuin en hij wilde ze aanvankelijk helemaal niet meenemen, het zijn tenslotte geen knuffels, maar ik hield aan en nu zijn de barbiepoppen dus fotografisch vereeuwigd.

En nu komt het grappige: ik kan de foto niet anders dan bijna vrolijk duiden: het gaat voor mij over verlangen, het kiezen voor elkaar, gevonden zijn. Een andere vriendin zei erover: o, wat is die foto heftig en dreigend en vriend T. beaamde dat:  Het licht schijnt fel op ze, alsof er jacht op hen is gemaakt en dan die mannelijke figuren erachter en nabij. Voor mij horen die figuren op de achtergrond bij het domein van het niet echte, ze zijn een beetje vervaagd, wat echt is dat zijn die twee vrouwen. Het zou zelfs hun eigen verbeelding van het mannelijke kunnen zijn, opnieuw horend bij 'verlangen',  omdat de ene ook vage indiaanse trekken heeft.  Maar het zijn barbiepoppen! zegt T. daar weer op, ze zijn hard, hebben geen ronde vormen, nou nee, verlangen kan hij er niet in zien.

Het kan niet anders: het verhaal en mijn eigen fantasie rondom deze barbiepoppen, bepaalt mijn interpretatie en wel zo dat ik het niet meer anders kan zien. Zoals dat bekende plaatje uit de psyhcolologie in zwart-wit: je ziet ofwel een vaas, ofwel twee gezichten die naar elkaar toe zijn gewend. T. heeft het haar van de barbiepoppen met opzet niet gekamd, dat geeft iets van verwildering, ik zie er wildheid in, ongetemdheid. Zó zaten ze mijn tuin en zelfs het been van de ene is nog wat bemodderd.

Wie nieuwsgierig is geworden googelt op Thijs Rutten, dan zie je het vanzelf. Het overkoepelende thema van zijn werk is voor mij de vraag: Wat is echt en wat is onecht? Daar was T. het wel mee eens. Echtheid, blijkt dus ook te maken met het consistente verhaal of de context rondom dat wat je ziet. Daarom is het ook niet de bedoeling om te kiezen, maar om het te laten bestaan in alle ambuiguiteit. Je hoeft niet te kiezen, beide is waar. Zoals blijkt bij deze barbiepoppen.

Rutger Kopland

Vandaag wordt Rutger Kopland begraven. Voor mij dé Nederlandse dichter bij uitstek omdat hij me vertrouwd maakte met het Nederlandse landschap. Dat is ontworpen en deels bedacht, nergens helemaal vrij en woest, zo dat je er geen mensenhand in kunt ontwaren. Er is altijd een reminiscentie naar het menselijke. Zo waren zijn gedichten: over de Drentse Aa, een weiland, wat vee, een moestuin, met daarin ook altijd een aanwezigheid van verlangen en heimwee.

Die Nederlandse nuchterheid, dat op spreektoon zorgvuldig vertellen wat hij waarnam en daarin die zucht: van het niet-weten, het geheimzinnige, melancholie zonder exact te weten waarom. Was het naar meer, vervulling?... te grote woorden. Het is een melodietje van thuis willen komen, almaar geneuried, als een kikker in de keel, het gebrom van een teddybeer, als die zou kunnen brommen en kunnen knikken naar je en zijn zachte pootje troostend tegen je wang zou kunnen leggen...

In zijn bekendste gedicht Jonge sla zit dat allemaal, waargenomen bij zichzelf Alles kan ik verdragen...zo begint het, het verdorren van bonen, stervende bloemen...alsof hij zegt: dat is, zoals het is, dat gebeurt er nu eenmaal, dor worden, afsterven. Het hoekje aardappelen kan ik met droge ogen zien rooien, daar ben ik werkelijk hard in. Opnieuw: dat is de gang van de natuur, die aarappelen horen gerooid te worden, ook al kan het een inbreuk lijken op de aarde en de wijze waarop ze nog zo prettig in de grond staan. Maar jonge sla, in September,net geplant, slap nog, in wachtende bedjes, nee.

Waarom dat niet? Omdat daarin nog alles zo vol verwachting is, zo broos, het kan zó ondoordacht kapot gemaakt worden, door te ruwe handen, een niet waakzame voet, een te harde regenbui: zo kwetsbaar, zo weerloos, is alles wat nog groeien gaat. En de kiem van groei, voorzichtig blijven groeien, dat zit er in ieder van ons: alleen die gewaarwording houdt ons wakker, telkens weer, wat we al ervaren hebben, hoe we ook al zijn geworden: iets in de kern van onze ziel blijft jonge sla...

Ik sloeg een gedichtenbundel van hem open en kwam bij GROEN UITGESLAGEN , uit de bundel Alles op de fiets. Het tweede gedeelte van dit gedicht begint met de raadselachtige zin: Grootmoeder weer begraven. Hoezo weer? Opnieuw in de gedachten? Is ze opgegraven om op een nieuwe plek weer begraven te worden? Het antwoord doet er niet toe. Het is het telkens weer, waar Kopland aan hecht, de levenscyclus van het groen dat altijddurend groeit, sterft en zich weer herneemt tot op je menselijke huid met het vingertoppengevoel van altijd blijven tasten:

Grootmoeder weer begraven. Het mistte
vaag en de zon scheen vaag en er was
niets meer aan te doen, alles was
betaald. Eenmaal gaan we allemaal
werd er gezegd. Om te huilen zo mooi.

In een rivier deze zomer hele grote
gladde groen uitgeslagen rotsblokken
gezien en bevoeld met net zulke prachtige
details als bij jou, wel van steen natuurlijk.

dinsdag 17 juli 2012

Colours of the wind

Nichtje L. zong op verzoek van haar oma een liedje. Die had haar allang niet meer horen zingen. Ze zong De kleuren van de wind, ofwel Colours of the wind uit de Walt Disneyfilm Pocahontas. Ik hoorde het liedje voor het eerst in Idols, gezongen door Hind, die indertijd de winnares van dat programma had moeten zijn, maar toch wel haar plekje in de muziekwereld  gevonden heeft. Pocohontas, het Indianenmeisje,  zingt dit naar de Amerikaanse Williams, haar geliefde: 'Je denkt dat ik een wilde ben... maar wandel in de voetstappen van een vreemde en ontdek dan dat alles met iedereen verbonden is, dat je kunt schilderen met de kleuren van de wind...

Nichtje zong het uit volle borst en dan zie je wat zangles ook vermag: de borst als klankkast, durven uithalen, mee gaan met het gevoel en de melodie... het was prachtig en ontroerend. Dit liedje wil ik wel op mijn begrafenis. zei ik, dus neem het maar alvast op! Ja, dit meen ik. Dit liedje is wel zo ongeveer een soort lijfliedje, dat wel past bij die laatste dag die je lichaam nog doorbrengt bovenop de aarde. Gewoon een liedje uit de populaire cultuur en wat zou het aardig zijn als een ieder met zo'n insteek in het leven stond.

's Avonds zag ik de film The Abyss van de regisseur James Cameron. Nog zo'n resultaat uit de populaire cultuur die verpakt in een actiefilm, een wijze les bevat.  In beelden daal je ook af naar de afgrond in je en de kronkles in je brein en   dan vertelt het dat je er iets onverwachts tegen kunt komen:  Een booreiland met personeel en een kernkop verdwijnt tot onder in de oceaan. Aan het oppervlak wordt de wereld geteisterd door orkanen en tsunami's, muren van water,  staan klaar om de wereld weg te vagen en dan trekt de zee zich toch terug. Waarom? Omdat één man besloot om de diepte af te dalen, die kernkop onklaar te maken, met de wetenschap dat hij niet meer terug zou kunnen komen.

Waarom moet dit gebeuren, vraagt dezelfde man aan  die andersoortige intelligentie die het water kan beheersen en kan vervormen naar wat het zelf wil. En hij krijgt in sneltempo beelden te zien van die menselijke beschaving: de oorlog, de geweren, de  concentratiekampen, de kernbommen, de jongen in zijn geruite overhemd vlak voordat hij word doodgeschoten, het rennende blote meisje met napalm...  al die verwoesting en zelfgemaakte menselijke ellende.

Waarom niet? Omdat  twee mensen van elkaar houden en elkaar toch weten te vinden, de kloof ofwel de afgrond tussen hen in weten te dichten. Zoals ook in Pocahontas. Ik geloof heel erg in dit soort voortbrengselen  van  de populaire cultuur: zij zijn de kleuren van de wind.

maandag 16 juli 2012

Tik, tik, tik

Tja, nu regent het weer en is het grijs en is het weer moeilijker om bij mijn inzicht van gisteren te blijven: dat ik niet voor niks toch geen retour naar Bologna doe, voor maar 160 euro, géén geld, omdat de reden daartoe alleen maar het verlangen naar zon is. Terwijl ik het liefst naar de Documenta in Kassel ga. Dat ik eigenlijk een heel klassieke strijd in mijn hoofdje had gevoerd: ga je voor het lichaam, of voor de geest? Wie en wat krijgt het eindwoord: de lusten, het genot, de behoefte, of iets wat dat 'overstijgt ' en  in een ander licht zet: het voedsel voor de geest, je geest die vrij is en  kan gaan waar die ook wil?

Het is raar om eventjes werkelijk alles te kunnen. Ik kán als ik zou willen naar de andere kant van de wereld vliegen. Ik kan thuis blijven op een stoel. Nu ik weet dat er een ticket is  naar de zon,  die zo helemaal makkelijk voor handen ligt, lijkt het tegelijk zo onnozel om dit te gaan doen. Zo niets zeggend. Dat zegt toch ook niks, lui in de zon willen liggen en daar een vliegtuig voor willen nemen, waar ben ik dan in hemelsnaam mee bezig?

Ik zat in de kapel, een uur lang, het was zó stil en ik hoorde de regen tikken: tik, tik, tik...Zo'n plek: de leegte, de koorbanken rondom die leegte, het centrale punt van een altaar en een kruis in dit geval... alleen de ordening van de ruimte zelf is genoeg om ergens te ervaren dat je niks anders nodig hebt. Ooit zat ik zo in een tempel in Bangkok: de regen, de stilte, een groot gouden Boeddhabeeld voor je en hetzelfde gebeurt: een Heiilge, gewijde ruimte onstaat in je, is er, doet zich voor aan je, je bent gearriveerd, je hoeft nergens meer heen, dit  is het: alle verlangen gestild, thuis gekomen.

In de droge avond, midden op de brug, met de rivier onder je, de lichtjes van het reuzenrad, de laserstralen aan de horizon van The Matrix in the park, de feestenten met de bontgelkleurde lichtjes aan de rood-wit gestreepte tenten achter je van het Habana aan de Waal, drie boeken onder mijn bodywarmer, gekocht bij het boekenbusje (dát lijkt me ook leuk, om te hebben), op de uiterste punt gezeten van een krib, als het ware midden in de Waal: ook dat is de ervaring van thuis komen, thuis zijn , in de stad waarin ik woon.

Tik, tik, tik, zegt de regen, zegt de klok, zegt mijn hart.

zaterdag 14 juli 2012

Intrige

Het menselijk brein kan licht zijn en speels, verbinden en gelukkig maken, maar ook het omgekeerde: zwaarte, kleefdraden die alles aan elkaar plakken tot hompen ongedefinieerd materiaal vol intrige, spanning, onhelderheid. Wat houdt je daarvan weg? Hoe zorg je ervoor dat helderheid het wint van het duistere? Iets van een antwoord heeft met VERTROUWEN te maken, je zelf niet al te belangrijk maken, geloof hechten in de mensen die je in je leven zijn toegevallen. Misschien is dat wat men geromantiseerd heeft in het begrip liefde: liefde is geen liefde als je wilt hebben en bezitten, maar als je kunt laten en vertrouwen.

Gisteren op de afsluitende BBQ van mij werk, waar alle collega's van het cluster van wijk-buurt-en jongerencentra bij elkaar waren, zegt een collega tegen me: Weet je nog toen we pas met elkaar in de auto zaten, vlak bij mij in de straat en nog wel anderhalf uur zaten te kletsen? Mijn buurvrouw heeft het gezien en die dacht dat ik met een man in de auto zat! Ze wilde weten waaarom ik zo laat op de avond met die man in de auto zat! Die collega vroeg dat aan mij, terwijl haar eigen man die ook beheerder is, ze zijn verliefd geworden op het werk, er met een schuin oog bij zat.

Ja! beaamde ik, we zaten er best wel lang, goh, dat ik voor een man werd aangezien, ik had zeker mijn hoed nog op! Zo komen dus de roddels in de wereld, voordat je het weet gaat jouw hele buurt denken dat je een of andere geheime minnaar hebt! Toen ik dit allemaal zei, was ik me nog niet eens zo bewust dat haar man erbij zat, maar vanochtend zag ik ineens het eventuele nut van haar vraag aan mij, in die volle kring van collega's, met name haar man.

Want nu kon ik meteen beamen, dat we inderdaad in die auto hadden gezeten, al weet ik niet of haar man, dit nodig had, een 'bewijs' om de observatie van de buurvrouw te ontkrachten. Ik vermoed eigenlijk niet echt: Bovendien, áls je dan kwaad wilt en doet en denkt, dan was het ook nog mogelijk geweest dat deze collega mij in het complot had betrokken en aan mij tevoren had gevraagd om haar wél clandestiene ontmoeting met haar eventuele minnaar af te dekken.

Zo gaan de intriges en complotten van mensen, waargebeurd of in de fantasie. Stel dat die buurvrouw gewoon maar volhoudt: 'Ik ben toch niet gek! Ik heb je gezien met een MAN in je auto en jullie waren wel erg verdiepd in elkaar!' Dan blijkt het enige wat oplossing kan brengen en helderheid kan geven, het vertrouwen dat er wel of niet is tussen twee mensen. Wil en kun  je op elkaar vertrouwen en op elkaar  bouwen, of niet?

Trouwens, nu ben ik toevallig een vrouw en de insinuatie van de buurvrouw zou dan nog altijd waar kunnen zijn, alleen is het niet zo.

vrijdag 13 juli 2012

Schedelkom

Ik ben er het hele museum, het Kunstpalast in Dusseldorf weer voor teruggelopen, door al die zalen, vlak voor sluitingstijd: om nog een keer te kijken naar een schilderij van Zurbaran van 1640, gemaakt met zijn studio: Franciscus van Assisi in een grot, terwijl hij met zijn handen een menselijke schedel, vol aandacht, draagt. Dit is het mooiste portret van Franciscus dat ik ooit gezien heb, dacht ik.

En waarom? Omdat Franciscus nu eens niet naar de hemel of naar boven staart, omdat hij helemaal gericht is op de materie, die schedel, in zijn lichaam, zijn houding, in alles. Omdat de stof van zijn versleten habijt dat nog eens versterkt. Zurbaran is beroemd geworden doordat hij zo fantastisch stoffen kan schilderen. Omdat alles stof is en vergankelijk. Omdat het licht hem van binnen uit de grot waarin hij is van de zijkant beschijnt, maar hij het niet merkt. Omdat dit alleen maar 'goddelijk', of innerlijk  licht kan zijn, dat vanuit het donker schijnt, want de uitgang van de grot zit aan de andere kant. Al je aandacht geven aan het aardse, je niet laten verstrooien door ditjes en datjes: de puntcapuchon over zijn hoofd versterkt dat nog eens.

Dit beeld wilde ik vasthouden, door nog eens, het laatste kwartier voor sluiting ernaar te kijken. Ja, ik heb toch echt wel wat met 'm, anders zou het me niet zo raken, dacht ik. Al meer dan twaalf jaar is hij, tesamen met Clara toch ook een referentiekader. Alles telkens weer terugwillen brengen naar eenvoud, want in de eenvoud schijnt het licht dat alles doordringt.

Zonet zocht ik naar een  afbeelding er van op Google, maar kon het niet vinden, dat had ik eigenlijk ook niet verwacht, maar je weet maar nooit. Wel werd ik verrasd door een andere afbeelding die er wel bij in de buurt komt: Franciscus staat er in zijn bruine pij met in zijn handen een schedel. Hier geen omgeving, geen grot, niks, hij staat alleen maar, licht gebogen naar die schedel.

Alle verrukking, wirwar, kleur, geur en sensatie die de wereld bevat: je kunt het alleen maar werkelijk tot je nemen, savoueren als je het aandachtig in de kom van je eigen schedel laat rusten.