zondag 10 mei 2020

Balinees snoeimes & de optocht van Kentridge

De afgelopen week had ik er wel lol in om bijna elke dag met mijn Balinese snoeimes langs alle struiken die mijn tuin begrenzen te lopen. Hak! Hak! Hak! Flink  met het mes te zwaaien en het jonge blad van de laurierkers, de nieuwe slingers van de bruidssluier, hardgroeiende klimop tegen de zijmuur en takjes van de meidoorn weg te werken zodat alles min of meer een rechte lijn blijft. Het zijn de explosie groeiweken van de lente. Dat deed ik dan in de avondschemering en zag al die Balinese boeren voor mij, die bijna standaard met een snoeimes in de hand liepen, of geklemd in hun broek, op de rug. Vaak sneden ze al wandelend her en der takjes of groen weg, heel alert op hun omgeving.

Gek dat ik nooit op het woord ‘snoeimes’ kwam, pas thuis door Asterix en Obelix, het attribuut van de druïde, op zoek in het bos naar levenwekkende kruiden. En nu dacht ik ineens dat ‘De man met de zeis’ toch ook een soort van snoeimes, sikkelvormig, in de hand heeft, maar dan op een lange stok toch? De lengte van dat attribuut maakt het beeldend dat hij met éėn zwaai een mens letterlijk een kopje kleiner maakt en doodt, dus. Zo’n snoeimes hakt wel en haalt ook weg, maar daar is het doel toch om compactere groei mogelijk te maken.

Waar komt dat toch voor? Ik zag beelden voor mij in silhouet-zwart van mensen met een zeis... Zou dat bij William Kentridge zijn? Vast wel... misschien in die film van hem van een processie van mensen, die ik misschien wel tien keer bij elkaar opgeteld, bekeken heb in Filmmuseum Eye in Amsterdam, telkens gefocust op een ander detail of iemand volgend vanaf het begin naar het einde en weken later nóg een keer. Zou daar ondertussen op YouTube een filmpje van zijn? Ja! More sweetly Play the Dance,  heet het. Ik kon zo mee neuriën met de muziek en nu viel het me op dat er best een heel aantal zieke mensen meelopen met katheders vooruitduwend, temidden van nog zoveel meer.



Natuurlijk denk ik dan aan deze Corona-tijd... De optocht is vrolijk en droevig tegelijkertijd en in onze gang door het dagelijks leven zijn ziekte en dood dichtbij gekomen. Elk mens, elke ontmoeting bevat in potentie een gevaar op besmetting en de vreugde van elkaar zien... Dat is heftig, als je daarbij stilstaat. Dit filmpje maakte al een grote indruk, maar gaat nu een nieuw hoofdstuk in, het lijkt nu meer dan ooit de optocht van het leven van nu, terwijl in werkelijkheid deze processie nu dus helemaal niet gemaakt kan worden.

In mijn eigen blog zie ik terug dat het in 2015 was, alweer vijf jaar geleden, dat ik dit gezien heb en dat ik Kentridge in 2013 ontdekt heb op de Dokumenta in Kassel: hij had daar een geweldige installatie, een grote zaal, deels verduisterd en alles daarin ging over ‘de tijd’. Het is vast daar, dat ik de zwarte schaduw-man met de zeis voorbij heb zien komen.

En zo ontstaat dit blogje naar aanleiding van mijn Balinese snoeimes en komt daarmee een stroom waar ervaringen uit het verleden weer mijn heden in wandelen en doe ik door William Kentridge weer even mee in zijn optocht over het leven. Nu viel mij op dat de natuur zelf ook blijft bewegen;  de lange grassen en de luchten...net zoals die bonte stoet van voorbijgangers, waarin je jezelf kunt herkennen. Zowel in het skelet als in de tollende dansende vreemdeling waarmee het begint.

zaterdag 9 mei 2020

The Giver

The Giver is mij voor het eerst opgevallen binnen de wereld van de graphic novel. Daar is een gebruik dat lezers hun favoriete boeken opsommen en laten zien op het internet, vaak in lijstjes van tien. Dit boek werd door een aantal jonge mensen de hemel in geprezen, dat ze er zoveel van hadden geleerd en er vaak aan dachten. Dat wekt dan mijn nieuwsgierigheid: jonge mensen lezen nog weinig echte boeken, wat boeken kunnen bewerkstelligen zijn nieuw inzichten zodat je een beter begrip of met een andersoortig gevoel in de wereld kunt staan en dit doet The Giver, dus.

De titel is op zichzelf al intrigerend: het gaat dus om iemand die iets geeft, maar wat? Ik kwam er al achter dat de graphic novel een boek als basis heeft van Louis Lowry. Nu blijkt het op het Internet Archive volledig downloadbaar en dat heb ik gisteren voor het slapen gaan gedaan, ik ga er vandaag in lezen. For all the children. To whom we entrust the future, krijgt het boek als opdracht mee. En gisteren ontdekte ik al scrollend langs het grote aanbod van films op Netflix, dat het dus ook verfilmd is, Meryl Streep speelt mee en omdat ik ooit bedacht had dat ik alle films van haar wil zien, was de keuzefilm voor de late avond gemaakt.

De film is dus mijn kennismaking met The Giver. De film begint in zwart-wit, nu blijken de meeste mensen in zwart-wit te dromen, ik kan me er dus niks van voorstellen, maar misschien is er dus met opzet voor deze metafoor gekozen. Alles draait om Jonas, ook al een significante naam, want Jonas zat eerst opgesloten in de donkere buik van een walvis, aldus een Bijbelverhaal. Er blijkt een samenleving te zijn waar iedereen aan elkaar gelijk is, alles wordt geregeld door de ouderen, een ieder gaat voordat hij zijn huis uitgaat langs een scanner en krijgt daar een injectie. Om emoties te dempen, blijkt later. Na de Jeugd volgt er een ceremonie waar een ieder een taak krijgt, zo zijn er ook baby-hoeders, want baby's worden gekweekt en drone-piloten om de wereld waar al deze gemeenschappen in gezinnen met twee kinderen leven, te bewaken. Twee jeugdvrienden van Jonas krijgen deze taken. Ik moest aan Auroville denken in Zuid-India: ook een poging voor een ideale samenleving en ik liep daar op lege paden, zoals het in de wereld van Jonas ook ordelijk en rustig is.

En de wereld is dus zwart-wit, maar Jonas is anders: hij ziet bij zijn jeugdvriendin kleur in de haren, bruin, maar weet niet wat hij ziet. Jonas blijft over; hij wordt aanvankelijk overgeslagen in de ceremonie...en dan krijgt hij een uitzonderlijke taak: hij wordt de opvolger van de hoeder van de herinneringen en deze wordt door de ouderen altijd geraadpleegd , alvorens ze een beslissing maken die de samenleving als geheel aangaat.

De Hoeder van de Herinneringen woont in een huis aan de rand van de wereld, aan een ravijn, een grens waar de bekende wereld ophoudt, in een bibliotheek vol boeken, die allemaal van Jonas worden. Jonas is de Ontvanger van de herinneringen van de hele mensheid, alvorens die nieuwe samenleving werd ontworpen en de Hoeder is dus de Gever, ooit moet Jonas hem opvolgen. Gedoseerd  krijgt Jonas herinneringen: hij ziet voor het eerst kleuren, dobbert in een bootje op zee bij een zonsondergang en hij ziet mensen dansen in disco’s, op religieuze vieringen, Varanasi in India komt voorbij, Soefi, zingende mensen, sporters in een stadion, een muziekfestival, elkaar aanrakend, roepend en lachend, en Jonas kent het niet: muziek, een kus, een knuffel, maar maakt het nu allemaal mee: hij ontdekt de liefde: een emotie of gevoel dat onberedeneerbaar is en er zomaar kan zijn.

En ja... ik keek mee naar alles wat mensen doen met elkaar en dacht: zo is de huidige wereld in Corona-tijd dus zwart-wit geworden... alles wat ons gezamenlijk tot mensen maakt, het mag allemaal niet meer... als we niet uitkijken, dan moeten we al onze emoties uitschakelen om het vol te houden. Nergens naar verlangen, geen samenkomsten... maar misschien was voor de Corona-tijd de grote mate waarin mensen anti-depressiva gebruikten ook van hetzelfde laken en pak: echte emotie uitschakelen om in de rat-race te kunnen blijven functioneren. En straks als de economische crisis mensen in het hart raakt, dan worden ze wellicht ook weer op de been gehouden met nog meer van dat chemische spul...

Jonas krijgt ook de herinneringen van wreedheid, elkaar doodschieten aan het front, precies de reden waarom de ouderen ooit besloten om een nieuwe samenleving te creëren. Die dus steriel is geworden en baby's en mensen die niet passen, en te oud worden om een nuttige bijdrage te leveren ‘verdwijnen’ met een mooie ceremonie,uit eigen vrije wil. Maar Jonas leert dat dit een verdoezel-woord is voor doden en zo pijn en sterfelijkheid niet bestaan in die wereld zonder kleur.

Hij gaat ontsnappen en op het eind weet je niet precies of het hem lukt en waar hij terecht kont...Ook al zo’n Coronatijd-ervaring: we willen allemaal ontsnappen aan de wereld die nu een droom lijkt in zwart-wit, maar weten er niks vanaf of en wanneer dit gaat lukken... Een ieder probeert binnen de marges een ‘gewoon leven’ te creëren, maar het is niet gewoon: het nieuwe normaal is verre van dat wat we normaal zijn. Rutte had in de persconferentie van gisteren het beeld dat we sinds de tijd van de Batavieren dingen op een vanzelfsprekende deden en nu in enkele  weken het anders moeten doen.

Het boek is van voor  de  Coronatijd en dat jongeren het aanspreekt zegt ook iets hoe hiervoor de maatschappij zoals die draaide, ook verdoofde: The Giver, De Gever brengt échte ervaringen en brengt je ertoe om lief te hebben, wat ook met pijn en strijd gepaard gaat, maar wel kleur brengt in het leven. We zitten nu in een samenleving die zwart-wit moet zijn in de openbare ruimte en dan toch: het laaiende oranje, rode en lichte vuur laten branden en zo herinneringen van de mensheid warm houden...


vrijdag 8 mei 2020

Corona-blues ?...Leonora Carrington

Het mini-concert dat Norah Jones in onze nacht gegeven heeft, ik beluisterde het  nadat het één uur online was, in de vroege ochtend wanneer de mussen beginnen te tjilpen en ik vaak even wakker wordt, kun je wel de Corona-blues noemen. Vorige week was ze vrolijker, toen vierde ze de verjaardag van Willie Nelson. Maar nu: het eerste liedje herhaalt steeds  de woorden: Feeling the same way all over again  en haar tweede nieuwe liedje: Trying to keep it together. Tevoren zegt ze dat ze wel een vrolijker liedje had willen schrijven, maar dat dit eruit kwam... De enige woorden die ze spreekt, ze eindigt haar concertje met een handkus. Mooi om haar zo ongeschminkt en daarmee transparant te zien musiceren, kwetsbare emoties over haar gezicht.


Ik zelf heb alleen heel af en toe last van hele lichte Corona-blues... Zoals gisteren toen ik naar het openlucht tuincentrum ging in mijn buurt. Alle paarse Judaspenning is uitgebloeid, dus er mocht wel weer wat eenjaarse bloemenpracht in de potten komen. Het was er drukker dan ik ooit heb meegemaakt op een doordeweekse dag, maar door de grote kramen was 1,5 meter afstand wel te beoefenen, dus ik ging niet rechtsomkeer. Maar hoe anders is het nu: niet flaneren langs alle bloemetjes op en neer en ter plekke bedenken, welke kleurencombinaties ik dit jaar zou maken in de diverse potten.Ik ging aan de zijkant staan, scande wat snel veel kleur zou opleveren, wachtte tot de rij bij de kassa weg was en pakte vier grote Franse geraniums, die ik nog nooit had meegenomen, en één grote hangfuchsia en dan weg wezen.

Ach... wat is de wereld voorlopig veranderd... al zie ik in concreto niet veel meer dan mijn eigen achtertuin, ik heb mijn binnenstad nog niet gezien en heb daar ook geen behoefte aan. Het werkelijke leven zijn de mensen daarin, rust en leegte houden nu ook iets van gemis. Ik zag een filmpje van een wandeling over de kade bij Zattere, in Venetië. Een wandeling die ik door en door ken, zó dat ik van tevoren kon denken, zou zij ook nog even een inkijk geven in dat straatje dat nu komt, richting dat stille, intieme pleintje? Die ene oranje muur die daar zo afgebrokkeld is, nog steeds en dáár heb ik vaker gezeten... Maar dan is er de stilte: geen enkele tuffende boot op het water, kennelijk varen er ook nauwelijks nog vaporetto's. En die stilte is niet louterend, maar illustreert dat mensen weg moeten blijven, ze mogen niet bewegen in die prachtige omgeving die door hen zelf geschapen is.

Na het miniconcert van Norah Jones zag ik in de vroege ochtend bij Tate Shots een korte reportage van een nicht van de schilderes Leonora Carrington Britain’s lost surrealist. Ik heb een boek van haar van Susan L. Aberth, Surrealism, Alchemy and Art. Ik dacht dat zij al overleden was. Misschien is dat nu ook zo, maar in 2006 nog niet. Tot mijn verbazing vindt deze nicht Leonora in Mexico en plotseling is daar bewegend beeld van haar en ook nog een gesprekje. Een soort van omgekeerd effect van al die lege straten in mijn naaste omgeving ( alhoewel er op het strandje bij de vijver gezinnetjes hun picknickkleden hadden uitgespreid). Ik weet dat er lege straten zijn, maar vind het toch raar, al die bewegingloosheid. En nu meende ik nooit een bewegend beeld van Leonora Carrington te zullen zien. Zij voelde zich opgesloten in haar omgeving, ze paste er niet in, en onderwijl zie je stukken van haar schilderijen, zoals groene Engelse heuvels en een surrealistische soort vrouw erin, gewikkeld in een zwart-wit gevlekte koeiendoek en nicht vertelt dat ze, weg wil van haar familie en Max Ernst ontmoet en in Frankrijk met hem gaat wonen, zij was twintig jaar. Dan komt de Tweede Wereldoorlog en ze moet vluchten. En dan zie je haar ineens in beeld, haar oude benen schuifelen  in een winkelstraat en ik denk nog dat het oude archiefbeelden zijn, en zie ook nog eens op de achtergrond ‘Corona’ staan... Ja, dat is een Mexicaans bier, maar het lijkt uit de alchemistische wereld van Carrington zelf te komen, dat ik dit nu zo zie.

En dan ineens: spreekt Leonora Carrington, ze is vol in beeld, vol leven! Ze vertelt dat de enige kunst die ze van  thuis heeft meegekregen, haar moeder was, die koekjesblikken beschilderde. Er zijn verder geen kunstenaars in de familie, het is niet erfelijk, kunst komt ergens anders vandaan.
Een heel eigenzinnige vrouw, die indringend tegen haar nicht uit Engeland zegt: You’re trying to intellectualise something and you are wasting your time... canvas is an open space.. .it is a visual world that is different... I am moving in space...
Dat is wat er te doen is in deze Coronatijd: blijven bewegen in een eindeloze open ruimte die niet de nu krap bemeten ruimte van de huidige wereld is.


donderdag 7 mei 2020

Elkaar hoog houden, luisterend

Er zijn mensen die blijven zeggen dat de wereldwijde ‘pandemie’ in hun ogen een vorm van massahysterie is. Er gaan meer mensen jaarlijks dood aan aids wereldwijd, 800.000 en daar hoor je niemand over, terwijl de teller wereldwijd van Covid-19  maar op 150.000 staat, dus waar gaat dit over? Als we een eeuw geleden hadden geleefd, dan was het Coronavirus helemaal niet opgevallen, het grootste deel van de doden is immers oud en die gingen toen dan dood aan een longontsteking. De wereldwijde lockdown was helemaal niet nodig geweest, die schade is veel groter. Het journaal besteedde aandacht aan Zweden, waar ik ook al een blogje aan heb gewijd: daar is alles gewoon doorgegaan, er zijn daar nu ongeveer 3500 doden, maar ze hebben wel een groepsimmuniteit van 40% nu. Dus wat was wijs geweest, lijkt de eerste Nederlandse reflectie te worden, nu de lockdown stapje voor stapje wordt opgeheven.

Daar staat tegenover dat zo iemand als premier Boris Johnson ook begonnen is met te zeggen dat Covid-19 vergelijkbaar is met een griep, totdat hij het zelf kreeg en nu zijn pasgeboren zoontje vernoemt naar de dokteren die zijn leven hebben gered. En daar is dan Trump, die het virus ook niet serieus nam, er zijn daar nu 70.000 doden het hoogste aantal wereldwijd, en nu gaat hij China de schuld geven, die een virus uit het laboratorium heeft losgelaten en daarmee de grootste aanval op de USA heeft gedaan, groter dan 9/11... In Nederland is de berekening dat zonder lockdown er meer dan 23.000 mensen op de IC hadden kunnen belanden. Maar ja, straks blijken er mensen met posttraumatische symptomen te zijn van zes weken thuis verblijven, kinderen hebben een enorme leerachterstand en dat treft met name kinderen uit sociaal zwakkere milieus, want onderwijs is in de grond ‘de grote gelijkmaker’ en dus zijn er, die nu levenslang de boot zullen missen.

Dus tja... is er een gelijk te vinden in deze? Mij lijkt de kern, het criterium  van een goede handelswijze of er een vermogen was en is om te luisteren. Luisteren naar menselijke stemmen en geluiden en daarnaar handelen. We leven nu in een wereld waar door het internet informatie heel snel alle hoeken van de aarde bereikt. En daarin was al snel de stem van de ziekenhuizen en het zorgpersoneel te horen: in de lockdown in Nederland en de bereidwilligheid om mee te werken, speelde ten zeerste mee, dat niemand het mee wilde maken dat er gekozen moest worden wie er wel en niet op de IC mocht belanden. Voor het eerst prevaleerden ouderen en kwetsbaren boven The survival of the fittest in het woord ‘samen’. Nu dit eerste gevaar geweken is, gaat in Nederland de aandacht richting andere slachtoffers die door de lockdown dreigen te vallen: depressie, angst en slapeloosheid nemen toe, faillissementen van bedrijven: van de KLM, tot theaters of die ene droom van een één-mens onderneming... Dus het moet weer anders en dit is ook een vorm van luisteren.

Luisteren dus en ook gaandeweg leren over het virus; hoe dat letterlijk zijn gang gaat. De pandemie is écht omdat de wereld geluisterd heeft naar berichten over het virus dat zich toch niet hield aan alleen maar koude en vochtige streken, zoals men bijvoorbeeld nog even op Bali dacht, dus de onbekendheid van de besmettelijkheid is serieus genomen. Ook de berichten uit de zorg dat je niet meer kon vertrouwen op je professionele oog: patiënten stierven voor hun ogen, terwijl ze er enkele uren daarvoor nog best monter bijlagen. De Coronatijd heeft tenminste meer menselijkheid naar de oppervlakte gebracht: een lege wereld,  iedereen binnen met zoveel stilstand... maar tegelijk zoveel tekenen om wel naar buiten te willen komen, op zoek naar verbinding en dromen van een andere toekomstige wereld.

Ik zie de tekening voor mij die de kunstenaar Banksy heeft opgehangen in een ziekenhuis in South Hampton. Een jongetje houdt een poppetje omhoog van een verpleegster met een mondkapje voor en laat die vliegen, terwijl Batman en Spider-Man in de prullenbak liggen. Er blijft een virus dat het onmogelijk maakt dat mensen in grote evenementen bij elkaar komen, dat afstand houden van elkaar nodig maakt, mondkapjes verschijnen in het straatbeeld,  misschien komt het elkaar-een-hand geven, nooit meer terug... Een virus dat ook zorgpersoneel kwetsbaar maakt, omdat daar ook veel doden vallen, ondanks alle beschermende maatregelen. Er zijn geen superhero’s: ook Batman zelf is dat in de laatste verhalen niet meer en Spider-Man leert dat zijn nieuwe hoogmoed, omdat hij eindelijk populair is geworden in New York, hem vervreemd van zijn vriendin... Hij leert opnieuw te luisteren, zo zag ik onlangs in de film Spider-Man 3.

Blijven luisteren en elkaar hoog houden, zoals dat jongetje een gewoon mens laat vliegen... Dat vraagt daadkracht en dat heeft voor een ieder een eigen invulling, vraagt een volstrekt eigen handelswijze. Voor de risicogroep blijft dat: heel voorzichtig zijn en voornamelijk thuis blijven.

woensdag 6 mei 2020

Indië-romans, Geheime Kamers van Jeroen Brouwers

De afgelopen week heb ik De Indië-romans gelezen van Jeroen Brouwers. Het boek stond in de slaapkamer van mijn ouders met daarnaast Geheime kamers waar ik nu ook alweer een derde van gelezen heb. Dat ze in hun slaapkamer een plek hadden, uitverkoren uit de vele, vele boekenkasten die grote delen van het huis domineerden, betekent dat deze boeken toch een speciale plaats hadden, vermoed ik. Ik zie ook het beeld van Moeder op mijn netvlies tijdens een van haar laatste bezoeken aan haar huis: ze pakte deze twee boeken en overwoog om ze te gaan herlezen, maar bedacht zich en liet ze toch staan.

De Indië-romans, dat zijn er drie: Het verzonkene uit 1979, Bezonken rood  uit 1981 en De zondvloed uit 1988. De laatste is de echt dikke pil, de andere twee bevatten respectievelijk 70 en iets meer dan 100 pagina’s, terwijl de hele trilogie 974 pagina’s beslaat. Allen hebben een autobiografische basis: Brouwers tijd in Indië, het huidige Indonesia, zouden mijn ouders zeggen, dat hij als achtjarig jongetje verlaten moest. Zijn jeugd daar heeft hem nooit losgelaten en heeft zijn leven gekleurd.

Het verzonkene was voor mij direct herkenbaar en maakte mij weer extra bewust hoezeer ik zelf, notabene tweede generatie en niet in Indonesië geboren en er pas op mijn 16e voor het eerst geweest zijnde, toch de verhalen en het referentiekader van mijn ouders ook in mij ergens verzonken zijn en een onderdeel zijn van mijn eigen identiteit. Die ervaring had ik ook tijdens mijn laatste verblijf op Bali: voortdurend was er de echo van herinneringen aan mijn grootouders en de verhalen van mijn ouders... Laat staan hoe dit voor hen aanwezig moet zijn geweest: Indonesië, de geuren, het intense groen van een vibrerende natuur, het klimaat, het leven buiten en niet binnen... Het vrijer en losser in het leven staan dan in het zo anders mannelijke katholicisme en het stijve calvinisme, belichaamd in zijn vriendinnetje Tikkoes naar wie hij zijn leven lang blijft verlangen: Jeroen Brouwers beschrijft het allemaal heel treffend, en hiermee begrijp ik wel waarom het boek een plaats in de slaapkamer van Ouders had.

Het tweede boek Bezonken rood, is een onderwerp geworden van een felle discussie indertijd: Brouwers beschrijft er de tijd van de internering in een Jappenkamp en de ervaringen van zijn moeder en de wreedheden die er zouden hebben plaatsgevonden. Pas tijdens het lezen vond ik zelf ineens dat de beschrijvingen van spleetogige monsterlijke mensen wel wat karikaturaal is en ik dacht: als dit allemaal zo gebeurd is, dan zou dat wel meer bekend kunnen worden... Het boek is destijds zeer lovend ontvangen door de literaire recensies, behalve door Rudy Kousbroek. Ik was destijds fan van hem dus ik pakte het boek uit mijn boekenkast erbij: Het Oost-Indisch Kampsyndroom, waar Kousbroek zelf zijn jeugd in Indonesië verwerkt: Brouwers beschrijft wachttorens à la de concentratiekampen, die er nooit geweest zijn, waarom wil hij de kampervaring in Indonesië daaraan gelijk stellen? ... een soort van literaire vrijheid, die Kousbroek ten aanzien van dit onderwerp volstrekt ongepast vond.

In De zondvloed komt die ietwat larmoyante aard van Brouwers, beneveld ook door de alcohol en zichzelf steeds tot de orde roepend wat nu de werkelijkheid en wat zijn fantasie is, nog duidelijker tot uiting. Dramatiseren, de vrouw met wie hij twee kinderen heeft verafschuwen in beeldend taalgebruik, zichzelf opsluitend in een verlaten huis in een bos, op zoek en heimwee houdend naar de onschuld en de vrij van zonden beleefde lichamelijkheid met Tikkoes, zijn jeugvriendinnetje  in andere vrouwen, bedorven geraakt in het internaat door katholieke broeders en dit vervloekend: dat houdt dan toch mijn aandacht vast omdat ik iets van die interne dialoog toch herken: het andersoortige referentiekader van het Oosten naast die van het Westen.

Voor mij ook goed beschreven: de wijze waarop er geen lineaire tijd is, maar ervaringen uit het verleden ook voortdurend je heden in wandelen en je soms zelfs ter plekke al weet hoe je wat er gebeurd met je mee zal blijven dragen. Dat je in die huidige tijd en wat er ter plekke gebeurt soms niet anders kan, dan de rol die daarbij hoort, op je te nemen, dat je mensen om je heen ziet handelen binnen de kaders en stramienen die zij zijn geworden door hun eigen omstandigheden en dat je dit niet kunt veranderen...

Ik had  dus een boeiende tijd met het lezen van deze Indië-romans, dus ik besloot ook dat andere boek Geheime Kamers ter hand te nemen. Ik zag op mijn netvlies Moeder dit boek uit het blauwe boekenkastje tegenover hun bed pakken, het openslaan met de woorden: misschien deze maar mee... Ze las de eerste pagina en zei toen meteen: Nee, toch maar niet en ze sloeg het boek resoluut  weer dicht. De titel van het eerste hoofdstuk blijkt te zijn: ‘De eerste dag van de dood’. Ik voelde mij even in moeders schoenen staan: dat wil je niet lezen, als je al weet dat je nog maar een heel korte tijd te leven hebt... Wat een raadsel blijft het: Leven. 

dinsdag 5 mei 2020

Grandma’s Goldfish: bevrijding

De laatste catalogus van het laatste museumbezoek voor de Corona-tijd, het was in januari voor mijn reis naar Bali: CRUX in Museum De Fundatie in Zwolle met vier schilders uit Leipzig. Die hele tentoonstelling heeft nu een andere lading en betekenis gekregen: er komen nauwelijks mensen voor op al die schilderijen, en als er eens eentje is afgebeeld, dan alleen, een leeg Forum Romanum in Rome, de oudste stad van de wereld, zelfs de zeven schoolkinderen in een verder lege museumzaal van Robert Seidel lijkt een vooraankondiging van de  Coronatijd. Zo mogen kinderen dat binnenkort weer doen met elkaar, maar liever geen volwassenen in beeld, niet als toeschouwers op sportvelden, liefst zo weinig mogelijk, overal.

De lege architectonische ruimtes van woningen en stukken stad van Martin Kobe; ze associeerden eerst voor mij aan al die ruimte in je hoofd, de onbekende doorkijkjes en doorgangen die soms ook in het niks oplossen. Maar nu lijken het blauwdrukken van de huidige steden. Ik zie door elk schilderij de lege straten en pleinen van nu. En dan de hutten, bouwsels gemaakt uit rommel, oud hout, schamele onderkomens van Mirjam Völker: ik zie mezelf knutselend aan mijn afdakje afgelopen week. Ooit maakte iemand een stuk met palen, kippengaas en een stuk rieten schutting daaroverheen en ik heb het in de loop der jaren twee keer zo groot gemaakt, met een wit zeil, gevonden op Koninginnedag, bamboe uit de tuin, oude tenten, een oude bezemsteel , plastic zakjes en wat al niet meer. Het is het verlengde van mijn huis, waar ik bij milde regen onder kan zitten en wint nu , in quarantaine, extra aan waarde. 

Gekluisterd aan huis... ik zag een mooi Japans tekenfilmpje Grandma’s Goldfish.  Het speelt zich ook helemaal af in de letterlijke en figuurlijke binnenruimte. Een oude vrouw kijkt op een binnenplaats naar haar grote goudvis, die in een grote houten ton zwemt. Maar haar dochter haalt het weg en verplaatst het in een klein aquarium binnen. Ze gaat slapen en droomt. De vis ontsnapt uit het aquarium, het hele huis staat onder water en is al verlaten, oude lijstjes tegen de gangwand,verdorde planten in bakken. De oude vrouw ziet het allemaal want ze volgt de goudvis in dezelfde houten ton, zo lijkt het, waar de vis niet meer in mocht wonen. Ze komt in de kelder van het huis, de goudvis lijkt verdwenen, ze kijkt het water in en komt zichzelf tegen als kind, met een piepklein visje, dezelfde? , in een emmertje. Het verhaaltje gaat nog verder...



Het filmpje ontroerde mij. Gaat het over de ziel van de oude vrouw die door haar hele leven in alle binnenruimte gaaf en intact is gebleven? Gaat het over dromen naar vrijheid en onbeperkt daar kunnen zijn, waar je maar wil? Gaat het over de angst iets voorgoed te verliezen, niet wetend wat er behouden blijft?... ik weet het niet, maar ergens gaat het ook over de uitdaging en de opgave in deze Coronatijd. Roeien met de riemen die je hebt en je verbeeldingskracht niet verliezen.

Ik zag natuurlijk de viering in de Nieuwe Kerk en de nationale herdenking op de Dam. Ik heb er weleens bij gestaan, vlak naast het monument, glimpen opvangend tussen de hoofden van de dicht op elkaar gepakte mensen, van de kransleggers, die daarna opgevangen en begeleidt werden naar het hotel erachter. En anders was ik in mijn eigen stad naar de herdenking gegaan. Het is lang, lang geleden geweest dat ik het via de tv heb meegemaakt. De speech en het verhaal van Willem Alexander blijft hangen, beeldend en concreet. Dat doet hij goed.

En wat ook blijft hangen is zijn vrouw Máxima, elegant in een zwart kostuum dat je een soort van broekpak kunt noemen. In de wind wapperden de lange zwarte zijflanken. Ze had iets van een zwarte vogel, klaar om weer uit de as te willen herrijzen. Toen vlak voor middernacht het bevrijdingsvuur bij  hotel de Wereld in Wageningen werd ontstoken en Tanja Kross met Lavina Meijer op harp, Blackbird Singing in the death of night zong, werd dit beeld voor mij nog eens versterkt. Zou Máxima dat met hen hebben afgesproken? Take these broken wings and learn to fly... Zoals Grandma’s Goldfisch blijft zwemmen.

maandag 4 mei 2020

Kaddisch. De kat van de rabbijn

Er worden nog steeds zoveel achterhoedegevechten geleverd in kerkgemeenschappen over de ware leer en wat wel en niet zou mogen en moeten. En dat allemaal in naam van die ene God waarin men dan belijdt daarin te geloven... in  de grond onbegrijpelijk voor mij, want wie de smaak van God heeft geproefd, een zweem van kruidige bloemige parfum in de wind heeft opgevangen, op de tast iets gevoeld heeft van een zachtheid waarvan je de omvang en gestalte niet kent,  die wordt gedragen door zachtzinnigheid en mildheid. Dan weet je dat God zich niet laat zien met de ogen, noch te horen is met het oor, en dat geen mens dus kan weten wat de wil van God is...

Ik noem met opzet alle zintuigen omdat dit is wat we allemaal met elkaar delen. Die zijn, om in hetzelfde taalspel te blijven, door God aan ons gegeven om ons daarmee tot de wereld te verhouden en niemand heeft een alziend en alwetend oog gekregen. In de monotheïstische godsdiensten Jodendom, christendom en de islam, de godsdiensten van het woord, is de valkuil des te heviger gebleken om elkaar met het boek in de hand te veroordelen, je superieur aan een ander te maken, je op te sluiten in een eigen gelijk.

En al deze woorden borrelen nu in mij op omdat het vandaag dodenherdenkingsdag is en ik nu luister naar Kaddisch van Maurice Ravel en vandaag wil ik daar meerdere verschillende uitvoeringen van horen. Een Hebreeuwse melodie doordrenkt  van heimwee en verlangen en die met de holocaust op de achtergrond gekleurd wordt door verdriet, lijden en zoveel vergeefsheid: gemis en leegte in zoveel generaties van Joden, een gapend  gat gemaakt dat zich niet zomaar laat dichten...

Maar ik wil het ook beluisteren tijdens het herlezen van de graphic novels De kat van de rabbijn van Joann Sfar. En dan misschien met de stem van Nora Fischer erbij want dat zou ook best wel de stem van de sprekende kat kunnen zijn die in deel 1 aan de rabijn vraagt of zij ook Bar Mitswa mag doen en de rabbijn zegt dat hij dat moet gaan bespreken met andere rabbijnen. De kat vindt dat onzinnig, waarom zou God dieren uitsluiten? De kat volgt jonge rabbijnen in opleiding en ontdekt dat sommigen inderdaad braaf met elkaar de Thora bestuderen, maar er is er ook eentje die naar de Arabische wijk gaat en daar een liefje heeft en voor hem houdt ze een zwak.In deel 3 Exodus gaat ze vanuit Algiers mee naar Parijs naar de schoonfamilie van de dochter van de rabbijn. De laatste hoort de kat niet meer spreken en vindt de familie te lichtzinnig en kan dus niet bij hen logeren en gaat zwerven door de straten van Parijs. En in deel 5 Afrikaans Jeruzalem zie je de wereld vanuit de ogen van een Joods Russische schilder, een vluchteling, die per ongeluk in Algiers is aangekomen, maar naar Jeruzalem wil. De kat reist mee, dwars door Afrika.

Dit laatste boek gaat ook over racisme en Joann Sfar zegt in de inleiding dat dit kennelijk nodig was om er nog eens aandacht aan te geven en de hoofdredacteur van het tijdschrift Charlie Hebdo juicht dit toe. Ook hierin weer een vermakelijk theologisch-filosofisch debat waarin een moslim die ze ontmoeten meent dat de schilder geen afbeelding mag schilderen van de dochter van de rabbijn, de rabbijn hem een beetje gelijk moet geven, maar toch blij is dat hij straks een portret van zijn dochter heeft, de schilder helemaal niks begrijpt van de discussie en de kat zegt dat als iemand dit zou meemaken die zou denken dat hij in een psychiatrische kliniek is terecht gekomen. 

Kaddisch en de Kat van de rabbijn kan dat wel samen? Zwaarte en luchtigheid?... Ja, alsjeblieft wel. Laat al die schriftgeleerden uit hun donker kamertjes komen, weg uit de spinnenwebben die het eigen hoofd maakt, laat de zintuigen spreken en je gezonde verstand.

PS Vlak voor de nationale dodenherdenking die iedereen nu thuis moet meemaken voor de TV en een lege Dam geen ‘samen’ met alle zintuigen, geen fysiek component, het oogcontact met anderen om je heen, de expressie van lichamen,  zie en  hoor  ik op You Tube Kaddisch ,gezongen door Ofra Haza. Dat komt wel aan.