dinsdag 24 maart 2026

De Zee


 Deze week kreeg ik, staande in de branding, een sterke herinnering terug. Hoe Moeder ervan genoot om met een opgeblazen luchtbed naar een hoge golf te zwemmen, het puntje ervan zocht en dan mee met de golf richting het strand. Eigenlijk deed ze dus aan een vorm van surfen. Haar stralende bruine gezicht met zeedruppels, de gretigheid en er nooit genoeg van krijgen. Zwemmen was als kind al, haar lust en leven.
Het ontroerde mij, toen ik bij het opruimen van al hun oude fotoboeken vol met reizen die ze na hun pensionering ondernamen, er altijd standaard foto’s waren die Vader had gemaakt: Moeder baantjes trekkend in het zwembad, Moeder staande in zee.


Zij wilde graag dat ik ook meedeed. Met een zwemvest aan haar zijde, acht jaar ofzo was ik, in Spanje, het luchtbed vastklemmend. Ik vond het eigenlijk ook een beetje eng, die golven leken zó donker en hoog, maar zij verzekerde dat er niks kon gebeuren. Haar stralende gezicht en aansporingen overtuigden mij telkens weer, om tóch mee te doen.


Ik heb mijn hele puberteit en ver daarna, tot het einde van mijn studententijd, over de zee gedroomd. Ik was dan in een labyrintachtige stad, een beetje op een heuvel, aan zee. Dan rees de zee op en kwam er een tsunami en moest ik wegrennen voor het water. Ik had ook altijd groepjes mensen om mij heen, die ik moest ‘redden’. Kennelijk vertrouwden ze erop dat ik de weg wist door de kronkelsteegjes om het water te ontwijken, welk huis je in kon om de vloedgolf langs het raam voorbij te zien gaan.
In het begin lukte dat maar ternauwernood, maar gaandeweg, door de vele jaren heen, steeds beter. Ik wist dan dát er een vloedgolf zou komen en ging met het groepje mensen alvast naar een hoger gedeelte van de stad. 
En toen kwam de allerlaatste droom: Ik was alleen en zag vanaf een groene heuvel met de stad onder mij, de donkere vloedgolf aankomen. Naast mij was een ronde glazen kas. Ik ging erin om te schuilen. De golf kwam langzaam op mij af. In de kas stond een tafeltje met daarop één rode roos in een vaasje. De punt van de golf tikte de kas aan. Het glas brak en scherven spatten naar binnen en het vaasje met de roos viel om. Een doorn van de roos prikte mij in mijn onderarm, ik zag het bloed en toen werd ik wakker.
Ik wist meteen dat dit mijn allerlaatste droom zou zijn omtrent de zee, een vloedgolf en een stad. En zo was het.


In mijn echte leven bleef de zee aan mij trekken. Ik hou van steden met een zee nabij: New York en Venetië en ben daar dan ook graag tijdens mijn verblijf. Niks zo fijn als op één dag zowel bij de zee te zijn én te genieten van de culturele geneugten van de stad. Op Terschelling, op Oerol, elk jaar mijn tent waar ik het ruizen van de zee kon horen. 
En nu dan: tot twee keer toe ‘vast’ in India en voor een lange tijd aan zee.
Ooit heb ik wel gedacht aan zee te willen wonen; dat kwam door de film The Sandpiper.
En toen wist ik ineens zeker: Nee, nooit. Het altijd durende geruis van de branding zou mij gek maken.


Dat neemt niet weg, dat ik met de zee een soort van persoonlijke band voel. Ik mis deze, als ik er langere tijd niet ben geweest. Dan verlang ik naar dat moment op het strand dat ik de branding hoor en de golfslag één beweging gaat vormen met het ritme van mijn hart. De ervaring van zoveel ruimte en vrijheid.