Regendruppels die een nieuwe structuur geven aan de aarde, de zachte ronde vormen, zoals ook onze lichamen zélf zijn, daar is geen hoekigheid of puntigheid, we kunnen over elkaar rollen, omarmen, we kunnen tegen een stootje, er is veerkracht. Tenzij we zelf een vuist ballen, op scherp gaan staan en uithalen, moedwillig pijn willen doen.
In de ochtend tjilpen er vogeltjes, maar ik zie ze niet in de hoge bomen, ook niet met een verrekijker, het silhouet van de eikenboom werpt kort haar schaduw, en is even later alweer vervangen door de Gingko. Zo is het vlietend leven overal waarneembaar. Maar het politieke mensdom houdt zich vast aan de eigen halsstarrigheid, balt de vuist, klampt zich ineen in voornamelijk donkerblauwe pakken.
Waarom kan het niet méér zijn, zoals de kleur op de lichamen van vrouwen, zoals de ruimte in een bos?…Onnozele vragen want zo is de harde werkelijkheid niet. Maar het is evenzogoed wél de werkelijkheid: kleurrijk kunnen zijn…en ik zie in het stille water mezelf, rottend herfstblad op de bodem, een druppel water die valt, de boom die zoveel ouder is als ik, in de weerspiegeling.






