donderdag 19 augustus 2010

Lepeltjes

Waarom doe ik dit toch?, vroeg ik mezelf af toen ik in Venetië een theelepeltje bietste in een groot zelfbedieningsrestaurant. Nee, ik had het niet echt nodig. Maar ik had er wel lol in. Toen vond ik zomaar op een weg in Oostenrijk een mooi design theelepeltje van Vileroy & Boch. Het dingetje was tot zijn uiterste eenvoud en eerste functie teruggebracht: roeren. Het was zo smal als een stokje met aan een kant een verbreding, zodat je toch nog aan een lepeltje kon denken.

Toen ik ze beide thuis uitpakte, viel ineens het kwartje. Vader! Die nam altijd lepeltjes mee uit een vliegtuig en zelfs vliegtuigdekentjes, daar had hij lol in, het is een soort jutten dat net niet kleptomanerig is. Vader! En zijn essentie voelde even aan als heel dichtbij. Essentie: niet de persoon waarmee ik ook sterk van mening kon verschillen, die het moeilijk vond om zijn kinderen echt los te laten, die soms geheel niet open kon staan voor een andere mening dan die van hemzelf.

Al dat soort dingen, dat maakt nu uiteindelijk niet uit wie hij was. Wat gebleven is, als kern van vitaliteit is een soort joligheid, een speelsheid, zijn pretogen. Misschien is dat het enige dat telt: weet hebben en krijgen van de essentie van een ander. Dat is dan het allersterkste, aller vitaalste, allerlevendigste deel van die ander. Daar waar het twinkelt en bruist, daar waar iemands passie zit, waar de bron van die ander is, waar vanuit zachtheid en mededogen opborrelt.

Vaak heb je met lede ogen aan te zien en te ondergaan, dat die essentie van die ander geheel onder de modder lijkt te liggen. Weggestopt in eigendunk en eigen waan. Dichtgeslibd in onrust, teveel gedachten, teveel ego, te weinig openheid en transparantie. Dat is heel pijnlijk. Vooral als het je eigen ouders betreft. Troostrijk is het dan om nu al ervaren te hebben, dat die essentie uiteindelijk in de herinnering overwint. Dan kun je in de geest toch weer als lepeltjes tegen elkaar liggen. Terug naar de eenvoud van wie je kunt zijn: het goede in beweging zetten, roeren, je laten ontroeren.

Etsje

In Venetië, toen het een hele dag regende en ik dicht langs de gevels schuifelde om zo weinig mogelijk nat te worden, viel mijn oog in de etalage op een heel kleine ets. Zwart en grijze tinten bovenin en in het midden tot onder, oranje tinten van ochtendlicht op het water, waarin een Venetiaans huis weerspiegeld was. Eigenlijk was ik meteen verkocht, heel erg duur was het niet, maar ik ging toch eerst naar het Peggy Guggenheim Museum daar vlakbij om er geen impuls aankoop van te maken.

Een prachtig museum overigens, in het oude woonhuis van Peggy, een palazzo aan het water, waar alleen de eerste verdieping van gebouwd is en het binnen eenvoudig wit gestuukt is met een prachtige binnentuin met oude bomen. Uitzonderlijk in Venetië, veel groen is daar niet en een terras richting de Grand Canal, waar het water klotste en groen en grijs werd van het noodweer dat opstak.

Apart hoor, zo'n levenslot: blijk je te bulken van het geld door rijke ouders en dan besluit je daarmee een gigantische kunstverzameling aan te leggen van moderne kunst, die nu verspreid is over vele musea over de wereld, o.a. in Bilbao, waar ik ook geweest ben en New York (staat op mijn verlanglijstje. ) En zo kom je vanzelf in contact met de 'groten der aarde'.

Ik besloot om me door de regen heen, opnieuw te begeven naar dat kunstwinkeltje op de hoek. Het etsje dat ik gezien had bleek van de Venetiaanse kunstenaar Cadore. Hij is al 30 jaar gespecialiseerd in de weerspiegeling van Venetiaans water en gebruikt daarvoor een oude techniek, die door de Spanjaard Goya is ontwikkeld, zo liet ik me, lekker droog in de winkel, voorlichten door een man met een hondje dat je niet mocht aanraken en die bij nader inzien door meerdere kunstenaars van dit collectief was vereeuwigd op etsen en litho's.

De techniek behelst een combinatie van ets en aquatint. Dat betekent dat ook de kleuren van de ets zuur bevatten en evenals de zwarte inkt op de etsplaat worden geschilderd en dan wordt het gedrukt: eenmalig. Daarna wordt de plaat weer schoongemaakt en kun je weer opnieuw beginnen. Dit maximaal 50 keer ofzo, want dan is ook de etsplaat versleten.

Je krijgt daardoor het effect zoals Monet de kathedraal van Rouen op allerlei momenten van de dag heeft geschilderd, je verandert de kleuren en de hele sfeer is weer een andere. In de bakken was er van ditzelfde etsje ook één met dagkleur tinten, maar nee, ik was gevallen voor deze.

De symboliek ervan spreek mij aan: je ziet een donker steegje en een bruggetje in zwart en grijze tinten en alleen maar indirekt het licht en een huis. Zo is het voor mij ook met het grote Licht, dat ons allen verlicht: je ziet het nooit direct, maar alleen dan wanneer je het zorgvuldig opvangt, bruggen naar elkaar bouwt, wandelweggetjes. Zo bouw je samen aan een huis.

Ik heb het etsje dus gekocht. Toen ik googelde op http://www.bacart.com/ en bij de kunstenaar Cadore allerlei ander werk bekeek, kwam ik tot mijn verrassing mijn eigen etsje, in heel andere kleuren tegen: het is de Rio de la Toleta die hij afgebeeld heeft. Dat wordt mijn missie bij een volgend bezoek in Venetië. Tenminste als ik het dan nog te voet kan bereiken; er moet niet weer 28 jaar voorbij gaan, eer het zover is.

dinsdag 17 augustus 2010

Kloosterheimwee

Gisterenavond vergadering bij de Clarissen, alwaar we voor het eerst drie en een half jaar meditatie geven evalueerden. Tevoren gingen we eigenlijk elk seizoen vanzelfsprekend dóór. Aanleiding was dat de bedoelde doelgroep, 'jongeren' tot 45 jaar, langzaam steeds ouder is geworden. En het koffie drinken erna steeds luidruchtiger.

Zuster B. tendeerde aanvankelijk misschien te willen stoppen om te zoeken naar wegen om die jongeren wel binnen te krijgen. Ikzelf ben daar helemaal niet voor. Jongeren, die er heus wel af toe een poosje zijn, die vinden hun wegen wel. De vaste groep mensen die er nu is, die kun je toch moeilijk op grond van hun leeftijd af serveren. Iemand had dat ook al kenbaar gemaakt: Je gaat me toch niet vertellen dat ik, omdat ik te oud ben, niet meer mag komen?!

Opvallend voor mij was, om voor het eerst te horen dat deze activiteit, meditatie geven, door de zusters gezien werd als een activiteit die ze in hun vrije tijd doen. Dat betekent dat er dus in hun leefwijze een beleving is van werktijd en vrije tijd. Ik had gedacht dat dit toch meer als een geheel ervaren werd. Maar het is wel, bedenk ik nu, een aloude gedachte, die in het kloosterleven geworteld zit: dat bidden een werk voor God is.

We kwamen er wel uit, hoor, en we gaan gewoon door, maar ik had wel net mijn bus gemist. Voor hen was het de tijd van de dagsluiting. Of bidt je mee?, vroeg zuster R. Maar ja, daarmee zou het weer een uur later worden, want als ik meedeed zou ik de eerstvolgende bus ook weer net missen. 'Nou, je komt er wel uit hé'?' en ze snelden naar boven.

Daar zat ik, in het donker, alle lichten waren al uit en ik hoorde hun hoge, ijle gezang boven in de kapel, een aanvang nemen. Iets van heimwee overviel me. Ik zou eigenlijk best wel, daar in het donker gewoon de gehele dagsluiting willen horen. Als ik zelf zuiver en hoog zou kunnen zingen, zou ik me ook vaker naar hun klooster begeven. Heimwee... het is ook iets van een thuis, waar ik toch uiteindelijk niet kan komen.

Nu liep ik door de donkere benedenverdieping, van achteren naar voren, langs de geopende deuren van hun huiskamer en realiseerde me: dit is hun huis. Ze nemen nu met zijn allen afscheid van de dag, ze vragen de zegen over de nacht en daarna gaan ze allemaal naar hun eigen kamer, niemand komt meer beneden. Ik voelde me zo'n ouderwetse huisvader, die als laatste controleert of de voordeur wel gesloten is. Ik liep naar buiten, liet hun welhaast engelengezang achter me en werd weer meegenomen door de geluiden van de straat.

Geluid

De laatste week van mijn vakantie heb ik gekampeerd in de buurt van Zell am See, in Oostenrijk. Ik stond er helemaal alleen, vlakbij een waterval, die in gestage witte stromen vanuit de verscholen hoogte tussen de dennenbomen van de berg naar beneden kletterde. Daarnaast hoorde ik de auto's en het vrachtverkeer voorbij komen: constante bevoorrading en toeristenverkeer van en naar het doodlopende dal. Op de steile bergwand tegenover me kwam er regelmatig een kudde schapen voorbij; geklingel van alpen belletjes nabij de Gross Glockner.

Eenmaal thuis, viel me meteen de stilte van mijn achtertuintje op. Wat een heerlijke subtiele geluiden waren daar weer: het ruizen van de bamboe, het geritsel van blaadjes aan de bomen. 's-Ochtends vroeg om half zes werd ik wakker van het eerste gefluit van een enige, al wakkere, mus. Dagenlang genoot ik van het geluid van deze stilte: zo heel anders als in Oostenrijk waar ik geen ene vogel heb gehoord en het alleen in het kleine roze kerkje in Viehhofen, doodstil was.

Vreemd, die ervaring van stilte die gemengd is, bijna altijd, met geluiden. Maar geluiden uit de natuur, die horen ergens toch ook bij de stilte. Mechanisch geluid is meestal lawaai. Maar toch: ook dat soort lawaai kan uiteindelijk door de geluiden uit de stilte overstemd worden, zo is een andere ervaring van mij van deze vakantie.

De eerste camping waar ik belandde was in Colmar, in Frankrijk bij de Elzas. Bij het betreden van het terrein viel me het oorverdovend, denderend geluid op van de snelweg, die er vlak langs liep. Al stond ik op een heel idylische plaats, aan de oever van een langzaam stromende heldere kreek vol vissen, met een brug en een treurwilg in de verte tegen de coulissen van bergtoppen, het geluid was die eerste avond oorverdovend en donderend en grommend aanwezig. Met oordopjes in, viel ik uiteindelijk in slaap.

De volgende dag kon ik toch werkelijk genieten van het zacht stromende water, de kleine takjes die daar af en toe een buiteling in maakten, het plonsgeluid die kringen in het water gaf van vissen die plotsklaps omhoog sprongen. Ik zag het licht op het water alles telkens een andere kleur geven en grotere boomstammen die voorbij dreven leken op krokodillenkoppen of lome nijlpaarden. Elk regendruppeltje gaf in het water een perfecte cirkel, ik had dat nog nooit zó, met mijn neus erop, lezend in mijn tent, gezien.

Ik dacht: dat wat ik visueel zie, is een volmaakte idylle. Maar het geluid op de achtergrond verknoeit dit. Op de achtergrond? Ja, het snelverkeer was niet meer overheersend aanwezig, zo konstateerde ik. Ik kon als het ware mijn aandacht zelf richten: de snelweg kon overheersend worden, maar de stilte die er vanuit het langzaam stromend water kwam, ook. Kennelijk kan visuele waarneming het auditieve overwinnen.

En toen kwam de tweede dag, op dezelfde plek en dat had iets feestelijks en wonderlijks: het geluid van de snelweg was volkomen weg, dat leek zich ergens ver weg af te spelen. Zelfs toen ik probeerde om dit geluid op de voorgrond te laten komen: het lukte me niet. Het werd niet harder dan het zachte geluid, dat het nu was.

Mij brengt dat ergens in verrukking over de mogelijkheden van de menselijke geest. Het is, zonder dat je daar werkelijk moeite voor doet, mogelijk, om de schoonheid te laten zege vieren over de lelijkheid. Dat wat verwrongen, onaangepast is en buldert en blaast, glad te strijken zonder het te vergeten, en het geweld van woorden en krijsend geluid op te laten gaan in een veel grotere ruimte van Stilte.

De egel

Op een pleintje in Venetië zag ik op een zwoele zomeravond de helft van het scherm van een film die Il Riccio heette. Mooie poëtische beelden van twee vrouwen, zo meende ik, gefilmd in een gebouw met nauwelijks iets van een buitenwereld daarom heen. De ene vrouw zag er vermoeid uit en wat verdrietig en bezoekt regelmatig een oudere Japanse man.

De andere vrouw, blond met een brilletje had iets pittigs en onbevangen over zich, was constant in de weer met een filmcamera'tje en filmde haar vissenkom en haar goudvis daarin en droomde weg in haar tekeningen, zwartwit, ze zag sterren dwarrelen en boeken die vleugeltjes kregen. Beelden van de film bleven de rest van de vakantie in mijn hoofd rondzweven. Maar ook de entourage: ik keek er schuin op met de gevels van de oude huizen van Venetië, die het omkransten.

Nu, al googelend, weet ik pas waar de film écht over gaat. Het is een Franse film die Le Hérisson, heet en geregisseerd is door Mona Achache en het is een verfilming van een boek van Muriel Barberry: De elegantie van de egel. Le Hérisson betekent dus egel. De blonde vrouw blijkt een meisje van elf te zijn, Paloma die besloten heeft om op haar twaalfde een einde aan haar leven te maken. Door het schuine perspectief is me dat geheel ontgaan, dat de ene een kind is!

De andere vrouw is een weduwe Renée en ze is de conciërge van het gebouw, die van boeken en muziek houdt en daarin ondergedompeld is in een bestaan met een beetje een upstairs-downstairs karakter. Zij is slechts conciërge en woont helemaal onderaan in het gebouw, Paloma is de dochter van een elite-familie die helemaal bovenin woont. Maar Renée belichaamt de elegantie van de egel: van buiten prikkelig maar van binnen gezegend met een rijk gevoelsleven en Paloma wordt daardoor geraakt. Nu snap ik ook de vele beelden van de lift die steeds maar op-en-neer ging.

Paloma en Renée krijgen dus contact met elkaar, Paloma gaat Renée ook filmen, en dat gebeurt mede door de bemiddeling van een Japanse man, Kakuro, die ergens middenin het gebouw komt te wonen. Het motto van de film is de beginregel van Anna Karanina van Tolstoy: Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is anders.

Toch wel apart, hoe zonder de pointe van het verhaal te kennen, de beelden zelf iets vertelden over de melancholie en de poezië van het leven, in één.

donderdag 5 augustus 2010

Dame in Venetië

Ik typ hier op een klein laptopje met een heel langzame internetverbinding, half in het donker, nog steeds in Venetië. Omdat ik niet weet hoe alle knoppen werken, ontstaat er wellicht een half leesbaar blogje.Voor mijn eigen herinnering aardig, voor anderen wellicht onleesbaar. Excuses bij voorbaat.

In het boek dat5 ik aan het lezen ben, hier in Venetië (zie vorig Passiebloempje), vertelt een telg van de beroemde Amerikaanse Curtisfamilie, die in de vorige eeuw het culturele leven van Venetië weer nieuw leven inblies, toen Venetië in een absoluut dieptepunt was, dat Venetië eigenlijk een dorp is. Als je alle toeristen wegstript, dan blijft er een knus inwonersaantal over, dat elkaar ook niet kan ontwijken.

Je kunt niet wegduiken in een auto, of weg snellen op een fiets, je doet bijna alles wandelend, dus de meest logische vraag die manlief aan zijn vrouw stelt is niet: wat heb je gekocht,maar wie ben je allemaal tegengekomen?

Dus ik loop op een pleintje en iemand roept enthousiast naar me, lachend, how are you doing? Het blijkt de mevrouw van het boekhandeltje te zijn die helemaal aan de andere kant van Venetië ligt. Hoe bestaat het. Ik vertel haar dat het boek (zie vorig Passiebloempje) me heel goed bevalt, ze kraait van plezier en zegt dat ik nu zeker wel begrijp waarom zovelen een hekel hebben aan het boek. Ja, ik begrijp het.

Ik vind Venetië nu veel mooier dan 28 jaar geleden, zeg ik, de stad heeft volgens mij vooruitgang geboekt. Or maybe it is because you become older, so now you can appreciate it more?, vraagt ze met een twinkeling in haar ogen. Ja, dat is wellicht een wijze observatie van een dame die iets ouder is dan ik. Die me de vorige keer vroeg waar ik vandaan kwam, besides that you are a beautiful woman.

Ze moest door, zei ze spijtig, ze had een appointment met een leerling. Ze geeft Engelse les aan Venetianen. Live well! wenste ik haar toe. You too, you too!!! Zulke ontmoetingen heb je geloof ik, alleen maar als je alleen op pad bent.

Dit blogje werd getypt met drie onderbrekingen omdat nieuwe jongeren ingecheckt moesten worden en dat rond middernacht. Vier jongeren zitten op banken onderuitgezakt op hun eigen mee gebrachte laptop te internetten. Er klinkt weer pianospel over het water en er lopen drie ratten rond te schuifelen in de regen. Het heeft overigens de hele dag geregend. Maar toen ik de dame in de ochtend ontmoette niet.

woensdag 4 augustus 2010

Vleugeltjes

Venetie. Openslaande balkondeuren. Iemand oefent niet onverdienstelijk piano. Het water draagt ver. Het is even naar middernacht. Onverwacht op internet. Een houten tafel, een hoge ruimte gestukadoord met barokke engeltjes, aan een traghetto.

Dit zijn mooie dagen. Vandaag met de vaporetto de lagune verkent,naar Murano, Burano, Torcello en het eind van de dag beleeft op het strand van het Lido en alles kleurde paars en roze en violet en ik zag Von Aschenbach, zo heet ie toch, degene die aan tbc lijdt en de mooie jongen Tadzio volgt, in Tod in Venedig van Thomas Mann, in zijn strandstoel sterven terwijl de zwarte make up van zijn wenkbrauwen loopt.

Ik laat me begeleiden door The city of fallen angels van John Berendt dat ik hier ergens in een boekhandeltje vond. Volgens de eigenaresse die deels hier en deels in Parijs woont, een boek waar de Venetianen niet blij mee zijn. Het is een heerlijk boek dat je een inkijk geeft in het prachtige decor dat Venetie is.Hij laat je kennis maken met uitzonderlijke mensen die in Venetie wonen, met allemaal een zwart randje, naast de vleugels van hun aspiratie en inspiratie die hen ook tot engelen maakt.

Hiervoor was ik in Bellagio aan het Comomeer, ook prachtig en o, wat ik zeker wil bewaren in mijn blog is de tweederde van het scherm van een Italiaanse film die ik hier op een pleintje kon meemaken op een bankje.Het past in mijn Murikami wereld: ik zag in close up vooral de gezichten ven twee vrouwen en de ene vrouw bezocht met regelmaat een grijzende oudere japanse man met wie ze at of go speelde. De jongere vrouw was blond met een brilletje, iets van een kunstenares. Ze tekende in zwartwit en maakte bewegende beelden van haar dromen, de stijl deed me af en toe aan Persepolis denken van Marianne Satrapi, die een beeldverhaal maakte over haar jeugd in Iran.

Ik zag sterren voorbij dwarrelen en een man die helemaal tussen de boeken zat en sommige boeken kregen vleugeltjes en vlogen weg. En ik zat op het donkere Campo di Polo, een zwoele zomeravond, zoals in Cinema Paradiso een beetje clandestien mee te genieten.

Met nichtje L. is het in de auto ook heel gezellig. Ze had me tevoren een email gestuurd:vind jij het ook leuk om in de auto te rijden. Ik vind het heel leuk. Maar ze had al bijna spijt gehad van de email omdat ik me had laten ontvallen dat ik ook nog naar Corfu of naar Napels zou kunnen vliegen.

Ze is net als Rosanne had ze tegen Zusje gezegd, dat liedje van Nick en Simon. In de auto weerklonk het, ze zong hard mee en ik begreep wel wat ze bedoelde. Bij je geest is vrij zong ze nog wat harder en keek me er lachend bij aan.Verder onderweg een CD van John Denver gekocht en aan Zusje kado gegeven, als ik die hoor denk ik altijd aan jou, had ze gezegd en nu neurie ik steeds Higher ground en Ancient rhymes.


Nog een dagje Venetie en daarna naar Oostenrijk, het Salzburgerland, waar ik een week in mijn tentje zal blijven en de familie h.a.l. in een bungalow. Grappig om een vakantie te doen die ik niet zelf heb verzonnen, maar die me heel, heel goed bevalt. Ik krijg vanzelf vleugeltjes, niks aan te doen.