Ik zag het toen ik zestien jaar was, voor het eerst op Bali. Mannen die hand in hand lopen, innig gearmd. De cultureel antropoloog Clifford Geertz, die jarenlang op Bali heeft gewoond in de zestiger jaren van de vorige eeuw, kwam erachter dat ze het woord ‘homoseksualiteit’ in het geheel niet konden plaatsen. Pas met de definitie: ‘mannen die zich bewust ontrekken aan de voortplanting’, konden ze wat. En nee, dat kwam op Bali niet voor.
Ik dacht hieraan, nadat gisteren twee mannen urenlang genoeglijk naast elkaar zaten, op het strand.
Want ook hier in India, is dit het meest voorkomende straatbeeld: Mannen met elkaar, in groepjes of met zijn tweeën; mannen zijn altijd met elkaar bezig.
Ook Bali is, net als India, hindoeïstisch. Religie doordrenkt het dagelijkse leven. Zowat elk huishouden heeft een eigen huisaltaartje. Goden, half goden, wijze leiders, goeroes, nog levend of al dood, ze bevolken allemaal hetzelfde universum, dus ook hier en nu, ze wonen overal om je heen.
In het dorpje waar ik pas doorheen liep, zijn er op enkele meters van elkaar, zowel hindoeïstische als christelijke gebedsplaatsen, ofwel uitingen dat ‘het goddelijke’ nabij is.
De interacties tussen Krishna en Arjuna spelen een grote rol in de Mahabharata, de epische geschriften van het hindoeïsme. Vooral in Bhagavad Gita staan ze centraal.
Misschien is dat het dus, wat ik zie.


