woensdag 15 april 2015

Franse sfeer

Ik ben ineens in Franse sferen. Dat komt door de liedjes van Charles Trenet. Ik weet niet waar het kip en de ei zit: ik nam eens een 4 cd-box mee op Koninginnedag of op een rommelmarkt, voor zo goed als niks, dus. Nu las ik in I.M. dat Connie Palmen en Ischa Meijer er ook voortdurend naar luisterden. Misschien dat ik daarom die box toen meenam, na de eerste lezing van dat boek. Gecombineerd wellicht  met dat vrolijke gezicht; een liedjeszanger met een hoedje op. Net hoorde ik in het wijkcentrum dat er onlangs een documentaire van hem op de tv was: als er een camera in de buurt was, vertrok hij zijn gezicht tot een grimas.

Ik had er nooit echt naar geluisterd. Zo gaat dat met die impulsaankopen. Maar enkele maanden geleden las ik I.M. opnieuw. En nu viel mijn oog weer op die box.. Ach, wat vrolijk, wat helemaal lente-achtig, woorden als Belle, le soleil. mon coeur, sourire, liberté, l'amour, Paris, reve, la mer, le ciel, vliegen je voortdurend om de oren. Je wordt er  mild-vrolijk van: want een vleugje verdriet mijmert er ook doorheen.

De tederheid en de mildheid van de lente. Datzelfde zat in de film l'Heure d' été, die eigenlijk over de zomer zou kunnen gaan, gezien de titel. Het gaat over een mooi sfeervol oud zomerhuis, op het Franse platteland, in de buurt van Parijs, een familiebezit, propvol kunst. De film begint met de 75-ste verjaardag van moeder en oma, de hele familie aan een grote eettafel vol bloemen buiten in de tuin, op exact dezelfde plek waar 100 jaar geleden een eerste foto is genomen.

Moeder praat onderwijl met al haar kinderen afzonderlijk. Over de erfenis. Oudste zoon wil het  er niet over hebben: voor hem blijft het zomerhuis in de familie en zo ook de twee Corots: die gaan weer naar jullie kinderen, zegt hij tegen zijn kinderen. De dochter is uitgeefster en geeft een boek uit van de kunstenaar die ooit in het huis woonde en is er alleen maar op gespitst dat haar moeder naar San Francisco komt, voor de opening van de tentoonstelling die bij het boek hoort. En de jongere zoon, heeft het te druk met zijn eigen geldzorgen: hij heeft een bedrijf in China met gymschoenen.

De film eindigt met een feest dat haar kleinkinderen geven in het zomerhuis, vlak voordat het naar een nieuwe eigenaar zal gaan. Ondertussen is hun oma overleden en hebben de drie kinderen besloten om toch alles te gaan verkopen. Er komen taxateurs in het huis voor al die kunst, het hele huis wordt onttakeld. Oudste zoon heeft daar het meest verdriet van: hij wilde het liefst alles bij het oude laten...
Misschien is dat de reden dat ik er hier nu zo over uitweid. Die verschillende leefwijzen in de familie en het werkelijke respect dan de broers en zus toch voor elkaar hadden. Meestal kun je elkaar met rust laten, maar bij een erfenis ben je verplicht om knopen door te hakken.

Tot slot zag ik ook nog een de documentaire uit 2006, Forever van Heddy Honigman. Ze ontmoet daar bezoekers van het kerkhof Père Lachaise. Van een Koreaanse pianiste bij het graf van Chopin die elke keer alles van Chopin opdraagt aan haar jong overleden vader. Tot de anonieme vrouw die er toevallig was en haar 20 jaar jongere geliefde verloor aan een bijensteek, na drie intens gelukkige jaren. 'Je begrijpt niks van de dood, totdat je die tegenkomt', zegt ze. Een ontroerende film, vol poëtische, meditatieve beelden, vol muziek en vol subtiele bewegingen van het menselijk gelaat.

De lente... de dood....verlies... het leven dat zich herneemt.... teder,  met milde melancholie en een zoete, zachte pijn, die als een aquarel ook zomaar kan vervloeien naar milde vreugde... Ik noem dat maar even een Franse sfeer, zoals in dat gezegde: Leven als God in Frankrijk.

maandag 13 april 2015

In den beginne

Niks zo fijn als in een lentetuin met bloeiende felgekleurde primula's, rozerode lange tulpen op stelen, net gekochte vergeet-me-nietjes en een witte helleboris en tjilpende musjes om je heen, je helemaal te verliezen in een goed boek in de zon. Ik las In den beginne van Chaim Potok, die zo ontzettend goed het Joodse milieu van binnenuit tot leven weet te brengen.

In dit boek kijk je mee met de vijfjarige David, een hoogbegaafd en ziekelijk jongetje dat opgroeit in een Joods streng-orthodox gezin in een appartementencomplex in New York. Ik werd meteen gegrepen omdat een van de eerste dingen die hij beschrijft verwondering is. Over iets wat wij nu heden ten dage met IS meemaken. Hij vertelt dat zijn ouder neefje Saul hem zegt dat hij geleerd heeft dat het  geoorloofd is om de beelden die bij de katholieke kerk in zijn buurt  staan, kapot te slaan. Want dat zijn afgodsbeelden. Dat kan toch niet waar zijn, denkt hij spontaan.

Dan ziet hij een foto van heel veel mannen met geweren, ergens in een bos en krijgt hij van iedereen in zijn omgeving te horen dat hij die foto NIET gezien heeft: hij had een foto van een verjaardag gezien. Gaandeweg komt hij erachter dat zijn vader de leider is van een groep Joden die in Polen een pogrom hebben overleefd. Pogroms zijn dus niet begonnen in de Tweede Wereldoorlog. Tevoren in de twintiger en dertiger jaren werden Joden ook al vervolgd en met geweld vernietigd.

Zijn vader heeft de belofte gedaan om koste wat kost al die overlevenden, naar Amerika te laten emigreren. Door de ogen van David maak je zo het antisemitisme mee, ook in Amerika,de crisisjaren, de opkomst van het nazisme in Europa, de Tweede Wereldoorlog en het bericht dat niemand in Europa die oorlog overleeft heeft. Je ziet David opgroeien, aan wie het is voorbestemd om een geleerde te worden, een rabbi in de orthodoxe gemeenschap in New York. Maar David komt zelf op het spoor van andere kennis en wetenschap.

Hij maakt lange wandelingen in de velden en de bossen, zwemt veel en rechtvaardigt zijn besluit om te gaan studeren aan een universiteit voor de fluisterende wind. Hij praat met de vogels en een rondhuppelend konijn. En dan zegt hij: Luister naar me konijn. De Tora is niet het woord van God aan Mozes gegeven op de berg Sinaï. Maar evenmin een bundel kinderachtige verhaaltjes, fabeltjes, legenden en geleende, heidense mythen. Ik heb de Tora lief, vogel. Ik wil er achterkomen wat de Tora is. Ben ik dan gek? Ik moet naar de seculiere wereld voor instrumenten om hem te onderzoeken. Mijn ortodoxe wereld verafschuwt die instrumenten en is er doodsbang voor.

Zo was en is dat dus, in elke orthodoxe godsdienst. Of het nu het jodendom, het christendom of de islam is. De godsdiensten van het woord en het boek hebben de neiging zichzelf te serieus te nemen. Men gelooft werkelijk dat het woord van God in dat geliefde boek gestold is. Of dat nou de Thora, het Nieuwe Testament of de Koran is.

Men noemt dat wel tweede naïviteit: alle verhalen met zorg behandelen, ze tot je nemen alsof het echt allemaal zo gebeurd is, en het tegelijkertijd relativeren. Hoe doe je dat? Door niet alleen dat Boek lief te hebben. Maar vooral ook God, het Geheim van het leven, je naaste en jezelf. Geloven in de lente:voor iedereen, niemand is uitgesloten. In de ogen van God is er altijd een nieuw begin.

donderdag 9 april 2015

Verrijzeniservaring, wilde iris

Het is een prachtig gedicht vind ik, dat gaat over de mogelijkheid om persoonlijk te kunnen verrijzen uit de dood. Niet de lichamelijke dood, want daar heeft nog nooit iemand over bericht. De verhalen van mensen die zichzelf buiten hun eigen lichaam zagen, heten bijna-dood-ervaringen. Het gaat daarbij nooit om dood, morsdood, want het bewustzijn blijkt dan juist vrij te zijn van het lichaam.

Dood ben je pas, als niemand je meer wil kennen. In dit gedicht staat:
It is terrible to survive
as consciousness
buried in the dark earth.
Die ervaring: vreselijk, een nachtmerrie, de horror ten top: dat is wat mensen elkaar kunnen aandoen. De ander negeren, ontkennen, inkapselen, verlaten, vergeten... Dan word je levend begraven. Het gebeurt een ieder weleens, vrees ik, in meer of mindere mate.

Met stomheid geslagen en daar doorheen gaan: toch weer present raken, kunnen zeggen: hier ben ik, ik voelde me dood, maar ik leef weer: dat beschrijft dit gedicht, dat ik jarenlang op mijn wc had hangen. Maar vandaag vond ik dat wel genoeg. Ik scheurde het los van de muur en ik leg het, als slotakkoord, vast in dit blog: deze verrijzeniservaring van Louise Glück, vertaald door Erik Menkveld.

DE  WILDE  IRIS
Aan het eind van mijn lijden
was een poort.

Hoort: wat jullie dood noemen
herinner ik mij.

Geluiden, boven me, schurende dennentakken.
Daarna niets. De zwakke zon
fladderde over de droge grond.

Het is vreselijk te overleven
als bewustzijn
begraven in de donkere aarde.

Toen was het voorbij: dat wat jullie vrezen, bezield
te zijn en niet in staat
tot spreken, eindigde abrupt, de stugge aarde
gaf een beetje mee. En wat ik hield
voor vogels schoot lage heesters in.

Jullie die de overgang
uit de andere wereld niet herinneren
ik zeg jullie ik kon weer spreken: wat er ook
terugkeert uit vergetelheid keert terug
om stem te vinden:

uit het hart van mijn leven spoot
een grote fontein, diepblauwe
schaduwen op een azuren zee.

woensdag 8 april 2015

Kotuku

Uit Nieuw Zeeland, van vriendin W. kreeg ik, voor mijn verjaardag een prachtige kleine ets opgestuurd. Er stapt een grote witte vogel door het water, met een scherp en helder oog en om haar heen in blauw-groene tinten een grootse natuur van woudbomen en bergen. Ze hoopte dat ik het wat zou vinden: haar oog was erop gevallen en ze was meteen geraakt geweest omdat er intensiteit en leegte vanaf straalde.

Ja, ik begreep meteen wat ze bedoelde. De vogel stapt in alle concentratie, doelbewust door het water, dat ene oog gericht op de verte en zich bewust van het daar-zijn; hier ben ik, dit ben ik. Ik was heel blij met de print. Er stond Kotuku bij geschreven en ik vroeg haar of dit wellicht Maori was voor kraanvogel: in Japan is een witte kraanvogel het symbool van hoop en geluk.

Nee, het was geen kraanvogel, maar een witte reiger, dus de symboliek vervalt. Maar ik geef je er meteen andere symboliek voor terug, mailde ze: de witte reiger is in Nieuw Zeeland  zeldzaam en de Maori beschouwen het als een inwoner van de wereld-hierna. Hij komt uit het geestland Reigo en staat voor alles wat zeldzaam en mooi en kostbaar is. Er is een Maori-lied dat eindigt met: Ko-to kotuku to tapui e tama e en dat betekent: Kotuku is nu mijn gezelschap, O, zoon. Een Maori gezegde luidt: zo apart en bijzonder zijn, als de kotuku.

Mooi toch, zo'n symboliek van een plaats aan de andere kant van de wereld. Ik heb Kotuku ingelijsd en daar stapt zij nu, naast mijn leesstoel. Om wat zeldzaam en mooi en kostbaar is dagelijks in herinnering te houden en te eren.

dinsdag 7 april 2015

In & uit het klooster

Als ik in het klooster de kapel uitga, voor het laatst naar mijn kamer loop, alles inpak, weer afdaal en de voordeur achter mij dicht doe en wegfiets, dan heb ik het gevoel alsof ik mezelf ervan los moet snijden. Weg uit een omgeving die als 'natuurlijk' aanvoelt: natuurlijk, dit is het meest natuurlijk, het dichtst op mijn huid, bij het Geheim van het leven, het dichtst nabij gedragen en ruimte gegeven in mijn hart.

'Ora et labora', dat is zo fijn in het klooster in een dagorde die je als vanzelf gegeven is, telkens weer die afwisseling en die psalmen, die al eeuwen en eeuwen taal hebben gegeven aan universele menselijke ervaring. Waar uitgezongen wordt wie je bent, waarnaar je verlangt, wat pijn doet en dan: doe ik het liefst gewoon maar na het eten de afwas en zou daarin zo onzichtbaar mogelijk willen zijn.

'Bedankt!' zeggen de zusters dan om je heen en het zijn telkens andere zusters, dus dan heeft het eigenlijk geen zin om te zeggen dat je het liefst daarvoor niet bedankt wordt. Dat is dan, geloof ik, de altijddurende variëteit die er is in het communiteitsleven. Waarmee je, ook met moeite, moet leren leven als je er een  werkelijk onderdeel van bent. 

De ene  zuster verschijnt in de keuken en verdwijnt weer, zonder veel te zeggen als ze me bezig ziet, de andere komt op herhaling terug of ik het echt alleen wil doen, en één zuster aan wie ik de eerste dag zei dat ze me niet meer moest bedanken, zei niks meer en bedankte me bij het afscheid met glim-oogjes, nog eens uitdrukkelijk.

Ach... het is nou eenmaal niet anders, dan dat ik er een 'kloostertic' aan heb overgehouden omdat ik ooit een kamer had in een klooster en bezig was om mijn 'gewone' leven samen te laten gaan met dat leven in het klooster. Er kloppen sindsdien twee zielen in mijn borst. Want ik kwam aan bij mijn tuinhek, hoorde de hele mussenkolonie als een hemels dak fluiten, fladderen en tjirpen, ik herademde en dacht: Oké, ik ben weer thuis.

Het tulpenblad had lange stelen gekregen waar het rood van de bloem in de knop schemerde, ik zette het beeld van Franciscus  die sinds de storm wankel op de benen stond opnieuw vast tussen stenen, trok wat onkruid uit, haalde wat dood blad weg, knipte een lange bamboestengel weg en verwerkte die in de struikenhaag en genoot van de stilte van de avond.

donderdag 2 april 2015

Erbarme Dich (2)

Het 'Erbarme Dich' blijft maar om me heen hangen. Gisteren heb ik het donker laten worden in mijn kamer, met een paar kaarsjes  aan, onder de klanken van de hertaalde Mattheuspassie van Jan Rot. Die hertaalt Erbarme Dich aldus:

Maria huilt...
Mijn God, laat al mijn tranen branden.
Maria huilt...
Mijn God bestaat u wel?
Of zijn mijn tranen zinloos?
oog om oog, oog in oog
Troost, omarm, en help omhoog uit die hel.
Bestaat u wel? Omarm me dan, mijn God!
Of zijn mijn tranen zinloos?

Ik weet niet wat ik hiervan vind. Zijn tranen zinloos, als God niet zou bestaan? Is de vraag aan God, om omarmd te worden, wellicht al een bewijs van zijn bestaan? Tranen vallen, geloof ik, niet onder het zinrijk, of onder zinloosheid. Ze zijn er en kunnen huilen houdt je ziel zacht en weemoedig.

Behalve als het jeremieer-tranen zijn, vol zelfmedelijden en zelfbeklag. Dan horen tranen bij het meest lelijke van de mens. In de vraag naar erbarmen, omarming zit misschien de balsem. Ik zal nooit vergeten dat ik heel lang geleden eens in mijn stoel huilde, dat mijn poes heel voorzichtig op mijn schoot kwam liggen en zich tegen mijn borst vleide. En toen, zachtjes snorrend, strekte ze haar pootje uit, de nageltjes helemaal naar binnen, een donszacht pootje dus, en ze veegde daarmee een traan weg van mijn wang.

Hoe kan dat? Een gek toeval? Dieren weten immers niet wat verdriet is, zegt men, want dieren kunnen niet huilen. Vanochtend hoorde ik het Erbarme dich in de uitvoering van Aafje Heynis uit 1963, te Naarden. Tijdloos, je kunt je niet voorstellen dat dit een opname is van 62 jaar geleden. Verdriet is tijdloos. Muziek is tijdloos. Een poes, wier gebaar aanvoelt als een klein geschenkje uit het universum wordt tijdloos. Als ik haar van mijn schoot had weggeduwd, was haar gebaar zinloos geworden.  Die ene stem en die viool: communicerende vaten, dat is Erbarme Dich, met wie of wat dan ook: in verbinding blijven.

woensdag 1 april 2015

Erbarme Dich

Ik vind de hoeveelheid leed in de wereld overstelpend. Alleen al in het wijkcentrum zijn er verhalen die maar doorgaan, over Dr Jekyll & Mr Hide en  hoe je daaraan onderdoor gaat. Het begint en eindigt steeds maar met 'wat-wij-mensen-zijn-en-elkaar-aandoen'. Het gevoel past natuurlijk erg bij de Goede Week: Wéér, dat lijdensverhaal van Jezus, dat het verhaal van ons allen is. Alleen die verrijzenis: ik zou willen dat ik meer 'Verrijzenisverhalen' zou horen en meemaken in mijn omgeving. Maar mensen zitten vast, muurvast, in de gevangenissen van hun hoofd, hun lichaam. Of aan anderen die de sleutels hebben van deuren, waar je zelf niet doorheen kan...

Zo'n storm als gisteren, die je bijna van de sokkel waait, geeft je ook nog eens een gevoel van de nietigheid van de mens. Tegen de natuur zijn we niet opgewassen, merkte iemand in het wijkcentrum op. En ook dat is helemaal waar. Ik stond in mijn tuintje dat aanvoelde als een loszittende postzegel op een enveloppe,  terwijl ik met een schoffel wat onkruid weg werkte en de storm om me heen loeide.En  ik  waaide werkelijk bijna van de weg af, richting de brievenbus en daarna met mijn tas vol boodschappen.

Dus de vrije dag vroeg om een radicale maatregel. Ik heb gewoon op de middag, dat doe ik anders nooit, een dvd bekeken. De documentaire Erbarme Dich. Prachtig. Maar o, zo vreemd dat het verdriet van anderen troostrijk kan zijn. Of wellicht eerder: dat het zo wonderlijk is dat die Matthaeuspassie en Bach voor zovelen een keerpunt is gebleken in het grote verdriet dat op hun pad kwam. En dan was er eén mevrouw die letterlijk haar leven te danken had aan het lied Erbarme Dich. Haar moeder wilde een morning-afterpil nemen, hoorde dit en wist toen ineens vanuit haar diepste innerlijk dat ze wél ruimte wilde geven aan die vrucht in haar buik. Ik zag onderwijl door het tuimelraam de storm gaan en komen, blauwe lucht afgewisseld met grijs en grauw, de bamboe heftig op-en-neer gaand: alsof je op de uitkijk staat van dat altijd wisselende leven....

Ondertussen las ik ook Het bestand van Arnon Grunberg. Wat een raar, kaal, vreemd boek. Net zo onsubstantieel en tegelijk werkelijk als het onderwerp: het zogenaamde individuele bestaan op internet in talloze bestanden. En dat alles afhangt van de zwakste schakel. Net zoals in het 'echte' leven: een menselijke fout kan de hele werkelijkheid van zoveel anderen bepalen. Dan denk je maar niet aan die copiloot in de cockpit, die overspannen een vliegtuig vol mensen tegen een berg laat knallen.

En ik besluit het boek Alles wat vaststaat, verdampt, een debuut van de Ier Darragh Mc Keon, meegenomen uit de bieb om de titel, maar half uit te lezen. Het volgt enige mensen na de ramp in Tjernobyl. Het collectieve ontkennen en ook niet-weten vlak daarna, wat de ramp behelst. Ik las uiterst gedetailleerd over alle misgeboorten, een jaar later. Dit is de limiet, dacht ik. Meer kan ik niet verdragen. Ik focus me maar op de primula's van vorig jaar, die nu met nieuwe bloemen in de bloembakken tevoorschijn piepen. Toch ook een soort van verrijzenis. En maar blijven zingen: Erbarme Dich.