donderdag 26 februari 2015

Dominante vrouwen

O,o,o... wat vind ik het toch moeilijk om boos te zijn. Ik leef me meteen in de ander in, denk dan te weten waarom de andere iets doet of zegt, al komt iets niet leuk uit de hoek voor mij. Om dan te zeggen: dit is de grens en nu verwacht ik iets van een excuus... Soms dan kan het niet anders en is die vraag er ook uit voordat ik daar erg in heb. Dan denk ik: goed zo, je stelt een grens, dat is nou eenmaal nodig. Maar iets in mij is liever grenzeloos. Dat is helemaal niet goed, want daar word je onzichtbaar van.

Zo gebeurde het me dat vrijwilliger T. terwijl ik nog eens de gang van zaken rondom een kapotte microfoon (nota bene: zo'n geluidsversterker, zodat je overal goed verstaanbaar bent!), aan het uitleggen was, ze in het heetst van de woorden ongeduldig tegen me zei: 'Je bent een slechte beheerder!'. Dat schoot in het verkeerde keelgat dus ik zei meteen terug: 'Ik word niet gauw kwaad, je kunt alles tegen me zeggen en overleggen, maar dat neem je terug!'

Ahum. Dan is dat gezegd en dan moet je je daar dus aan houden... Maar je wilt ook niet uit elkaar gaan met kwade koppen. Dus zij zegt op het einde van de middag: je kent me toch, dat komt er zomaar uit, ik zeg altijd recht voor zijn raap wat erin me opkomt, je bent een goede beheerder, maar dat vind ik nou eenmaal slecht. Ik terug: 'Nou, dat  klinkt  al anders. Ik wil gewoon niet dat je dat ooit nog eens zegt. Ik zeg toch ook niet tegen jou: je bent een slechte vrijwilliger?... Nou ja,  laten we het maar niet groter maken, dan het is.'

Ahum. De echte kou was wel uit de lucht. Thuis denk ik dan: O! die dominante vrouwen! Het was namelijk één van de incidenten op die dag. Gek, hoe een dag soms een thema kan hebben. En dat ik dan nog een keertje tegen mezelf moet zeggen: nee, dat is écht de grens. Ik wil écht niet dat iemand dat tegen me zegt. Wat vond ik het fijn, toen ze vandaag meteen toen ik binnen kwam naar me toe liep, een arm om me heen legde en zei: 'Je bent toch niet meer boos op me? Ik meende dat niet!.'

Ja, dan is alles weer goed, echt goed.

woensdag 25 februari 2015

Terschelling en gas

Hèhè, gelukkig maar en ergens had ik het niet anders verwacht: de hele Gemeenteraad van Terschelling heeft tegen de gaswinning op het eiland gestemd. De Terschellingers hadden vorig jaar ruzie over de veerdiensten: naast rederij Doeksen had een ander wel ondernemingslust voor een kleinere veerdienst. Ik snapte het idee wel, een monopolie doorbreken enzo en iets mee vissen uit die grote oceaan vol vis, moet kunnen. En later snapte ik ook wel weer dat daar iets te weinig vis voor was. Eilanders stonden toen als kemphanen tegenover elkaar.  Nu staan ze schouder aan schouder.

GroenLinks wilde, volgens het krantenbericht al Kamervragen hierover stellen. Mij lijkt dat  ingegeven door de komende verkiezingen. Want elk weldenkend mens kan toch bedenken dat industrie toelaten op een waddeneiland werkelijk taboe zou moeten zijn. Niet omdat de grond zou kunnen trillen, maar omdat je het een ieder moet gunnen om van het vaste land van dit kleine Nederland, wég te raken.

De zilte Waddenzee met haar eb en vloed over.  Aankomen op een, door weer en wind telkens veranderend en bewegend eiland. Dat je dat eiland kunt doorkruisen, in de duinen kunt dwalen en dan aan de andere kant dat eindeloze strand en de zee kunt ervaren;  turen en dromen in een grootse horizon. Dan doet je oog pijn als er boortorens op je netvlies steken.

Laat er alsjeblieft ook geen duur geld weggegooid worden voor een onderzoek met de vraag of het toerisme eronder zou gaan lijden. Wanneer mij gevraagd zou worden of ik niet meer op Terschelling zou komen, áls...dan zou ik net zo wisselvallig kunnen reageren als wanneer men mij de vraag zou stellen of ik denk dat God bestaat.Voel ik iets kwezelachtigs en streng-orthodox bij de de onderzoeker, dan zou ik meteen roepen:' Nee! God bestaat niet!' En in een poëtisch universum, of de ruimte zoals die in het klooster gestalte krijgt, met veel gevoel en hart voor het Mysterie, dan kan ik van harte zeggen: Ja, God bestaat.

Ik wil niet naar het mij zo dierbare Terschelling als er boortorens en dergelijk zouden verschijnen. Maar omdat het me zo dierbaar is, zou ik toch wel weer gaan. Zoals je een zieke bezoekt, een patiënt, dus met pijn in het hart.

maandag 23 februari 2015

Bombardement

Ik merkte dat ik gisteren op het puntje van mijn stoel zat. Het bombardement van 22 februari 1944, die een groot deel van de binnenstad van Nijmegen heeft weggevaagd. Nota bene gedaan door de Amerikanen. De Duitsers hadden een paar dagen later al grote affiches in de stad opgehangen:'van je vrienden moet je het maar hebben.' Daar zaten dan drie ooggetuigen, overlevenden, doof en beverig, met klapperend gebit, ze moesten aangespoord worden om wat te vertellen.

Maar toen kwamen de woordenstromen, vertelt alsof het gisteren gebeurd was, met de trillingen van emotie in de stem. Een paar dagen ervoor had vrijwilliger T. op uitvergrote wandfoto's in het nieuwe wijkcentrum tegenover het klooster, de buurt waar zij vandaan komt, al aangewezen, waar ze gewoond had als kind, waar ze speelde, waar je vroeger ging dansen. Allemaal weg door de oorlog.

En nu: het verhaal van een mevrouw die als meisje van negen, op straat getroffen werd door een granaat. Ze kon zich zelf niks herinneren, want ze was buiten bewustzijn en al dood verklaard, ze lag al bij de lijken. Toen kwam er een vlieg bij haar oog, ze begon met haar gezicht te trekken: O, die leeft! Ze werd naar het ziekenhuis gebracht, geopereerd, maar nog steeds heeft ze elf granaatsplinters achter haar schedel zitten. Toen ging ze op vakantie naar Ierland, ze wordt onpasselijk, gaat naar de plaatselijke arts. Kom je uit Nijmegen, Wijchen?  Operaties bij dat grote bombardement? Dan heb ik je geopereerd!

In de schuilkelder van de kapokfabriek vielen 90 doden. De hele omgeving van die andere mevrouw die er zat. Hoe zij als 18 jarige wel besloot om zich te laten evacueren. Maar haar familie wilde thuis blijven, het paard niet alleen laten. Iedereen ging dood, behalve het paard, de schuilkelder deugde niet.  Haar beste vriendin ging in een andere schuilkelder. Haar moeder vroeg of zij even het eten wilde halen aan de overkant van de straat, op de keukentafel, dat ze in de haast vergeten had. Haar vriendin deed dat. Brand in huis en een explosie: vriendin dood, haar familie overleefde het wel in die schuilkelder.

Ik merk dat dit het soort verhalen zijn die mij binden aan deze stad. Op de middelbare school hoorde ik  al het verhaal van de twee broers, een oom van mijn beste vriendin, toen.  Die zouden met zijn tweeën naar de kapper gaan. Halverwege onderweg, zegt de ene broer tegen de andere: O, ik heb het geld vergeten, ik ren wel even terug naar huis. Hij overleefde. Zijn broer, die al bij de kapper zat, ging dood.

Gisteren bij die bijeenkomst,  zag ik  de zoon van Anton. Anton deed  als alleroudste deelnemer trouw mee aan de meditatie op vrijdag. Dat deed hem goed, zei hij. Het was voor het eerst in zijn leven dat hij mediteerde. Bij de koffie en thee zat hij ook altijd vol verhalen: Hoe het was in de buurt en op de plek waar nu het klooster is. Zijn zoon komt nu regelmatig mediteren: hij heeft de plek van zijn overleden vader als het ware overgenomen. Aan de muur van het klooster is een gedenkplaat gekomen, waar het weer vol bloemen stond, voor alle doden van dat bombardement.

Bij de wederopbouw van Nijmegen heb ik geen enkele foto van het klooster gezien. De wederopbouw die mij daar persoonlijk raakt. Zonder bombardement was daar nu niet een stille kapel met kleurige glas-in-lood ramen. Misschien mediteerde Anton daarom zo graag in de kapel. Omdat het niet vaak voorkomt dat je werkelijk stil kunt Zijn, op een plek waar zoveel gepasseerd is.

vrijdag 20 februari 2015

Drie Amerikaanse koffietafelboeken

Het is dat ik vond dat ik wel genoeg had gekocht in Amsterdam. Nou, om eerlijk te zijn: ik dacht ook dat ik het niet  nog mee kon sjouwen, terug de trein in, naar huis.  Drie koffietafelboeken die ik al struinend bij de koopjesafdeling van de American Book Center zag. Met die boeken heb ik het idee een reis gemaakt te hebben van bijna tot in de wolken tot diep op de bodem van de zee. Van het letterlijke toppunt van de menselijke civilisatie naar daar waar het eindigt en ook weer een beetje opnieuw begint.

Niet meegenomen dus, die drie boeken, maar wel in mijn herinnering en twee ervan heb ik al googelend toch een beetje teruggevonden: De eerste heet  Murals of New York City: The best of New York Paintings, verzameld door Glenn Palmer-Smith. Meer dan dertig heel grote wand- en/of plafondschilderingen in gebouwen van New York.

Een wereld opende zich voor me: van Art Deco tot Keith Häring, van plechtige geschiedschrijving naar een bar vol met verklede, lachende aapjes. En dan zo'n anekdote om niet meer te vergeten: dat op Central Station de sterrenhemel is geschilderd, maar eerst door een Australische schilder, die dus de sterrenhemel van het zuidelijk halfrond schilderde, een heel andere dan de onze. Pas veel later, bij een restauratieronde werd het geheel toch maar veranderd. Als ik ooit naar NY ga, wil ik een aantal van deze gebouwen uitgebreid gaan bewonderen.

Dan was er een boek vol foto's van verlaten gebouwtjes, tankstationnetjes, perronnetjes, ergens en overal in Amerika. Gefotografeerd in de nacht, vaak dus met een volle maan, want dan is er het meeste licht en dan van binnen belicht met felle roze, groene, blauwe lampen. Heel surreeël, maar de fotograaf vertelde dat er niet gefotoshopt was en dat hij zijn werk vaak in zijn eentje volbracht.  Wat dat niet vroeg: om genoeg elektriciteit op zo'n plek te krijgen en ervoor te zorgen dat de kabels en dergelijke niet in beeld komen. Ik ben altijd dol op zulke maffe, persoonlijke passies, die werkelijk nergens toe dienen. De moeite die een mens zich getroost om dat werkelijk te kunnen maken.

Tot slot The Underwater Museum van Jason de Caires Taylor. Ook als zo'n sympathiek project. Hij bevordert nieuwe natuurlijke koraal, die zich hecht aan beelden van mensen die hij onder water in de buurt van koraalriffen verankerd. Het materiaal is een speciaal soort beton, waar koraalvissen zich thuis voelen. Doel is om te zorgen voor nieuw koraal en de bestaande riffen te ontlasten, omdat toeristen dit wellicht een even zo mooie ervaring zullen vinden.

Het ziet er prachtig, kleurrijk etherisch uit, zo mensen-vreemd en mensen-aanwezig tegelijkertijd. Dat geldt voor al deze drie zware, dikke boeken. Die dankzij de lichtheid van internet toch zomaar weer op je netvlies kunnen verschijnen.

donderdag 19 februari 2015

Rembrandt, wat blijft

Het is net alsof ik ze in het echt gezien heb en bij ze op bezoek ben gegaan: Lucretia, die moest huilen. Ach... zo aangrijpend, ik ben gevoelig voor mensen die huilen, weet er niet goed raad mee, zou ze willen troosten, je krijgt er een brok van in je keel. Maar ondertussen weet ik in het echt, dat je het verdriet van een ander niet kunt oplossen of daar werkelijk bij kunt zijn. Ze stond ook nog eens op het punt om zelfmoord te plegen en het bloed was al te zien op haar witte hemd, maar dat deed me minder dan die traan die in haar oog welde.

Dan was er Jan Six, een boezemvriend, met de blik zoals vrienden naar elkaar kijken: vol genegenheid, met iets van relativering en ironie, alsof hij zegt: 'Ik ken jou, mannetje en ik vind het helemaal oké, precies zoals je doet en precies zoals je bent.'

En dan die oudere lezende vrouw, die zich onbespied waant. Wat fijn om ongegeneerd naar haar te kunnen kijken, zonder dat je bang hoeft te zijn dat je haar stoort: hoe de woorden en gedachten haar vervullen, de geest die haar hele wezen beademt. En de slapende jonge vrouw, neergezet in enkele dunne bruine verfstreken, zo werkelijk als dat kan worden: een gestolde herinnering.

Het gaat over de tentoonstelling 'Late Rembrandt' in het Rijksmuseum. Het was er héél erg druk, maar wanneer je verzinkt in zijn schilderkunst, dan verdwijnt iedereen. Dan blijft dat geniale over: dat er mensen verschijnen uit louter tekening en verf. Zoals Michael Angelo ze uit het marmer deed oprijzen. Ik heb al heel lang een ansichtkaart van een etsje op ware grote van de jonge Rembrandt bij mijn leesstoel hangen. Als ik daar naar kijk dan weet ik dat iets in mensen eeuwig is en onsterfelijk.

M's versie

Ik keek gisteren naar het eerste deel 'Verkenningen', van de vijf , van die 19 uur  lange tv-vertelling van Wim Kayzer uit 1995, die over het geheugen en het bewustzijn gaat: Vertrouwd en o zo vreemd. Voor 5 euro gevonden in Concerto in Amsterdam, ongelofelijk. Ook wat ik zag vond ik weer ongelofelijk mooi: wetenschappers en schrijvers, ervaringsdeskundigen in dat kasteel in Gelderland, almaar denkend en vertellend over wat herinnering is en het geheugen.  Dat je dan in feite je afvraagt wie en wat je zélf bent. Als je zoveel vergeet, rare dingen wél onthoudt, herinneringen zelf verzint en dat allemaal helemaal niet kunt controleren...

Ik had zelf onlangs ook zo'n merkwaardige ervaring. Die werd ontketend door een zin die ik ergens las: als je op een oude plek komt, dan kan het niet anders dan dat je gaat denken aan eerder, met wie je daar eerder was. En ik was in Amsterdam: een oude plek, die ik mijn hele leven al met een regelmaat bezocht heb.

Het gebeurde me dat ik als het ware vanuit een jong Zelf, toen ik een jong volwassenen was, mijn hele leven in Amsterdam voorbij zag trekken. Niet dus, vanuit degene die ik nu ben, die soms peinzend en met mildheid terug kan kijken en, ondanks wat niet gegaan is zoals je ooit hoopte, toch blij is met het leven dat ze heeft gehad. Nee, ik beleefde het als een jonge ziel, alsof ik kon kijken in mijn kleinere verleden en in mijn eigen nog ruime toekomst die ik nog in het verschiet had.

Als puber langspeelplaten ontdekken in Concerto, de déjà vu: nu weer de helft van de zaak aan lp's wijdt. Als student zomaar een hotelkamer huren achter het Vondelpark, ontbijten in het sjieke souterrain aan smetteloos wit en samen doen alsof je uit het buitenland komt. Proust lezen op bankjes bij de grachten in een warme zomer. Enzovoort. Ik zag mezelf als kind in Amsterdam en langzaam veranderen naar de oudere vrouw, die ik nu ben.

Wat is een leven? ... Zo vluchtig, zo snel voorbijgaand, zo Alles voor jezelf en zo Niets tegelijk, als je de tijdspannen eromheen wikkelt. Ik keek ook nog naar de film Barneys Version, die zuster M. spontaan in het pakketje, waar we Donna Leon's met elkaar uitwisselden, erbij had gedaan. Ze vond het humoristisch en ontroerend. Dat vond ik ook. Op het einde krijgt Barney Alzheimer. Het enige wat overblijft, in al zijn boersigheid en zijn onhandigheid is zijn liefde voor de vrouw van zijn leven, die ondertussen wel van hem is gescheiden.

Misschien zal ik mezelf als een gezegend mens beschouwen, als uiteindelijk alleen maar de herinneringen aan de liefde  als ondertonen zullen beklijven. Ook al is veel van al die liefde in het heden allang vergaan.

woensdag 18 februari 2015

Filebus in EYE

In EYE dat prachtige gebouw aan het IJ, dat er in de verte uitziet als een oog en waar je binnen een geweldig uitzicht hebt op het water en de skyline van Amsterdam, is nu een leuke tentoonstelling die Jean Desmets Droomfabriek heet. Het gaat over de avontuurlijke jaren van de film (1907-1916). Zoveel is er in een eeuw verandert: Jean Desmet bracht het Nederlandse publiek voor het eerst samen rondom filmpjes, eerst via reizende bioscoopjes als een soort kermisattractie en later via de eerste echte bioscopen.

De tijd van de zwijgende film en waar 'het simpele feit' van bewegende beelden, iets heel geweldigs was. Er werden allerlei soorten van filmpjes gemaakt, die door heel Europa verhandelt en uitgewisseld werden.  Korte reisimpressies, waar mensen waarschijnlijk voor het eerst een wuivende palmboom zagen. Een nijlpaard met Afrikaanse mensen eromheen. Japanners in kimono's en vreemde gebruiken, zoals het ophangen van grote vissen aan vlaggenstokken in de wind, als een jongen 17 werd.

Er werd geëxperimenteerd met de eerste vormen van heel eenvoudige animatie. Met 'er bijna in het echt bij aanwezig zijn': alsof je mee, voorin een boot zat en de haven en de open zee kon meemaken. Of in een trein boven een enge, gevaarlijke brug. Spoken en geesten of ronddraaiende ruimtes werden via het beeld voor beeld monteren, voor het eerst waarneembaar. Of ingekleurde bomen en struiken langs een rivier. Kleine beestjes, spinnen en mieren enzovoort werden voor het eerst van dichtbij gefilmd, in een verhaalvorm, een strijd op leven en dood.

Even kijk je mee op de drempel: er was ooit een wereld zonder bewegende beelden. Wat moet dat een wonder zijn, als je dat dan voor het eerst ziet! Een filmavond bestond in het begin uit heel veel korte, kleinere films, waaronder ook dramatische verhaaltjes,  maar er ontstond ook alras het concept van een hoofdfilm, met daaromheen kleiner spul. Al of niet begeleid met live-muziek.

En dát vond ik nou zo aardig om te zien: op de voorkant van de aankondiging van de flyers, zie je iets van wat je associeert met 'droomfabriek': drie mensen in een vreemd voertuig dat een boot ofzo zou kunnen zijn. Maar wat je ziet is waarschijnlijk de eerste sci-fi film: het is een soort van open zeppelin, of een luchtballon in de vorm van een boot, in plaats van een mandje. En wie je voor een jongen met een petje houdt, die peinzend naar beneden kijkt is in het verhaal een barones, die zich verkleedt als jongen en een meesterdief is. Het is één van de eerste langere hoofdfilms en z(h)ij heet Filebus.