woensdag 12 mei 2010

Hilde Domin

Gisteren een nieuwe dichter ontdekt, waar ik zeker meer van wil gaan lezen. Ze heet Hilde Domin, Joodse, in 1909 geboren in Keulen en op 97 jarige leeftijd gestorven. Ze is op tijd voor de Nazi's gevlucht en heeft lang in de Dominicaanse Republiek gewoond, maar is wel ook teruggekeerd naar Duitsland. Meer weet ik even niet. Al googelend kwam ik gedichten tegen die in het Engels vertaald zijn en die vind ik ook veelbelovend.

Maar gisteren lazen we Bede, nadat we ons eerst gebogen hadden over een verhaaltje uit de Fioretti, nr. 19 de bloempjes van Franciscus van Assisi. Het gaat over Franciscus die vol zelfbeklag hevige pijnen lijdt door zijn oogziekte. Hij gaat naar Clara, die hem een rieten onderkomen geeft, maar tot overmaat van ramp stikt het daar van de muizen. Franciscus vindt zichzelf zielig en, zoals dat in zijn tijd passend is, roept God aan, gedeeltelijk al overtuigd, dat hij zo zondig is en dat hij ook niks beter verdient. God laat hem een andersoortige werkelijkheid zien.

Bij dit soort verhaaltjes, waar uiteindelijk ook nog een wonder geschiedt, van vertrapte wijnstokken die uiteindelijk in plaats van de 12 vaten wijn, ineens 20 vaten wijn oogst geeft, is het steeds de vraag, wat je daar nu mee kunt. Zijn het oudbollige verhaaltjes of wordt erin iets over de mogelijkheden van de menselijke geest verteld?

Het gedicht van Hilde Domin sloeg een brug:

Bede

Wij worden ondergedompeld
en gewassen met het water van de zondvloed,
wij worden door en door nat
tot op de huid van ons hart.

De vraag naar het landschap
aan deze kant van de tranengrens
deugt niet,
de wens tot behoud van de bloesemlente,
de wens verschoond te blijven,
deugt niet.

Wat deugt is de bede
dat bij zonsopgang de duif
de twijg van de olijfboom brengt.
Dat de vrucht zo bont zij als de bloesem,
dat de blaadjes van de roos nog op de grond
een lichtende kroon vormen.

En dat wij uit de vloed,
dat wij uit de leeuwenkuil en de vurige oven
steeds gewonder en steeds heler
telkens opnieuw
worden vrijgegeven
aan onszelf.

Heel mooi, vind ik het beeld van de roos, die niet alleen in haar perfecte vorm Roos is, maar ook als de blaadjes al gevallen zijn, een lichtende kroon kan vormen, voor wie dat kan zien. En dat het gedicht niet anders, dan in de 'wij'-vorm geschreven kan zijn. Dat wij ons leven niet kunnen controleren en niet altijd, voortdurend aan de zonnige zijde kunnen wandelen. Dat leven een voortdurend, gistend proces is en dat ín dat proces gaan staan en je eraan uitleveren en overgeven, dit vrij maakt.